GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 21/00109 en 21/00110 23 juni 2022 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: J.A. Klaver tegen de uitspraak van 4 december 2020 in de zaken met kenmerken HAA 19/4944 en 19/4946 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
(2013)Standpunten partijen 5.2.1. Belanghebbende herhaalt zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt dat hij recht heeft op een aftrek voor kosten van extra kleding en beddengoed vanwege een chronisch droge huid en de huidverzorgende middelen die hij daarvoor moet gebruiken. Hij wijst daartoe op de in eerste aanleg overgelegde informatie die afkomstig is van de huisarts. 5.2.2. Voorts vindt belanghebbende onder verwijzing naar een overzicht van de zorgverzekeraar en naar facturen die tot de gedingstukken behoren, het onbegrijpelijk waarom de inspecteur de aftrek van de kosten van behandelingen door de tandarts en de mondhygiënist betwist. Volgens belanghebbende is overlegging van de facturen in dit geval al voldoende om aannemelijk te maken dat de kosten zijn gemaakt. Bovendien heeft belanghebbende na zoveel jaren niet meer de op die jaren betrekking hebbende bankafschriften bewaard waaruit betaling van de facturen zou kunnen blijken. Uit de twee ter zitting overgelegde facturen (die met andere facturen ook reeds in de bezwaarfase zijn overgelegd) blijkt in ieder geval dat belanghebbende gewoon was de datum van betaling van de factuur daarop handgeschreven te vermelden, aldus de gemachtigde. 5.2.3. De inspecteur weerspreekt dat in 2013 sprake is van een huidaandoening zodanig dat sprake is van een ziekte die ten minste een jaar duurt. Er blijkt weliswaar van een doktersvisite op 17 oktober 2013 waarbij aan belanghebbende voor het hebben van een droge huid vaseline/parafine is voorgeschreven, maar niet is daaruit gebleken van langdurig gebruik van huidverzorgende middelen op doktersvoorschrift. Bovendien blijkt uit de verklaring van de huisarts dat belanghebbende in 2013 sinds een half jaar klachten had. 5.2.4. De inspecteur betwist de aftrek van kosten voor de tandarts en mondhygiënist aangezien uit het overzicht van de zorgverzekeraar niet kan worden opgemaakt dat de kosten – deels – niet vergoed zijn en voor rekening van belanghebbende zijn gekomen. In aanvulling daarop betwist de inspecteur nog eens expliciet de aftrek van de kosten voor een afspraak bij de tandarts die niet is nagekomen maar waarvoor wel een factuur aan belanghebbende is uitgeschreven. Oordeel Hof 5.2.5. Het Hof acht het oordeel van de rechtbank inzake de kostenaftrek voor extra kleding en beddengoed alsmede de gronden waarop het berust juist, en maakt deze tot de zijne. De gedingstukken en hetgeen daarover in hoger beroep nog is aangevoerd, leiden niet tot een andersluidend oordeel: belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van extra uitgaven voor kleding en beddengoed wegens ziekte. De aftrek van de daartoe in de aangifte opgevoerde kosten is terecht geweigerd. 5.2.6.1. Aangaande de verzochte aftrek van kosten voor de tandarts en de mondhygiënist, overweegt het Hof als volgt. Tot de stukken van het geding behoort een tijdens de bezwaarfase gezonden brief van de gemachtigde aan de inspecteur van 23 januari 2019 met een 6-tal facturen opgesteld door DFA services voor behandelingen in 2013 van belanghebbende bij de tandarts en de mondhygiënist; twee van deze facturen zijn nogmaals ter zitting van het Hof overgelegd. Verder behoort daartoe een brief van 20 februari 2019 van de gemachtigde aan de inspecteur met een door zorgverzekeraar [zorgverzekeraar] opgesteld overzicht van de door belanghebbende in 2013 gedeclareerde zorgkosten (hierna: het overzicht [zorgverzekeraar] ). Het Hof constateert dat de op de facturen vermelde behandelingen overeenkomen met de behandelingen in het overzicht [zorgverzekeraar] alsmede met de daarop vermelde bedragen. Het verschil tussen de bedragen vermeld in het overzicht [zorgverzekeraar] in de kolom “Gedeclareerd” en in de kolom ‘‘Door ons aan zorgaanbieder betaald’, is steeds als eigen bijdrage op de facturen aan belanghebbende in rekening gebracht, met uitzondering van de behandeling op 17 december 2013, die niet voorkomt in de facturen. Daarnaast is er een factuur met als specificatie: “02-07-2013 C90 Niet nagekomen afspraak” die niet in het overzicht [zorgverzekeraar] voorkomt. Verder stelt het Hof vast dat op 3 facturen uit juni en juli met de hand is geschreven “Betaald 23-8” en dat op de factuur van 18 september 2013 is geschreven: “Betaald 20-9”. Op de facturen met datum 19 december 2013 respectievelijk 27 december 2013, is niets (met de hand) geschreven. 