afdeling strafrecht parketnummer: 23-002697-19 datum uitspraak: 24 juni 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummers 13/730084-14 (zaak A), 13/731070-15 (zaak B) en 13/731088-15 (zaak C) tegen Willem Frederik HOLLEEDER, geboren te Amsterdam op 29 mei 1958, gedetineerd in de extra beveiligde penitentiaire inrichting te Vught (EBI). Verkorte inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Getuigen 3. Opnamen 4. Achtergronden 5. Aanslag Mieremet 6. Moord Van Hout en aanslag Ter Haak 7. Moord Endstra en aanslag [benadeelde partij 1] 8. Moord Mieremet 9. Moord Houtman en moord Van der Bijl 10. Criminele organisatie 11. Eerlijk proces 12. Bewezenverklaring en strafbaarheid 13. Straf 14. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel 15. Beslissingen van het hof Inhoudsopgave 1Inleiding9 1.1 Strafzaak Vandros 9 1.1.1 Belang 9 1.1.2 Duur en omvang 9 1.2 Taak strafrechter 11 1.3 Afbakening van de zaak in hoger beroep 11 1.3.1 Ontvankelijkheid hoger beroep 11 1.3.2 Beschuldiging 12 1.3.3 Onderzoek op de zitting 13 1.3.4 Voorvragen 14 1.4 Andere strafzaken en andere betrokkenen 14 1.4.1 Eerdere strafzaken bij hof Amsterdam 14 1.4.2 Andere betrokkenen 14 1.5 Uitlokking 15 1.6 Betekenis van motieven 16 1.7 Motivering, bewijsmiddelen en verwijzing naar dossierstukken 17 1.7.1 Motivering en reactie op standpunten en verweren 17 1.7.2 Verwijzingen in voetnoten 17 2Getuigen19 2.1 Beoordeling betrouwbaarheid getuigenverklaringen 19 2.1.1 Factoren met mogelijke invloed op betrouwbaarheid 19 2.1.2 Taak rechter 20 2.1.3 Wettelijke en verdragsrechtelijke bewijs(minimum)regels 21 2.1.3.1 Algemeen 21 2.1.3.2 Anonieme bedreigde getuigen 22 2.1.3.3 Kroongetuigen 22 2.2 Betrouwbaarheid verklaringen Astrid en Sonja Holleeder 24 2.2.1 Standpunt verdediging 24 2.2.2 Standpunt openbaar ministerie 24 2.2.3 Onderzoek hof 24 2.2.4 Belangen Astrid en Sonja Holleeder 25 2.2.4.1 Start getuigentraject 25 2.2.4.2 Bezittingen Cor van Hout 27 2.2.4.3 Geld verdachte in bewaring bij Astrid Holleeder 29 2.2.4.4 Opbrengst boeken en film 30 2.2.4.5 Motieven getuigen 32 2.2.4.6 Conclusie over belangen getuigen Holleeder 32 2.2.5 Psychische problematiek en invloed op verklaringen 32 2.2.5.1 Voorwaardelijk verzoek om deskundige 32 2.2.5.2 Onderzoek naar waarnemingen en herinneringen 33 2.2.5.3 Conclusie over waarnemingen en herinneringen 37 2.2.6 Redenen van wetenschap 37 2.2.7 Inhoud verklaringen 37 2.2.8 Verklaringen in verband met dossier 42 2.2.9 Eindconclusie betrouwbaarheid verklaringen Astrid en Sonja Holleeder 44 2.3. Betrouwbaarheid verklaringen Sandra den Hartog 45 2.3.1 Standpunt verdediging 45 2.3.2 Standpunt openbaar ministerie 46 2.3.3 Onderzoek hof 46 2.3.4 Belang Den Hartog: FIOD-zaak 46 2.3.5 Motieven Den Hartog 48 2.3.5.1 Moord op Klepper 48 2.3.5.2 Beëindiging van de relatie 49 2.3.5.3 Getuigentraject 50 2.3.5.4 Financieel belang bij verklaringen 52 2.3.6 Inhoud verklaringen 53 2.3.6.1 Kluisverklaringen, politieverklaringen en verklaringen bij rechter-commissaris 53 2.3.6.2 Verklaringen ter terechtzitting in Vandros en Passage 54 2.3.6.3 Conclusie inhoud verklaringen 56 2.3.7 Inhoud verklaringen in verband met dossier 57 2.3.7.1 Bezoeken aan kantoor Endstra 57 2.3.7.2 Levensonderhoud 58 2.3.7.3 Boete Houtman – verklaring [benadeelde partij 2] over boete 59 2.3.7.4 Mishandeling in Dynasty 60 2.3.7.5 Conclusie verklaringen in verband met dossier 60 2.4 Rechtmatigheid kroongetuigenovereenkomsten La Serpe en Ros 61 2.4.1 Standpunt verdediging 61 2.4.2 Standpunt openbaar ministerie 65 2.4.3 Oordeel hof 66 2.4.3.1 Oordelen Hoge Raad en hof in