GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.272.764/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/653686 / HA ZA 18-896 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juni 2022 inzake 1NIEUW EFFECT B.V., gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellanten, thans niet meer in rechte vertegenwoordigd, tegen STICHTING NALEVING CAO VOOR UITZENDKRACHTEN, gevestigd te Barendrecht, geïntimeerde, advocaat: mr. M.H.D. Vergouwen te Amsterdam. Partijen worden hierna wederom Nieuw Effect, [appellant sub 2] en SNCU genoemd. Nieuw Effect en [appellant sub 2] worden gezamenlijk Nieuw Effect c.s. genoemd. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof heeft in deze zaak op 19 oktober 2021 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat tussenarrest verwezen. SNCU heeft zich op de rol van 30 november 2021 bij akte uitgelaten over het rapport van Virtius Consultancy B.V. van 25 augustus 2021 (hierna: het rapport van 25 augustus 2021) dat Nieuw Effect c.s. op 1 september 2021 aan het hof en SNCU hadden gezonden. Nieuw Effect c.s. hebben geen antwoordakte genomen. Mr. De Haas heeft zich op 11 januari 2022 onttrokken als advocaat van Nieuw Effect c.s. en er heeft zich geen nieuwe procesvertegenwoordiger gesteld. Ten slotte heeft SNCU arrest gevraagd. 2De verdere beoordeling 2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.24 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover deze feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen zij ook het hof tot uitgangspunt. Aangevuld met andere tussen partijen vaststaande feiten komen deze feiten op het volgende neer. 2.2 [appellant sub 2] is enig bestuurder van Nieuw Effect. Nieuw Effect was (via HaWe Jobs B.V., hierna: HaWe Jobs) indirect enig bestuurder en enig aandeelhouder van de in 2018 ontbonden vennootschap PBC Techniek B.V. (hierna: PBC). In PBC werd een uitzendonderneming gedreven. HaWe Jobs was de onmiddellijk bestuurder van PBC. 2.3 In de voor deze zaak relevante perioden was PBC gebonden aan twee algemeen verbindend verklaarde cao’s: - de cao voor Uitzendkrachten (de ABU-versie; het betreft een cao met zogenoemde minimumbepalingen) en - de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. 2.4 SNCU is een door cao-partijen opgerichte stichting die toeziet op de naleving van de cao voor Uitzendkrachten en de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. 2.5 SNCU heeft bij PBC een onderzoek naar de naleving van de cao voor Uitzendkrachten laten uitvoeren. Dit heeft geresulteerd in een “Definitieve Rapportage” van 7 september 2017, waarin staat dat materiële afwijkingen zijn geconstateerd met een indicatieve schadelast van in totaal € 54.241,- + p.m. Het onderzoek is gedaan door middel van een steekproef bij vijftien personen en betrof drie controleperioden: - 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014, - 1 januari 2015 tot en met 16 september 2015 en - 25 maart 2016 tot en met 30 september 2016. 2.6 Hierna worden bepalingen aangehaald uit de cao-versies die bij inleidende dagvaarding als de laatstelijk algemeen verbindende versies zijn overgelegd (besluiten tot algemeen-verbindendverklaring van 13 april 2018; Stcr. nr. 2136, 17 april 2018). Tussen partijen is niet in geschil dat bepalingen van gelijke inhoud ook golden tijdens de voor deze zaak relevante controleperiode en nadien. 2.7 Artikel 75 van de cao voor Uitzendkrachten bepaalt: 1. Er is een Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) opgericht door cao-partijen. 2. De statuten en reglementen van de SNCU zijn vastgelegd in de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. 