afdeling strafrecht parketnummer: 23-002034-21 datum uitspraak: 19 april 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 juli 2021 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-089572-21 en 15-056714-21, alsmede 15-079683-20 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1969, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregelen, alsmede de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat de in het vonnis opgenomen motivering van de opgelegde hoofdstraf wordt vervangen door de onderstaande. Oplegging van straf en maatregel De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 65 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de politierechter vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd voor de duur van twee jaren, inhoudende een contactverbod met [benadeelde 3] en [benadeelde 2] en een gebiedsverbod. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 111 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen zullen worden opgelegd, inhoudende een contactverbod aangaande alle in de tenlasteleggingen genoemde slachtoffers en een gebiedsverbod, welke maatregelen dadelijk uitvoerbaar dienen te worden verklaard. De raadsman heeft het hof verzocht de op te leggen straf te beperken tot de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van de gevorderde vrijheidsbeperkende maatregelen heeft de raadsman gesteld dat het gebiedsverbod beperkt kan worden tot de straten waar de slachtoffers wonen en dat een contactverbod niet wenselijk is, omdat de handhaving daarvan nagenoeg niet mogelijk is. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf (doods)bedreigingen van buurtbewoners dan wel stadsgenoten. Het gaat daarbij om bijzonder intimiderende bedreigingen die veelal in de zeer directe woonomgeving van de slachtoffers hebben plaatsgevonden. De bedreigingen hebben grote invloed gehad op het welbevinden van de slachtoffers en gevoelens van angst en onveiligheid bij hen teweeggebracht. Uit de toelichtingen op de vorderingen van de twee benadeelde partijen komt naar voren dat zij het gevoel hebben voortdurend op hun hoede te moeten zijn voor de verdachte. Hun woonplezier is door zijn toedoen sterk aangetast. Feiten als de onderhavige versterken bovendien de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid, temeer nu de feiten op de openbare weg hebben plaatsgevonden, deels in het bijzijn van derden. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 maart 2022 is de verdachte eerder voor een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof in zijn nadeel meeweegt. Alles afwegende, acht het hof de door de rechter in eerste aanleg opgelegde (grotendeels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf passend en geboden. Een voorwaardelijk strafdeel acht het hof noodzakelijk als stok achter de deur om zo de verdachte in te prenten dat hij zich in de toekomst verre moet houden van het plegen van strafbare feiten én hem ervan te doordringen dat hij zich verder moet onthouden van voor de slachtoffers en anderen bedreigende en intimiderende handelingen. In het voorgaande ligt besloten dat het hof onvoldoende aanleiding ziet om de verdachte een hogere straf op te leggen dan de eerste rechter heeft gedaan. Het hof overweegt omtrent de in hoger beroep geëiste vrijheidsbeperkende maatregel(en) als volgt. De verdachte is veroordeeld voor bedreigingen in de periode februari-maart 2021, gepleegd jegens buurt-/stadsgenoten in [plaats]. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de bedreigingen niet op zichzelf staan en dat de verdachte op gespannen voet leeft met zijn buurt-/ stadsgenoten. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 31 maart 2021 (zaaksdossier 15-089572-21, p. 35) – onder meer inhoudende een overzicht van mutaties over de jaren 2020 en 2021 van door de verdachte veroorzaakte overlast, waaronder bedreigingen. Voorts heeft het hof acht geslagen op het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 11 juni 2021 (los gevoegd in zaaksdossier 15-089572-21) – onder meer inhoudende dat de verdachte, die in de onderhavige zaak in voorarrest heeft verbleven, vrijwel direct na zijn vrijlating zich meermalen provocerend en/of beledigend en/of bedreigend zou hebben gedragen naar buurtbewoners. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de verdachte naar eigen zeggen nog altijd verblijft in Purmerend, acht het hof ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten, waaronder met name strafbare feiten tegen de slachtoffers [slachtoffer 1], [benadeelde 1], [slachtoffer 2], [benadeelde 2] en [benadeelde 3], oplegging van de in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vrijheidsbeperkende maatregel aangewezen, inhoudende een hierna nader te omschrijven gebiedsverbod en een contactverbod betreffende alle in de bewezenverklaring genoemde personen. Deze maatregel wordt opgelegd voor de duur van twee jaren. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding de maatregel in andere vorm te gieten. Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof bovendien tot het oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens de in de bewezenverklaringen genoemde personen, en zal het hof bepalen dat voornoemde maatregel (inhoudende een gebiedsverbod en een contactverbod) dadelijk uitvoerbaar is. Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben zich in eerste aanleg ieder als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 5.000,00, respectievelijk € 375,00 en € 375,00, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep telkens toegewezen tot een bedrag van € 375,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.