Passageproces 67 2.4.3.2 Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van wettelijke regeling 67 2.4.3.3 Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van EHRM-rechtspraak 68 2.4.3.4 Afspraak Holleeder-weglatingen en ondervragingsrecht 70 2.4.3.5 Conclusie hof rechtmatigheid 71 2.5 Betrouwbaarheid kroongetuigen La Serpe en Ros 72 2.5.1 Standpunt verdediging 72 2.5.2 Standpunt openbaar ministerie 74 2.5.3 Oordeel hof 77 2.5.3.1 Oordeel hof in Passageproces 77 2.5.3.2 (On)betrouwbaarheid kroongetuigen algemeen 78 2.5.3.3 La Serpe over verdachte 83 2.5.3.4 Ros over verdachte 97 2.5.4 Conclusie hof 99 2.6 De anonieme bedreigde getuigen D en Q5 100 2.6.1 Getuige D 100 2.6.1.1 Standpunt verdediging 100 2.6.1.2 Standpunt openbaar ministerie 100 2.6.1.3. Oordeel hof 101 2.6.2 Getuige Q5 101 2.6.2.1 Standpunt verdediging 102 2.6.2.2 Standpunt openbaar ministerie 102 2.6.2.3 Oordeel hof 103 3Opnamen106 3.1 Wetenschap van Astrid en Sonja Holleeder en omertà (geheimhoudingsplicht) 107 3.2 Motieven Astrid en Sonja Holleeder om te verklaren 113 3.3 Profileren als iemand die anderen laat vermoorden: zegt verdachte ‘zomaar wat’? 127 4Achtergronden130 4.1 Inleiding 130 4.2 Ontwikkelingen volgens verdediging 130 4.3 Achtergronden en onderlinge verhoudingen 131 4.3.1 Boete van Sreten Jocic 131 4.3.2 Contacten tussen verdachte, Soerel en Hillis 133 4.3.3 Verhouding tussen Mieremet en verdachte 134 5Aanslag Mieremet136 5.1 Inleiding 136 5.2 Standpunt openbaar ministerie 136 5.3 Standpunt verdediging 137 5.4 Oordeel hof over achtergrond 139 5.5 Bewijs 141 5.5.1 Voor de aanslag 141 5.5.2 Afspraak verdachte met Van Hout 142 5.5.3 Na de aanslag 143 5.5.4 Conclusie betrokkenheid verdachte 144 5.5.5 Uitlokken en medeplegen 144 5.5.6 Periode 145 6Moord Van Hout en aanslag Ter Haak146 6.1 Inleiding 146 6.2 Standpunt openbaar ministerie 146 6.3 Achtergrond en aanleiding volgens verdediging 146 6.4 Conflict Van Hout en Hillis 147 6.5 Andere conflicten 148 6.6 Bewijs 148 6.6.1 Betekenis van eerste aanslag op Van Hout 148 6.6.2 Aanslag op 24 januari 2003 149 6.6.3 Voor de aanslag 150 6.6.4 Na de aanslag 152 6.6.5 De Achterdam 153 6.6.6 Tien jaar na de aanslag 155 6.6.7 Remmers en zijn omgeving 157 6.6.8 Uiterlijk Remmers 159 6.6.9 Wetenschap Ros over opdracht 160 6.6.10 Conclusie betrokkenheid verdachte 163 6.6.11 Uitlokking 164 6.6.12 Medeplegen 165 6.6.13 Uitvoerders 165 6.6.14 Periode 165 6.6.15 Opzet op dood Ter Haak 166 7Moord Endstra en aanslag [benadeelde partij 1]167 7.1 Inleiding 167 7.2 Standpunt openbaar ministerie 168 7.3 Standpunt verdediging 169 7.4 Oordeel hof en uitleg bewijs 171 7.4.1 Aanloop 171 7.4.1.1 Aanslag op Mieremet en het Telegraaf-artikel 171 7.4.1.2 Mieremet en politie 172 7.4.1.3 Gevolgen voor Endstra I: zakelijk vleugellam 172 7.4.1.4 Kantoorincident: gedwongen tot betalingen aan [betrokkene 28] 173 7.4.1.5 Betalingen aan [betrokkene 28]: een vrijwillige constructie van Endstra? 175 7.4.1.6 Betalingen aan [betrokkene 6]/Mieremet: ook van die zijde uitgewrongen 178 7.4.1.7 Motief voor Mieremet en/of valse beschuldiging verdachte? 