GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.283.965/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8248728 CV EXPL 20-56 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 mei 2022 inzake [appellante] , wonend te [plaats A] , appellante, advocaat: mr. I.P. van Rossen te Amsterdam, tegen STICHTING DE ALLIANTIE, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. H. Saritas-Sevim te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] en De Alliantie genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 21 september 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 19 juni 2020, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, en De Alliantie als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie. Het vonnis is daarnaast gewezen tussen [A] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [B] , ( [A] verder te noemen: [A] ), die tezamen met [appellante] in eerste aanleg als procespartij heeft opgetreden, en De Alliantie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord, tevens houdende incident tot niet-ontvankelijkverklaring; - memorie van antwoord in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring, met een productie. Partijen hebben de zaak ter zitting van 22 maart 2022 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellante] is ter zitting vergezeld van [A] . Namens De Alliantie is [C] verschenen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt. [appellante] heeft bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante] heeft, samengevat, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vordering zal toewijzen, met veroordeling van De Alliantie in de kosten van het geding in beide instanties. De Alliantie heeft geconcludeerd dat het hof [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente. [appellante] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep, met veroordeling van De Alliantie in de proceskosten. [appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1. tot en met 1.21. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Aangevuld waar nodig en voor zover in hoger beroep nog van belang, zijn de feiten de volgende. 2.1. [B] huurt met ingang van 16 maart 1989 van (de rechtsvoorganger van) De Alliantie een woning aan de [A-straat] te [plaats A] (hierna: de woning). Het gaat om een eengezinswoning met vier slaapkamers. 2.2. [appellante] is [in] 2007 gehuwd met [D] . Ze hebben samen vier kinderen, geboren in respectievelijk 2006, 2007, 2008 en 2013. 2.3. Van 2 april 2015 tot 13 juli 2017 heeft [B] gewoond en ingeschreven gestaan in een verpleeghuis te [plaats A] . 2.4. Op 13 oktober 2015 hebben [B] en [appellante] om woningruil verzocht. [appellante] huurde op dat moment een sociale huurwoning op de [B-straat] te [plaats A] van Stichting Ymere. 2.5. Op 18 november 2015 heeft De Alliantie het verzoek tot woningruil afgewezen, met als reden dat zij heeft geconstateerd dat [B] niet stond ingeschreven op de woning. 2.6. Op 27 november 2015 heeft [appellante] zich samen met haar vier kinderen ingeschreven op het adres van de woning van [B] . 2.7. Op 12 januari en 15 februari 2017 heeft een medewerker van De Alliantie bezoeken afgelegd aan de woning. Daarbij heeft de medewerker geconstateerd dat er mensen verbleven in de woning. Ondanks aanbellen werd geen toegang tot de woning verleend. 2.8. Bij beschikking van 26 april 2017 zijn de goederen van [B] onder bewind gesteld met benoeming van zijn dochter, [A] , tot bewindvoerder. 2.9. Op 6 mei 2017 zijn [appellante] als huurder van de huurwoning op de [B-straat] en [D] als partner/medehuurder/geregistreerde partner akkoord gegaan met een renovatieplan van Stichting Ymere, waarbij zij hebben aangevinkt dat zij stadsvernieuwingsurgent willen worden. 2.10. Op 7 juli 2017 heeft een medewerker van De Alliantie telefonisch contact gehad met het verpleeghuis. De medewerker kreeg te horen dat [B] daar woonde. Op diezelfde dag heeft de medewerker ook de woning bezocht en daar [appellante] aangetroffen. 2.11. Vanaf 13 juli 2017 staat [B] weer ingeschreven op de woning. 2.12. Op 19 oktober 2017 heeft de medewerker van De Alliantie een bezoek aan de woning afgelegd. De medewerker heeft toen [B] en [appellante] met haar kinderen in de woning aangetroffen. [B] lag op een bed in de woonkamer en verklaarde dat [appellante] voor hem zorgt. 2.13. Tot november 2018 hadden [appellante] en [D] een gezamenlijke inschrijving op Woningnet en hebben zij gezamenlijk op woningaanbod gereageerd. 