2.8 Artikel 7 van de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche bepaalt: 1. Er is een Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) opgericht door de partijen betrokken bij deze cao waarvan de Statuten en Reglementen I en II integraal onderdeel uitmaken van deze cao. 2. De SNCU dient erop toe te zien, dat de bepalingen van deze cao algemeen en volledig worden nageleefd en is door de partijen betrokken bij deze cao gemachtigd al datgene te verrichten dat daartoe nuttig en noodzakelijk kan zijn. 2.9 Het van de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche deel uitmakende Reglement II (hierna: Reglement II) luidt voor zover hier van belang als volgt (met ‘CAO’s’ wordt gedoeld op onder meer de twee bovengenoemde cao’s): REGLEMENT II Werkwijze van de werkorganisatie van de Stichting naleving CAO voor Uitzendkrachten (…) Artikel 5: Bewijslast 1. De uitzendonderneming is verplicht in redelijkheid de inlichtingen te verschaffen die de SNCU voor een goede uitvoering van de werkzaamheden nodig heeft. Indien de uitzendonderneming ook na aanmaning en ingebrekestelling niet aan deze verplichting voldoet, is de SNCU bevoegd bedoelde gegevens naar beste weten vast te stellen. 2. Het getrouwelijk naleven van de CAO’s moet onder meer blijken uit de door of namens de uitzendonderneming gevoerde inzichtelijke en deugdelijke loon- en arbeidstijdenadministratie (…) Artikel 8: Instellen van vorderingen 1. CAO-partijen betrokken bij de CAO’s dragen hun bevoegdheid tot het instellen van vorderingen als bedoeld in artikel 3 lid 4 Wet AVV en artikel 15 Wet CAO met inachtneming van het onderstaande over aan de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) (…) Artikel 9: Schadevergoedingen 1. Indien een uitzendonderneming na ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende ten minste tien werkdagen nalatig blijft in het verstrekken van de door SNCU verzochte gegevens met betrekking tot de wijze waarop zij de cao’s naleeft, dan wel onjuiste gegevens verstrekt, is zij verplicht door dat enkele feit aan de SNCU een forfaitaire schadevergoeding te betalen van € 100.000,-. De SNCU kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van het innen van deze schadevergoeding, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. 2. Indien een uitzendonderneming na ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende tien werkdagen volhardt bij het niet naleven van de CAO’s op de in de ingebrekestelling vermelde punten, is zij - onverminderd het gestelde onder lid 1 - verplicht aan de SNCU een door het bestuur te bepalen schadevergoeding te betalen. Het bestuur van de SNCU heeft een beleid vastgesteld inzake een gestaffelde schadevergoedingsmethodiek, zoals gepubliceerd op de website van de SNCU (www.sncu.nl). Deze methodiek houdt rekening met de aard, de omvang en de duur van de niet-naleving. Daarnaast kan rekening worden gehouden met de mate waarin die uitzendonderneming alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de CAO’s. De schadevergoeding wordt aan de hand van de volgende formule berekend. (…) De schadevergoeding bedraagt minimaal € 5.000,– en maximaal € 100.000,–. (…) 3. De SNCU hoeft niet aan te tonen dat zij de schade in de omvang als door haar gevorderd ook daadwerkelijk heeft geleden. 