181 7.4.1.8 Gevolgen voor Endstra II: alle liquiditeit weg, fatale termijn Hillis gemist 182 7.4.2 Verklaringen over doodsbedreiging 184 7.4.3 Tussenconclusie: geen vrijwillige constructie maar afpersing door verdachte c.s. 190 7.4.4 Vernietiging administratie Endstra 191 7.4.5 Betrokkenheid verdachte bij moord 192 7.4.5.1 Aankondiging van moord 192 7.4.5.2 Uitlatingen na moord 193 7.4.5.3 Opnamen 194 7.4.5.4 Motieven bij verdachte 196 7.4.6 Uitvoering van de aanslag 202 7.4.7 Uitlokken 205 7.4.8 Aanslag op [benadeelde partij 1] 206 7.4.9 Medeplegen 207 7.4.10 Ten laste gelegde periode 207 8Moord Mieremet208 8.1 Inleiding 208 8.2 Standpunt openbaar ministerie 208 8.3 Standpunt verdediging 208 8.4 Bewijs 209 8.4.1 Moord op 2 november 2005 209 8.4.2 Betrokkenheid verdachte 210 8.4.3 Tussenconclusie 211 8.4.4 Relatie moord op Endstra en aanslag [benadeelde partij 1] 212 8.4.5 Betrokkenen in Thailand 212 8.4.6 Uitvoering van de moord 214 8.4.7 Tussenconclusie 215 8.4.8 Uitlokking 215 8.5 Slotconclusie 216 9Moord Houtman en moord Van der Bijl217 9.1 Inleiding 217 9.2. Standpunt openbaar ministerie 217 9.3. Standpunt verdediging 217 9.3.1 Getuigen Astrid en Sonja Holleeder, Den Hartog, La Serpe, Ros, Q5 en Van der Bijl 217 9.3.2 Werkwijze opsporing in Kolbakonderzoek 218 9.3.3 Moord op Houtman 218 9.3.4 Moord op Van der Bijl 219 9.4. Oordeel hof 220 9.4.1 Getuigen Astrid en Sonja Holleeder, Den Hartog, La Serpe, Ros, Q5 en Van der Bijl 220 9.4.2 Werkwijze opsporing in Kolbakonderzoek 221 9.4.3 Betrokkenheid verdachte bij moorden op Houtman en Van der Bijl 224 9.4.3.1 Betekenis van eerdere rechterlijke uitspraken 224 9.4.3.2 La Serpe 227 9.4.3.3 Ros 228 9.4.3.4 Astrid en Sonja Holleeder en geluidsopnamen 230 9.4.3.5 Den Hartog 231 9.4.3.6 Getuige Q5 231 9.4.3.7 Van der Bijl en [Betrokkene 65] 232 9.4.4. Alternatieven verdediging 233 9.4.4.1 Moord op Houtman 233 9.4.4.2 Moord op Van der Bijl 233 9.4.5 Conclusie hof 234 10Criminele organisatie236 10.1 Inleiding 236 10.2 Standpunt openbaar ministerie 236 10.3 Standpunt verdediging 236 10.4 Oordeel hof 236 11Eerlijkheid proces238 11.1 Inleiding 238 11.2 Belastende getuigen 238 11.2.1 Natik Abbasov 239 11.2.2 Enclavegetuigen 240 11.2.3 La Serpe 241 11.3 Andere getuigen 242 11.3.1 [ betrokkene 88] 242 11.3.2 Kok 242 11.3.3. Slotsom ten aanzien van Kok en [betrokkene 88] 243 11.4 Duur van proces 243 11.5 Conclusie 244 12Bewezenverklaring en strafbaarheid245 12.1 Inleiding 245 12.2 Bewezenverklaring 245 12.3 Strafbaarheid van bewezen verklaarde 248 12.4 Strafbaarheid van verdachte 249 12.5 Toepasselijke wettelijke voorschriften 249 13Straf250 13.1 Standpunt openbaar ministerie 250 13.2 Standpunt verdediging 250 13.3 Oordeel hof 250 13.4 Onmenselijke bestraffing 251 13.5 Conclusie 252 14Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel253 14.1 Beoordelingskader 253 14.2 Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] 256 14.2.1 Materiële schade 257 14.2.2 Immateriële schade 259 14.2.3 Beslissingen op vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] 263 14.3 Vorderingen [benadeelde partijen 2, 3 en 4] 263 14.3.1 Materiële schade 264 14.3.2 Proceskosten 265 14.3.3 Immateriële schade 266 14.3.4 Beslissingen op vorderingen [benadeelde partijen 2, 3 en 4] 269 14.4 Vorderingen [benadeelde partijen 5, 6, 7 en 8] 269 14.4.1 Materiële schade 270 14.4.2 Immateriële schade 272 14.4.3 Beslissingen op vorderingen [benadeelde partijen 5, 6, 7 en 8] 276 14.5 Gijzeling 276 15Beslissingen van het hof277 Bijlage 1 Tenlastelegging Bijlage 2 Onderzoek hoger beroep Bijlage 3 Arresten Hoge Raad en hof in Passagezaak Bijlage 4 Bewijsmiddelen 1. Inleiding 1.1 Strafzaak Vandros 1.1.1 Belang Willem Holleeder wordt ervan verdacht dat hij samen met anderen de opdracht heeft gegeven tot meerdere moorden. In juridische termen is het verwijt dat hij deze moorden heeft ‘uitgelokt’. Het gaat om de moord op Cor van Hout, de moord op Willem Endstra, de moord op John Mieremet, de moord op Kees Houtman en de moord op Thomas van der Bijl. Daarnaast wordt hij ook verdacht van het uitlokken van de eerdere poging tot moord op