5.2.6.2. Het Hof begrijpt het overzicht [zorgverzekeraar] zo dat het slechts de bedragen vermeldt waarvan de verzekeraar heeft vastgesteld dat deze gefactureerd en gedeclareerd zijn, en ter zake waarvan de verzekeraar zelf een betaling heeft verricht aan de zorgverlener. De verzekeraar was kennelijk niet betrokken bij het in rekening brengen van de eigen bijdrage aan belanghebbende; dit laatste gebeurde blijkens de overgelegde facturen, door de zorgverlener (middels DFA services) aan belanghebbende nadat de vergoeding door de zorgverzekeraar was vastgesteld. Hoewel het Hof het met de inspecteur eens is dat uit het overzicht [zorgverzekeraar] als zodanig niet (duidelijk) valt op te maken dat het niet-vergoede deel van de kosten voor rekening van belanghebbende komt – in de kolom met het opschrift ‘Voor eigen rekening’ is immers bij alle behandelingen steeds het bedrag ‘0’ ingevuld – acht het Hof het, gegeven de in het overzicht [zorgverzekeraar] opgenomen informatie in samenhang bezien met de facturen, aannemelijk dat belanghebbende steeds een eigen bijdrage voor de behandelingen verschuldigd was en dat hij deze, gegeven de aantekeningen op een aantal facturen, ook heeft voldaan. Overigens is gesteld noch gebleken dat het hier zou gaan om kosten die ten laste komen van een verplicht of aangegaan vrijwillig eigen risico, op grond waarvan de kosten dan niet worden aangemerkt als uitgaven bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, Wet IB 2001. 5.2.6.3. Het voorgaande houdt in dat de eigen bijdragen op de facturen voor de behandelingen op 11 juni, 26 juni, en 12 september 2013 aangemerkt dienen te worden als specifieke zorgkosten voor het onderhavige jaar. De eigen bijdragen voor de behandelingen op de facturen van december rekent het Hof daar niet toe. Er is immers geen datum van betaling op de facturen of anderszins vermeld en, gegeven de vermelding op de facturen dat betaald dient te zijn uiterlijk op 16 respectievelijk 24 januari 2014, acht het Hof een betaling in 2013 ook niet zonder meer aannemelijk. De kosten die in rekening zijn gebracht met de factuur van 30 juli 2013 rekent het Hof evenmin tot de specifieke zorgkosten; met de inspecteur is het Hof van oordeel dat kosten in rekening gebracht voor het niet nakomen van een afspraak, niet, althans niet zonder meer, kunnen worden aangemerkt als in aftrek te brengen specifieke zorgkosten. Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep bedoeld heeft te stellen dat hij kosten heeft gemaakt voor het bezoek aan de tandarts en de mondhygiënist die voor aftrek in aanmerking komen, acht het Hof die kosten niet aannemelijk gemaakt, nu ook in hoger beroep geen concrete onderbouwing voor die kostenaftrek is gegeven. 5.2.6.4. De inspecteur heeft ter zitting bij het Hof de vraag opgeworpen of de kosten van de tandarts en de mondhygiënist wel op belanghebbende drukken. Het Hof heeft evenwel gegeven de stukken van het geding en hetgeen daarover is verklaard in dit geval geen reden om eraan te twijfelen dat de eigen bijdragen door belanghebbende zijn voldaan als vermeld op de facturen. 5.2.6.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd met afgerond van € 40 [€ 15,44 + € 12,10 + € 12,10]) aan aftrek specifieke zorgkosten, hetgeen leidt tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.674 (€ 11.714 -/- € 40). Hoogte immateriëleschadevergoeding Standpunten partijen 5.3.1. Belanghebbende wijst erop dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op 4 december 2020 en daarom € 1.000 (2 x € 500) immateriëleschadevergoeding heeft toegekend. Echter, de uitspraak is niet in het openbaar uitgesproken en pas op 10 december 2020 aan partijen verzonden. Dit betekent dat de redelijke termijn met meer dan 1 jaar is overschreden aangezien belanghebbende pas na 7 december 2020 kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak; belanghebbende heeft daarom recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500 (3 x € 500). Belanghebbende wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712. 5.3.2. De inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende, aangezien voor het bepalen van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, niet moet worden aangesloten bij het moment waarop belanghebbende kennisneemt van de uitspraak van de rechtbank, maar het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Dit volgt volgens de inspecteur uit het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140. Oordeel Hof 5.3.3. Van belang voor het bepalen van de (mate van) overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een geschil behoort te worden berecht, acht het Hof hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn voormelde arrest van 19 februari 2016, meer specifiek in de volgende onderdelen: “
