GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer : 200.290.216/03 zaaknummer hoofdzaak : 200.290.216/01 beslissing van de wrakingskamer van 1 maart 2022 inzake het op 12 januari 2022 ingediende wrakingsverzoek van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , bijgestaan door: mr. S. van Buuren, advocaat te ’s-Gravendeel. 1Het geding 1.1 De hoofdzaak is een civiele procedure in hoger beroep van [verzoeker] als appellant (hierna te noemen: verzoeker) tegen Stichting [X] (voorheen: Stichting [X] ) als geïntimeerde (hierna te noemen: [X] ). 1.2 Tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak in hoger beroep op 18 juni 2021 heeft verzoeker een verzoek gedaan tot wraking van mrs. M.F.G.H. Beckers, A. van Haeringen en J.W. van Zaane. Bij beslissing van 24 augustus 2021 is het wrakingsverzoek afgewezen. 1.3 Bij e-mail van 12 januari 2022 heeft verzoeker opnieuw een verzoek tot wraking van mr. Van Zaane ingediend. Dit verzoek houdt het volgende in: “De heer Van Zaane blijft maar bezig. Hierbij wraak ik hem (nogmaals). Het is m.i. ongewenst dat deze man de zaak doet terwijl hij tegelijkertijd (kandidaat)-notaris is. Zie o.m. het notarisregister en zijn LinkedIn pagina.”. 1.4 Aangezien het verzoek niet door een advocaat was ingediend, is verzoeker bij e-mail van 8 februari 2022 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken dit verzuim te herstellen. 1.5 Bij brief van 21 februari 2022 heeft de advocaat van verzoeker de e-mail van verzoeker van 12 januari 2022 opnieuw ingediend met het verzoek die als herhaald en ingelast te beschouwen. 2Beoordeling van het wrakingsverzoek 2.1 Het verzuim dat het verzoek niet door een advocaat is ingediend, is tijdig hersteld. 2.2 Een wrakingsverzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden (artikel 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Op grond van artikel 37 lid 4 Rv wordt een volgend verzoek tot wraking van dezelfde rechter niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. 2.3 Voor het (hiervoor onder 1.2 vermelde) eerste verzoek tot wraking van mr. J.W. van Zaane heeft verzoeker de volgende gronden aangevoerd. Deze raadsheer is betrokken geweest als tuchtrechter in een eerdere procedure van verzoeker (omtrent de nalatenschap van de grootmoeder van verzoeker). Daarin heeft deze raadsheer het gedrag van de frauderende notaris waartegen de klacht was ingediend, goedgevonden. Bovendien heeft deze raadsheer geen opgave gedaan van zijn nevenfuncties en houdt hij als notaris kantoor in Amsterdam, terwijl hij ook raadsheer-plaatsvervanger is bij het gerechtshof Amsterdam. Het is raadsheer-plaatsvervangers niet toegestaan om kantoor te houden in het arrondissement waar zij ook optreden als notaris, aldus verzoeker. 2.4 Aan het (thans ter beoordeling voorliggende) tweede verzoek is ten grondslag gelegd dat mr. J.W. van Zaane de zaak doet terwijl hij tegelijkertijd (kandidaat-)notaris is. Met dit feit was verzoeker reeds bekend ten tijde van zijn eerdere verzoek. Daarom wordt dit tweede verzoek niet in behandeling genomen. 2.5 De wrakingskamer merkt dit tweede verzoek aan als misbruik in de zin van artikel 39 lid 4 Rv. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling wordt genomen. 3De beslissing De wrakingskamer: - neemt het verzoek tot wraking van 12 januari 2022 niet in behandeling; - bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de civiele procedure met zaaknummer 200.290.216/01 niet in behandeling wordt genomen. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.J.G. van Amsterdam, G.C.C. Lewin en S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 1 maart 2022 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.