Mieremet, de doodslag op Robert ter Haak, die vlakbij Van Hout stond toen Van Hout werd vermoord, en van de uitlokking van een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1], die dicht in de buurt van Endstra was toen Endstra werd vermoord. Verdachte wordt er ook van beschuldigd dat hij lid is geweest van een criminele organisatie die was gericht op het plegen van moorden. Deze strafzaak heeft veel aandacht gekregen van het Nederlandse publiek en van de media. Verdachte is in de jaren 80 bekend geworden als één van de ontvoerders van Heineken en zijn chauffeur Doderer, een misdrijf dat Nederland destijds wekenlang in zijn greep hield. Na verloop van tijd is verdachte een bekende Nederlander geworden. Over die ontvoering zijn boeken geschreven en films gemaakt. Op enig moment werd verdachte columnist voor een tijdschrift en verscheen hij in een televisieprogramma waarin studenten gasten interviewen die naam hebben gemaakt in hun vakgebied. Verdachte werd op 13 december 2014 aangehouden omdat hij werd verdacht van de betrokkenheid bij de moord op Houtman en de moord op Van der Bijl. Op 23 maart 2015 werd bekend dat de zussen van verdachte, Astrid en Sonja Holleeder, en ook een ex-partner van verdachte, Sandra den Hartog, verklaringen hadden afgelegd over de betrokkenheid van verdachte bij levensdelicten. Al deze omstandigheden bleken ingrediënten voor boeken, documentaires, een televisieserie en een theatervoorstelling en voor veel aandacht voor en meningen over de strafzaak tegen verdachte.De strafzaak tegen verdachte is echter niet in de eerste plaats een strafzaak tegen een bekende Nederlandse crimineel. In deze strafzaak gaat het er in de eerste plaats om te achterhalen wie verantwoordelijk is voor de dood van Cor van Hout, de dood van Robert ter Haak, de dood van Willem Endstra, de aanslag op [benadeelde partij 1], de aanslag op en later de dood van John Mieremet, de dood van Kees Houtman en de dood van Thomas van der Bijl. Het gaat daarbij ook om hun kinderen, hun partners en andere naasten die hen moeten missen.Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank was dat ook van oordeel en heeft verdachte veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Ook voor verdachte is het belang van deze strafzaak groot. 1.1.2 Duur en omvang De strafzaak Vandros heeft lang geduurd. De feiten vonden plaats in de periode van 2002 tot en met 2006. Verdachte werd, zoals gezegd, op 13 december 2014 aangehouden in verband met de moord op Houtman en de moord op Van der Bijl. Het hof doet vandaag uitspraak, zo’n zeven-en-een-half jaar na de aanhouding van verdachte en meer dan twintig jaar nadat het eerste misdrijf werd gepleegd. De procedure bij de rechtbank heeft een lange tijd geduurd. Daar waren meerdere redenen voor. Allereerst werd het aantal misdrijven dat aan verdachte ten laste werd gelegd, gaandeweg uitgebreid. Het proces is begonnen met een tenlastelegging waarin verdachte onder meer de betrokkenheid werd verweten bij de moorden op Houtman en Van der Bijl. Later werd dit uitgebreid met een tenlastelegging waarin verdachte de betrokkenheid werd verweten bij de moorden op Van Hout en Endstra, de doodslag op Ter Haak en de poging tot doodslag dan wel zware mishandeling van [benadeelde partij 1]. Nog later werd de beschuldiging uitgebreid met een tenlastelegging waarin verdachte de betrokkenheid werd verweten bij de poging tot moord op Mieremet en de moord op Mieremet. Op 11 mei 2016 hebben de advocaten van verdachte de verdediging neergelegd, waarna de nieuwe advocaten zich moesten inlezen in het omvangrijke dossier. In februari 