GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.248.909/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/263584 / HA ZA 17-632 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 april 2022 inzake 1 [appellant sub 1] , 2. [appellant sub 2], beiden wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , appellanten, advocaat: mr. M. Bouman te ‘s-Hertogenbosch, tegen: 1de vennootschap onder firma [de vennootschap] , gevestigd te [plaats B] , gemeente [gemeente] , 2. [geïntimeerde sub 2], 3. [geïntimeerde sub 3], beiden wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] , geïntimeerden, advocaat: mr. J.P. Groen te Hoorn. 1Het geding in hoger beroep Appellanten zullen wederom gezamenlijk met [appellant sub 1] c.s. en geïntimeerden met [geïntimeerde sub 3] c.s. worden aangeduid. Appellant onder 1 zal als [appellant sub 1] worden aangeduid. Voor de weergave van het procesverloop in hoger beroep tot 17 november 2020 verwijst het hof naar het tussenarrest van 26 november 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:4209; hierna: het eerste tussenarrest) en naar het tussenarrest van 17 november 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:3104; hierna: het tweede tussenarrest). Na het tweede tussenarrest hebben partijen de volgende stukken ingediend: akte na tussenarrest door [appellant sub 1] c.s. (12 januari 2021); akte uitlaten door [appellant sub 1] c.s. met productie (28 december 2021); antwoordakte met producties door [geïntimeerde sub 3] c.s. (25 januari 2022). Ten slotte is wederom arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling 2.1. In het eerste tussenarrest heeft het hof overwogen dat [geïntimeerde sub 3] c.s. onvoldoende duidelijk hebben gemaakt wat de specificaties waren van het gebruikte rookgasafvoerkanaal en welke installatievoorschriften voor dit type pijp uit oogpunt van veiligheid in acht hadden moeten worden genomen. Het hof heeft [geïntimeerde sub 3] c.s. toegelaten te bewijzen dat het rookgasafvoerkanaal in de woning van [appellant sub 1] c.s. in strijd met Bouwbesluit 2012 en andere veiligheidsnormen is aangelegd om aan te tonen dat [appellant sub 1] c.s. die normen hebben overschreden. (rov. 3.15) 2.2. In het tweede tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat het rookgasafvoerkanaal van Schiedel, type ICS 25, geïnstalleerd op de wijze zoals [appellant sub 1] c.s. dat hebben gedaan, niet voldeed aan de temperatuurclassificatie van ten minste T600 en ook niet voldeed aan de eisen van art. 2.59 Bouwbesluit (rov. 2.10) doordat niet de vereiste afstand van 60 mm tot brandbare materialen is aangehouden. Aldus voldeed het rookgasafvoerkanaal niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden uit oogpunt van brandveiligheid mag stellen. Vervolgens heeft het hof zowel voorshands aangenomen dat het rookgasafvoerkanaal brandgevaar voor personen en zaken oplevert, als dat het brandgevaar zich met de brand heeft verwezenlijkt. [appellant sub 1] c.s. zijn in de gelegenheid gesteld dit voorshandse oordeel te ontzenuwen. 2.3. In hun akte van 28 december 2021 hebben [appellant sub 1] c.s. samengevat het volgende aangevoerd. Indien de brand in de woning van [appellant sub 1] c.s. zijn oorsprong vindt in de installatie van het rookgasafvoerkanaal, is de enig relevante mogelijkheid dat de brand is veroorzaakt door pyrolytische ontleding van het dakbeschot als gevolg van warmteopbouw en/of warmtestraling ter plaatse. De vraag is dan of deze warmteopbouw en/of warmtestraling heeft plaatsgevonden daar waar het rookgasafvoerkanaal grensde aan andere objecten – meer concreet het houten dakbeschot. [appellant sub 1] c.s. hebben een onderzoeksrapport van Efectis in het geding gebracht. Efectis heeft een reconstructie uitgevoerd waarbij de dakconstructie en het rookgasafvoerkanaal zijn nagebouwd. Het rookgasafvoerkanaal is verbonden met een houtkachel en werd door de dakconstructie geleid. Efectis heeft een houtkachel aangeschaft die [appellant sub 1] c.s. hebben herkend en die door hen gelijk werd bevonden aan de houtkachel in de woning. In de houtkachel heeft Efectis hout gestookt, terwijl op verschillende plaatsen aan de opstelling de temperatuur werd gemeten. Efectis concludeert in dit rapport: ‘Om te bepalen of er daadwerkelijk brand ontstaan kan zijn als gevolg van deze constructie is het van belang om vast te stellen onder welke omstandigheden brand kan ontstaan. De ontbrandingstemperatuur van hout ligt rond of boven 240oC. Bij een dergelijk hoge temperatuur kan hout ontsteken en kan brand ontstaan. Echter kan hout ook ontsteken bij een veel lagere temperatuur. Dat is de reden waarom een rookgasafvoerkanaal op een temperatuur van 100oC (omgevingstemperatuur + 80oC) beoordeeld wordt. Wanneer hout blootgesteld wordt