2.10 De publicatie als bedoeld in artikel 9 lid 2 van Reglement II waarin het door het bestuur van de SNCU vastgestelde beleid is neergelegd, vermeldt het volgende over de achtergrond van de schadevergoeding (het hieronder genoemde artikel 6 is inmiddels hernummerd tot artikel 9): Indien een werkgever na ingebrekestelling door of namens de SNCU gedurende tenminste 14 dagen nalatig blijft de door de SNCU verzochte gegevens te verstrekken, dan wel onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, is hij door dat enkele feit conform artikel 6 lid 1 van het Reglement II verplicht aan de SNCU een forfaitaire schadevergoeding te betalen. Tevens is een schadevergoeding verschuldigd uit hoofde van artikel 6 lid 2 indien de werkgever na ingebrekestelling door of namens de SNCU binnen 14 dagen volhardt in het niet naleven van de CAO(‘s). Met betrekking tot de bepaling van de hoogte van deze (forfaitaire) schadevergoeding ex artikel 6 lid 1 en artikel 6 lid 2 heeft het bestuur van de SNCU een beleid vastgesteld, dat weergegeven wordt in onderstaande notitie. De bevoegdheid tot het opleggen van een forfaitaire schadevergoeding vindt haar grondslag in de artikelen 15, 16 en 17 Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst (hierna: Wet cao) alsmede in artikel 3 lid 4 Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna Wet AVV). (…) De schadevergoeding betreft (…) ook de schade die cao-partijen lijden, doordat zij bij hun leden vertrouwen en prestige hebben verloren, alsmede het verlies van werfkracht. De immateriële schadevergoeding (…) is ook opgenomen omdat in zodanige gevallen de werkelijke, door de cao-partijen geleden schade niet, althans zeer moeilijk te bewijzen is en veelal van immateriële aard. Tot slot gaat het bij die schadevergoeding om een prikkel tot nakoming. Het een en ander is door de Hoge Raad reeds uitgemaakt in zijn arrest van 2 november 1979 (De Bruin/Vervoersbond, NJ 1980, 227). (…) Forfaitaire schadevergoeding uit hoofde van artikel 6 lid 1 Reglement II (…) Het bestuur heeft besloten de hoogte van deze forfaitaire schadevergoeding te bepalen op een bedrag ad € 100.000,--. Dit bedrag ad € 100.00,-- is tevens het bedrag dat als maximum is gekozen bij de staffel die wordt gehanteerd bij de bepaling van een schadevergoeding uit hoofde van artikel 6 lid 2 Reglement II. In de situatie zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 wordt door de onderneming op geen enkele manier meegewerkt. Het is daarom onmogelijk om rekening te houden met de aard, de omvang en de duur van de niet naleving, alsmede met de loonsom van de onderneming. Ook kan geen rekening worden gehouden met de mate waarin die werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de CAO’s. In die omstandigheden is het gerechtvaardigd het maximumbedrag te hanteren uit hoofde van de staffelmethode die gekoppeld is aan de berekening van de schadevergoeding ex artikel 6 lid 2 Reglement II. Schadevergoeding uit hoofde van artikel 6 lid 2 Reglement II (…) Het bestuur van de SNCU heeft een beleid vastgesteld inzake een gestaffelde schadevergoeding methodiek. Deze methodiek houdt rekening met de in artikel 6 lid 2 Reglement II genoemde elementen. (…) 2.11 Voornoemde publicatie vermeldt verder het volgende: Aanvullende forfaitaire schadevergoeding (…) Indien de SNCU tot de conclusie moet komen dat (een deel van) de materiele benadeling niet aan de betrokken werknemers is uitgekeerd, zal een bedrag ter gelijke hoogte aan het (resterende) bedrag opgelegd worden als een aanvullende forfaitaire schadevergoeding, welke schadevergoeding niet in mindering strekt op een eventueel reeds eerder opgelegde (forfaitaire) schadevergoeding, noch de werkgever ontslaat van haar voortdurende verplichting de materiële benadeling te compenseren. Bovenstaande aanvullende forfaitaire schadevergoeding is gebaseerd op artikel 6 lid 2 van het Reglement II. De daarin genoemde elementen waarmee rekening wordt gehouden bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding zijn (impliciet) verdisconteerd in het bedrag aan aanvullende forfaitaire schadevergoeding daar waar het bedrag een gelijke hoogte heeft als de niet gecompenseerde vastgestelde materiële benadeling. (…) Anders dan de forfaitaire schadevergoeding uit hoofde van artikel 6 lid 1 en de staffelmethode zoals hiervoor omschreven, is de aanvullende forfaitaire schadevergoeding in haar aard niet gemaximeerd op enig bedrag nog strekt op deze aanvullende forfaitaire schadevergoeding enig bedrag in mindering uit hoofde van een eerder vastgestelde (forfaitaire) schadevergoeding gebaseerd op artikel 6 lid 1 dan wel de gebruikelijke staffelmethode uit hoofde van artikel 6 lid 2. 2.12 Bij brief van 17 november 2016 heeft SNCU aan PBC verzocht om inlichtingen als bedoeld in artikel 5 van Reglement II, namelijk een aantal concreet genoemde stukken uit de arbeidsovereenkomsten-, arbeidstijden- en loonadministratie van PBC. 2.13 Bij brief van 12 december 2016 heeft SNCU PBC aangemaand om aan het in de brief van 17 november 2016 gedane verzoek te voldoen. 2.14 Bij brief van 16 januari 2017 heeft SNCU PBC nogmaals aangemaand om aan het verzoek te voldoen. Hierin heeft zij onder meer geschreven: Indien u blijft weigeren om mee te werken aan dit onderzoek, dan heeft dit de volgende consequenties: 1. Uw weigering wordt opgevat als een gegrond vermoeden van niet naleving van de cao. Dit betekent dat er een controle op locatie bij uw onderneming wordt uitgevoerd. 2. Daarnaast wordt u een forfaitaire schadevergoeding opgelegd van € 100.000. (…) 2.15 Bij brief van 10 februari 2017 heeft SNCU aan PBC het volgende bericht: Wij concluderen (…) dat u weigert mee te werken aan het onderzoek. Zoals bij de ingebrekestelling is aangekondigd, heeft dit de volgende consequenties voor u: 1. Uw weigering wordt opgevat als een gegrond vermoeden van niet naleving van de cao. Er wordt daarom een controle op locatie bij uw onderneming uitgevoerd. (…) 2. Wij leggen u een forfaitaire schadevergoeding op van € 100.000,-. (…) 2.16 Op 19 juni 2017 heeft controle-instelling CROP Certificering (hierna: CROP) een onderzoek gedaan bij PBC. 2.17 Op 7 september 2017 heeft CROP haar bevindingen schriftelijk gerapporteerd (hierna: het rapport van CROP). Dit houdt onder meer het volgende in: de controleperiode betrof de volgende tijdvakken: 1 oktober 2014 t/m 31 december 2014, 1 januari 2015 t/m 16 september 2015 en 25 maart 2016 t/m 30 september 2016; het onderzoek is steekproefsgewijs gedaan (15 personen); er zijn diverse immateriële afwijkingen geconstateerd; er zijn diverse materiële afwijkingen geconstateerd, dat wil zeggen overtredingen met een financieel gevolg (onderbetaling), waarvan de indicatieve schadelast bedraagt: € 44.992,- aan te lage uurbeloning en ADV € 9.250,- aan te weinig uitbetaalde overwerktoeslagen € 54.241,- totaal; de onderneming heeft niet alle opgevraagde gegevens verstrekt; inzicht in die gegevens kan leiden tot de conclusie dat er nog meer materiële afwijkingen zijn; de indicatieve schadelast bedraagt dus € 54.241 + p.m.; het bedrag aan indicatieve schadelast is gebaseerd op een extrapolatieberekening; de mate van nauwkeurigheid van de berekening is mede afhankelijk van de door de onderneming aan de controle-instelling beschikbaar gestelde gegevens; de feitelijke schadelast kan afwijken van de indicatieve schadelast; PBC heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op het concept-Rapport te reageren. 