- a)Basisprincipe 3.2. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt mee dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht (zie het arrest BNB 2011/232).
- b)In aanmerking te nemen termijn 3.3.1. De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur of de heffingsambtenaar (hierna ook kortweg: de inspecteur) het bezwaarschrift ontvangt (zie het arrest BNB 2011/232). 3.3.2. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). (…) (…) 3.4.2. Dit brengt mee dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen.” Met inachtneming van voormeld arrest is het Hof van oordeel dat voor de vraag of de redelijke termijn is overschreden, dient te worden aangesloten bij de datum waarop door de rechter uitspraak is gedaan. Voor het onderhavige geval betekent dit dat de rechtbank voor het bepalen van de hoogte van de immateriëleschadevergoeding terecht is uitgegaan van de uitspraakdatum van 4 december 2020. Aansluiten bij de datum waarop de uitspraak ter kennis is of kan zijn gekomen van belanghebbende komt het Hof bovendien praktisch niet uitvoerbaar voor aangezien de rechter ten tijde van het doen van uitspraak een beslissing dient te hebben genomen over de vraag of en zo ja, in welke mate de redelijke termijn is overschreden. Op die datum is (in veel gevallen) nog niet bekend wanneer een afschrift van de uitspraak aan partijen zal worden verzonden, zodat de rechter daar bij zijn beslissing geen rekening mee kan houden. Slotsom 5.4. Hetgeen is overwogen in 5.1. en 5.2.6.3. leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gericht tegen de beide navorderingsaanslagen, gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, behoudens de beslissingen inzake de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van het griffierrecht. 6Kosten Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, vindt het Hof aanleiding de inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 4 punten: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van het Hof x € 759 (waarde per punt) x factor 1,0 voor zwaarte en een factor 1,0 voor samenhang, in totaal € 3.036. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat in het onderhavige geval sprake is van ‘samenhangende zaken’ omdat de door belanghebbende ingestelde beroepen zowel in beroep als in hoger beroep gelijktijdig zijn behandeld, en daarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaakten van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Voorts overweegt het Hof dat geen kostenvergoeding wordt toegekend voor de bezwaarfase. Voor het jaar 2014 heeft belanghebbende immers ter zitting het standpunt teruggenomen dat daar recht op zou bestaan, aangezien de informatie die heeft geleid tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 eerst in de bezwaarfase aan de inspecteur is verstrekt. Dit laatste is naar het oordeel van het Hof ook het geval met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2013; de informatie die leidt tot de vermindering van deze aanslag is eerst in de bezwaarfase verstrekt, terwijl in de aanslagregelende fase al om informatie was verzocht. 7Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen inzake de immateriëleschadevergoeding en het griffierrecht; verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar; vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2014; vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.674; vermindert de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig; veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 3.036; draagt de inspecteur op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 131 aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.F.J.S. Molleman als griffier. De beslissing is op 23 juni 2022 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.