aan hoge temperaturen zal het materiaal van samenstelling veranderen. Dit proces staat ook bekend als het pyrofoor worden van het materiaal. Als gevolg van deze verandering van eigenschappen kan het materiaal bij relatief lage temperaturen tot ontbranding komen. Volgens de internationaal beschikbare literatuur blijkt dit proces zich voor te kunnen doen bij een temperatuur van 77oC en hoger. Hoe lang het duurt voordat er daadwerkelijk brand ontstaat is afhankelijk van vele factoren en is niet met zekerheid vast te stellen. Afhankelijk van temperatuur, ventilatie en isolatie kan dit proces zelfs meerdere jaren in beslag nemen. Van belang in de analyse van de metingen is dan ook om vast te stellen welke temperatuur het hout in de constructie kan bereiken als gevolg van de warmteoverdracht vanaf het rookgasafvoerkanaal. Tijdens de test is vastgesteld dat de temperatuur in de ruimte tussen kanaal en dakconstructie nooit hoger is geweest dan 53oC. Deze temperatuur werd enkel bereikt met extreem stookgedrag. Bij voorgeschreven stookgedrag kwam de temperatuur niet boven de 42oC. Dit is bevestigd door regelmatig met de hand te voelen aan de constructie in de dakdoorvoer. De hoogste gemeten temperatuur in de dakdoorvoer van 53oC ligt ruim onder de temperatuur waarbij een kans op brand kan ontstaan (>77oC).’ Volgens [appellant sub 1] c.s. is op basis van dit onderzoek uitgesloten dat zich in het houten dakbeschot pyrolyse heeft voorgedaan. Daarbij hebben zij verder erop gewezen dat [appellant sub 1] de avond van de brand het laatste houtblok om 20:00 uur in de kachel heeft gelegd. Het rookgasafvoerkanaal en de dakconstructie inclusief het dakbeschot waren daarom volgens hen reeds geruime tijd afgekoeld ten tijde van het ontstaan van de brand. Het dakbeschot kan evenmin op andere wijze vlam hebben gevat als gevolg van het in de woning aanwezige rookgasafvoerkanaal. De temperatuur van het houtendakbeschot kan nimmer de voor hout benodigde ontbrandingstemperatuur van 240oC hebben bereikt. Wat de oorzaak van de brand dan wel is, weten [appellant sub 1] c.s. niet. Het is echter niet aan hen om in het kader van het ontzenuwen van het voorshands aangenomen bewijs een aannemelijke alternatieve oorzaak aan te wijzen. [appellant sub 1] c.s. concluderen tot afwijzing van de vordering onder handhaving van hun eerder gedane bewijsaanbod. 2.4. [geïntimeerde sub 3] c.s. voeren samengevat het volgende aan. Het is op meerdere punten onduidelijk of de testopstelling overeenstemt met de situatie in de woning van [appellant sub 1] c.s. en alleen daarom al is het rapport irrelevant voor het leveren van het tegenbewijs. Zo is onduidelijk welke kachel [appellant sub 1] c.s. destijds gebruikten, de prestatieverklaring van de gebruikte kachel roept vragen op, de opstelling is niet door [appellant sub 1] c.s. goedgekeurd en Efectis beschikte niet over de stukken van de deskundigen van [geïntimeerde sub 3] . Bovendien was volgens [geïntimeerde sub 3] c.s. de kachelpijp ter hoogte van de dakdoorvoer enkelwandig. De uitlaat van de kachel sluit niet aan op het t-stuk dat diende als aansluiting tussen de kachel en het rookgasafvoerkanaal. Anders dan bij [appellant sub 1] c.s. is de dakconstructie volledig opgevuld met steenwolisolatie. [geïntimeerde sub 3] c.s. wijzen ook op inconsistenties in het verweer van [appellant sub 1] c.s. [appellant sub 1] c.s. stellen op basis van het rapport van Overtoom dat de buitenzijde van een dubbelwandig rookgasafvoerkanaal bij normale gebruiksomstandigheden 40-60oC zou zijn. Dit verweer, zo hebben [geïntimeerde sub 3] c.s. aangevoerd, hebben [appellant sub 1] c.s. kennelijk ontleend aan Isoduct, het enige product dat in Nederland zonder omkokering op een afstand van 0 mm van andere (brandbare) materialen mag worden toegepast. Het is dan ook niet aannemelijk dat bij het door [appellant sub 1] c.s. toegepaste rookgasafvoerkanaal, dat alleen goedgekeurd was voor T450 (terwijl T600 was vereist) en dat niet omkokerd was, slechts een temperatuur van 53 en 42oC bij extreem, respectievelijk normaal stookgedrag zou ontstaan. Dat zou namelijk betekenen dat het kanaal zonder omkokering toegepast zou mogen worden. Dat is niet het geval: uit de prestatieverklaring voor de rookgasafvoer van [appellant sub 1] c.s. volgt dat omkokering verplicht was; hieruit volgt dat zonder omkokering te hoge temperaturen optraden. [geïntimeerde sub 3] c.s. concluderen dat [appellant sub 1] c.s. niet zijn geslaagd in het tegenbewijs. 2.5. Het hof overweegt als volgt. [geïntimeerde sub 3] c.s. gronden hun vordering op art. 6:174 BW. Dat betekent dat het op de weg van [geïntimeerde sub 3] c.s. ligt om te stellen en, bij voldoende gemotiveerde tegenspraak, te bewijzen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.