2.18 Bij brief van 10 november 2017 heeft SNCU PBC geïnformeerd dat zij op basis van het rapport van CROP tot de conclusie is gekomen dat in de onderzoeksperiode van 1 oktober 2014 tot en met 30 september 2016 de cao voor Uitzendkrachten niet (geheel) correct is nageleefd en PBC gewezen op afwijkingen van immateriële en materiële aard. Zij heeft PBC onder meer gesommeerd de materiële benadeling, indicatief berekend op een bedrag van € 54.241,-, te herstellen (hierna aangeduid als: herstelbetaling), waarbij zij PBC heeft uitgenodigd om zelf een exacte tegenberekening van dit bedrag te maken. SNCU heeft daarnaast PBC gesommeerd te verklaren, onder meer, dat zij de herstelbetaling zal doen binnen twaalf weken (hierna aangeduid als: de herstelverklaring). 2.19 Bij brief van 17 november 2017 heeft PBC medegedeeld bezwaar te maken tegen het rapport van CROP. Zij schreef onder meer: Inmiddels hebben wij onze accountant opdracht gegeven een volledige controle uit te voeren. Na afronding van deze controle zullen wij u de rapportage overleggen. 2.20 Bij brief van 10 januari 2018 heeft PBC de gronden van het bezwaar gegeven. Met betrekking tot de in het rapport van CROP vermelde indicatieve schadelast ad € 54.241,- heeft PBC onder meer het volgende aangevoerd. (…) Allereerst maken wij bezwaar tegen de ‘berekening indicatieve schadelast bij te lage uur beloning en / of ADV inlener’. Hier wordt berekend wat er op grond van de CAO aan achterstallig salaris zou zijn. Uit deze berekening komt uiteindelijk een ‘procentuele benadeling op betaald feitelijk loon’, echter worden er in de berekeningen alleen rekening gehouden met het kale uurloon en wordt hierbij vergeten dat er een prestatietoeslag is van 20%. Alvorens hier verder op in te gaan, een citaat uit de CAO: Prestatiebeloning Er kan sprake zijn van een vaste toeslag die niet gekoppeld is aan een prestatiebevorderend systeem. Een dergelijke vaste toeslag kan niet verlaagd worden, tenzij de werknemer in hogere functiegroep wordt geplaatst. De prestatietoeslag behoort tot het vast overeengekomen loon. Het ‘percentage benadeling op betaald feitelijk loon’ gaat dan ook naar 0 % (aangezien bij de berekening het hoogste percentage aan afwijking 12,3% . Er is aan alle uitzendkrachten meer betaald dan de CAO voorschrijft. (…) 2.21 In de brief van 10 januari 2018 vermeldt PBC verder nog dat de activiteiten van PBC reeds in de loop van 2016 zijn beëindigd, dat binnen PBC geen activiteiten meer plaatsvinden en dat er geen personeel meer aanwezig is. PBC verbindt hieraan vervolgens de conclusie dat met betrekking tot de gerapporteerde immateriële afwijkingen er geen sprake is van verdere consequenties. 2.22 Bij brief van 12 januari 2018 heeft SNCU, onder verwijzing naar de brief van 10 november 2017, PBC verzocht om binnen tien werkdagen alsnog de herstelverklaring af te geven. 2.23 Bij brief van 22 januari 2018 heeft SNCU, onder verwijzing naar de brief van 10 november 2017, nogmaals aan PBC verzocht om binnen tien werkdagen alsnog de herstelverklaring af te geven. 2.24 Bij brief van 27 februari 2018 heeft SNCU, onder verwijzing naar de brief van 22 januari 2018, PBC gesommeerd om binnen tien werkdagen alsnog de herstelverklaring te doen. Verder heeft SNCU geschreven: Indien u blijft volharden in uw weigering om mee te werken, zal dit leiden tot de volgende consequenties: 1. Aan u zal een schadevergoeding worden opgelegd van € 58.528,-. (…) 2.25 Bij brief van 2 maart 2018 heeft SNCU de bezwaren van PBC tegen het rapport van CROP verworpen en PBC wederom verzocht om de bij de brief van 10 november 2017 aan PBC gevraagde herstelverklaring alsnog af te geven. 2.26 Bij brief van 26 maart 2018 heeft SNCU geconcludeerd dat PBC weigert mee te werken en, onder verwijzing naar de brief van 27 februari 2018, PBC verplicht tot betaling van een schadevergoeding van € 58.528,-. 