afdeling strafrecht parketnummer: 23-002511-21 datum uitspraak: 25 mei 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 augustus 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-290526-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair hij op of omstreeks 28 maart 2020 te Monnickendam, gemeente Waterland, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht van het rechteroog en/of een blijvend litteken in het aangezicht, heeft toegebracht door die [benadeelde] (met kracht) met een plank/balk, althans hard voorwerp, in het gezicht/tegen het hoofd te slaan; 1. subsidiairhij op of omstreeks 28 maart 2020 te Monnickendam, gemeente Waterland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] (met kracht) met een plank/balk, althans hard voorwerp, in het gezicht/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. meer subsidiairhij op of omstreeks 28 maart 2020 te Monnickendam, gemeente Waterland, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] (met kracht) met een plank/balk, althans hard voorwerp, in het gezicht/tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht van het rechteroog en/of een blijvend litteken in het aangezicht, ten gevolge heeft gehad; 2.hij op of omstreeks 26 februari 2020 te Monnickendam, gemeente Waterland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in het gezicht/tegen het hoofd te slaan/stompen en/of tegen het been/lichaam te schoppen/trappen; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, strafoplegging en beslissing over de vordering van de benadeelde partij komt. In hoger beroep gevoerde verweren De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij dient te worden vrijgesproken van feit 1. Hij is niet de persoon die [benadeelde] heeft mishandeld en er is dan ook sprake geweest van een persoonsverwisseling. Hij heeft daartoe tevens aangevoerd dat hij niet in staat was een plank op te tillen om iemand te slaan in verband met een blessure waarvoor hij bij een fysiotherapeut liep. Met betrekking tot feit 2 heeft de verdachte aangevoerd dat hij de heer [slachtoffer] wel heeft geschopt, maar niet geslagen. De verweren van de verdachte worden weerlegd door de te bezigen bewijsmiddelen, op basis waarvan het hof met betrekking tot feit 1 tot de conclusie komt dat er voldoende bewijs is dat de verdachte degene is geweest die [benadeelde] bij de sporthal heeft aangesproken en met een plank op zijn hoofd heeft geslagen. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een persoonsverwisseling, nu de verdachte zelf ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat er niemand in de buurt woont die op hem lijkt, hetgeen het hof in de overtuiging sterkt dat het de verdachte is die [benadeelde] heeft mishandeld. Wat feit 2 betreft kan op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de eigen verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep zowel het schoppen als het slaan worden bewezen. Het hof verwerpt dan ook de in hoger beroep gevoerde verweren en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.primairhij op 28 maart 2020 te Monnickendam, gemeente Waterland, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht van het rechteroog en een blijvend litteken in het aangezicht, heeft toegebracht door die [benadeelde] (met kracht) met een plank tegen het hoofd te slaan; 2.hij op 26 februari 2020 te Monnickendam, gemeente Waterland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in het gezicht te slaan/stompen en tegen het been te schoppen; Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: zware mishandeling. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk onder verschillende bijzondere voorwaarden De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een jong slachtoffer door met een plank tegen diens hoofd te slaan zonder enige aanleiding. De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en hem pijn en letsel bezorgd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag moet leven met de (nadelige) lichamelijke en psychische gevolgen van de zware mishandeling. Hij heeft nog steeds last van verminderd zicht, hoofdpijn, vermoeidheid en verminderde concentratie. Bovendien zal het slachtoffer ook in de toekomst dagelijks worden geconfronteerd met het litteken bij zijn wenkbrauw. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van een glazenwasser door die na een woordenwisseling tegen zijn been te schoppen en in het gezicht te slaan. De verdachte heeft met zijn gedrag voorrang gegeven aan de directe uiting van zijn frustraties en emoties en heeft niet geprobeerd de bij hem blijkbaar ontstane onvrede op een andere wijze, zonder toepassing van geweld, op te lossen. Daarnaast heeft de verdachte ook in dit geval de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en hem pijn bezorgd. Naar het oordeel van het hof kan de ernst van de feiten slechts adequaat tot uitdrukking worden gebracht door het opleggen van een straf die vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Gelet echter op hetgeen met betrekking tot de persoon van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken ziet het hof aanleiding een deel van de na te melden gevangenisstaf, te weten drie maanden, voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen. Met oplegging van de na te noemen straf benadrukt het hof enerzijds de ernst van het feit en beoogt het anderzijds de verdachte te doordringen van de noodzaak zich ook in de toekomst verre te houden van het plegen van strafbare feiten en hem te stimuleren op het goede pad te blijven. Daarnaast zal het hof de door de reclassering in de reclasseringsrapportage van 15 januari 2021 geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en ambulante behandelverplichting, opleggen. Het hof zal daarbij – anders dan de rechter in eerste aanleg – een proeftijd van 3 jaren opleggen, omdat het hof meent dat de verdachte voor een langere tijd gebaat kan zijn bij begeleiding van de reclassering. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich, conform het bepaalde in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.053,00 en bestaat uit de volgende posten: - materiële schade (totaal) € 1.553,00
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.