2.14. Bij beschikking van 13 februari 2019 zijn [appellante] en [D] gescheiden van tafel en bed. 2.15. Sinds 8 april 2019 huurt [D] van De Alliantie een woning aan de [C-straat] te [plaats A] . 2.16. Op 22 juli 2019 heeft [B] verzocht om medehuurderschap van [appellante] met als reden “Persoon officieel verantwoordelijk stellen voor de vaste lasten”. 2.17. Bij brief van 1 augustus 2019 heeft De Alliantie het verzoek afgewezen omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan en volgens De Alliantie sprake was van misbruik van de medehuurregeling. 2.18. Een schriftelijke verklaring van [A] van 26 september 2019 houdt in, voor zover van belang: Hierbij verklaar ik dat mijn vader 24 uur toezicht nodig heeft, omdat hij aan het dementeren is en syndroom van korsakov heeft. Door zijn ziekte beeld heb ik mijn vader geprobeerd ongeveer 1 jaar in een verpleeghuis te plaatsen, maar daar was hij heel ongelukkig. Toen heb ik besloten om hem weer thuis te houden. Mijn nichtje is bij hem gaan inwonen sinds 2015. Zij houd toezicht, houd controle van zijn alcohol gebruik en simuleert mijn vader ook met zijn zelfredzaamheid. Sinds zij bij hem inwoont gaat het met de gezondheid van mijn vader goed. Ook de artsen en specialisten zijn tevreden met zijn gezondheid en zeggen dat we dit zo vol moeten houden. 2.19. Volgens een uitdraai van Woningnet van 14 oktober 2019 heeft [B] sinds 24 november 2015 zeven keer gereageerd op aanbod van seniorenwoningen/wibo-woningen, laatstelijk op 8 oktober 2019. 3Beoordeling 3.1. In eerste aanleg hebben [appellante] en [A] op de voet van artikel 7:267 BW gevorderd dat zal worden bepaald dat [appellante] medehuurder zal zijn van de woning, met veroordeling van De Alliantie in de kosten van het geding. Daaraan hebben zij, samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellante] sinds 2015 haar hoofdverblijf in de woning heeft, met [B] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert en zelfstandig de huur kan betalen. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat [appellante] onbetaald mantelzorger is van [B] , die vierentwintig uur per dag toezicht nodig heeft, gelet op zijn geestelijke en lichamelijke toestand. 3.2. De Alliantie heeft zich tegen toewijzing van de vordering verweerd op de gronden, kort gezegd, dat er geen duurzame gemeenschappelijke huishouding is als bedoeld in artikel 7:267 BW en dat de vordering de kennelijke strekking heeft om [appellante] de positie van huurder te verschaffen. De Alliantie heeft in (voorwaardelijke) reconventie gevorderd dat de huurovereenkomst wordt ontbonden met de ontruiming van de woning, met beslissing over de proceskosten. 3.3. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in conventie de vorderingen van [appellante] afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de samenwoning niet kwalificeert als een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de wettelijke zin. Naar het oordeel van de kantonrechter wijzen de vaststaande feiten erop dat de samenwoning is te beschouwen als een praktische oplossing, die tegemoet komt aan een wederzijdse behoefte, te weten enerzijds de behoefte van [B] aan dagelijkse verzorging (omdat hij eenzaam was in het verpleeghuis) en anderzijds de behoefte van [appellante] aan een woning voor haar en haar vier kinderen. Van het afstemmen van hun leven op elkaar of het delen van de kosten van levensonderhoud is naar het oordeel van de kantonrechter, kort gezegd, niet (voldoende) gebleken. Daarnaast heeft de kantonrechter op grond van de vaststaande feiten geoordeeld dat de vordering de kennelijke strekking heeft om [appellante] de positie van huurder te verschaffen. In reconventie heeft de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst met de ontruiming afgewezen. De kantonrechter heeft in conventie en in reconventie de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. 3.4. Tegen de in conventie gewezen beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met vijf grieven op. De in reconventie afgewezen vorderingen liggen niet aan het hof ter beoordeling voor. 3.5. Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 7:267 lid 1 BW bepaalt, voor zover van belang, dat de huurder en de beoogd medehuurder gezamenlijk kunnen verzoeken dat de rechter zal bepalen dat de beoogd medehuurder met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn. Op grond van artikel 7:267 lid 3 BW wijst de rechter de vordering slechts af
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.