2.27 PBC heeft de herstelverklaring niet afgegeven en de herstelbetaling niet verricht. Evenmin heeft zij de schadevergoeding betaald. 2.28 Op 18 april 2018 is PBC ontbonden door een daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (ava). In de desbetreffende ava-notulen staat vermeld: Tot voorzitter van de vergadering wordt aangewezen [appellant sub 2] (…) De voorzitter opent de vergadering en constateert dat het gehele geplaatste stemgerechtigde kapitaal van de vennootschap aanwezig is (…) (…) De voorzitter stelt de volgende agendapunten aan de orde: 1. Besluit tot ontbinding van de vennootschap conform de statuten van de vennootschap 2. Benoeming van [X] tot vereffenaar en bewaarder van de boeken en bescheiden. 3. Uitkering batig saldo aan de aandeelhouders. De voorzitter brengt de besluiten in stemming, waarop deze met algemene stemmen worden aangenomen. (…). 2.29 Op eveneens 18 april 2018 is HaWe Jobs , de onmiddellijke bestuurder van PBC, ontbonden door een daartoe strekkend ava-besluit. 2.30 Op 1 mei 2018 is in het handelsregister geregistreerd: dat de ontbonden rechtspersoon PBC is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 18 april 2018; dat de ontbonden rechtspersoon HaWe Jobs is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 18 april 2018. 2.31 De jaarstukken 2016 en 2017 van PBC doen melding van het volgende eigen vermogen: per 31 december 2015 € 508.935,- per 31 december 2016 € 1,- per 31 december 2017 € 107.087,- negatief. 2.32 Het eind 2015 in PBC aanwezige eigen vermogen van ruim € 500.000,- is op enig moment daarna uitgekeerd aan de aandeelhouder. 2.33 Bij brieven van 15 mei 2018 heeft SNCU Nieuw Effect c.s. in hun hoedanigheid van (middellijke) bestuurder van PBC aansprakelijk gesteld voor de aan PBC opgelegde herstelbetaling (ad € 54.241,-). SNCU heeft PBC gesommeerd om binnen vier weken na dagtekening de geconstateerde overtredingen te corrigeren door nabetaling van de materiële benadeling van € 54.241,- aan de (ex-)werknemers van PBC en, onder verwijzing naar artikel 9 lid 2 van het Reglement II, tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding ad € 58.528,- vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten. 2.34 Vervolgens heeft [X] in zijn (toenmalige) hoedanigheid van vereffenaar van PBC zich bij SNCU gemeld. Op 18 juni 2018 heeft SNCU, op verzoek van [X] , de voornoemde brieven van 15 mei 2018 aan [X] doorgezonden. Bij brief van 13 juli 2018 heeft [X] het standpunt van PBC over de prestatietoeslag herhaald. [X] heeft daarbij voorgesteld om de loonstroken over de controleperiode opnieuw aan te leveren, “echter met een verschil dat we dus niet een extra specificatie op loonstrook vermelden maar het volledige brutoloon!”. 2.35 Bij brief van 17 juli 2018 heeft SNCU medegedeeld dit voorstel niet te accepteren. 2.36 Bij brief van 14 augustus 2018 heeft SNCU medegedeeld dat het wel of niet toepassen van de gestelde prestatietoeslag niet afdoet aan de geconstateerde cao-overtredingen, en dat het voor de onderhavige discussie niet relevant is of de werknemers van PBC ‘onderaan de streep’ meer loon zouden hebben ontvangen dan waarop zij op grond van de cao recht hadden. SNCU heeft onder verwijzing naar haar brieven van 15 mei 2018, 18 juni 2018 en 17 juli 2018 gesommeerd om te voldoen aan de daarin genoemde vorderingen. 3Beoordeling 3.1 In de procedure in eerste aanleg vorderde SNCU, samengevat, hoofdelijke veroordeling van Nieuw Effect c.s. tot betaling van: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.