2018 kon bij de rechtbank worden gestart met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, waarna de rechtbank uitspraak deed op 4 juli 2019. Bij de rechtbank hebben ruim 60 zittingsdagen plaatsgevonden. Ook het onderzoek in hoger beroep heeft lang geduurd. Nadat verdachte hoger beroep had ingesteld, heeft er op 25 mei 2020 een zogenoemde regiezitting plaatsgevonden waarop gesproken is over de inrichting van het hoger beroep. Op 22 september 2020 kon de inhoudelijke behandeling beginnen. Deze inhoudelijke behandeling is afgerond op 21 januari 2022 met het laatste woord van verdachte. Bij het hof hebben ruim 40 zittingsdagen plaatsgevonden. De zaak Vandros heeft een ongekende omvang gekregen. Het dossier bevatte aan het slot van het proces bij de rechtbank 1244 ordners met een inhoud van 537.600 pagina’s. In hoger beroep zijn er nog vele ordners aan het dossier toegevoegd. Er zijn diverse redenen dat het dossier deze omvang heeft gekregen. Allereerst wordt verdachte beschuldigd van de betrokkenheid bij meerdere levensdelicten. Naar elk van die misdrijven is veel onderzoek gedaan. Naar sommige misdrijven is het onderzoek jaren later weer opnieuw opgepakt, nadat er nieuwe informatie beschikbaar was gekomen. Voor een aantal van deze misdrijven zijn ook andere verdachten aangehouden, verhoord en strafrechtelijk vervolgd. Er hebben eerdere strafzaken plaatsgevonden tegen bijvoorbeeld de uitvoerders en opdrachtgevers van de moorden op Houtman en Van der Bijl en tegen personen die door het openbaar ministerie worden gezien als de uitvoerders van de moord op Endstra en de aanslag op [benadeelde partij 1]. Deze strafzaken hebben bij de rechtbank plaatsgevonden, maar in veel strafzaken heeft ook een behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. In deze procedures zijn vele getuigen gehoord. Al die onderzoeken en strafzaken hebben een stroom van informatie opgeleverd die in het dossier Vandros terecht is gekomen. Dit was nodig omdat het openbaar ministerie, de verdediging, de rechtbank en het hof kennis moeten kunnen nemen van de informatie die over de ten laste gelegde feiten beschikbaar is. Bij dit alles komt nog dat het gaat om misdrijven gepleegd in een periode van meer dan vier jaren en met een context in een nog veel langere periode, waarin veel gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die van belang konden zijn voor een goede beoordeling van de zaak. Het openbaar ministerie verdenkt verdachte ervan te hebben samengewerkt met Dino Soerel en Stanley Hillis, personen die ook onderwerp zijn geweest van andere onderzoeken. Ook die onderzoeksgegevens, bijvoorbeeld de inhoud van hun onderlinge communicatie, konden van belang zijn voor de beoordeling van de beschuldiging dat verdachte met hen had samengewerkt. De verdediging heeft de rechtbank en het hof ook gewezen op andere scenario’s waarbij het niet verdachte was, maar een ander (of anderen) die een dringende reden had om het slachtoffer te vermoorden. Dat brengt met zich dat de rechtbank en het hof zich ook moesten verdiepen in de positie van die personen en de gebeurtenissen die voor die beoordeling relevant waren. Uiteindelijk zijn tijdens het opsporingsonderzoek, het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank en het onderzoek in hoger beroep bij het hof vele getuigen gehoord. De rechter die over een strafzaak moet oordelen, moet uiteindelijk vaststellen welke getuigen van belang zijn voor het vinden van de waarheid en moet ook onderzoek doen naar de betrouwbaarheid van die getuigen en de bruikbaarheid van hun verklaringen voor het bewijs. Dat onderzoek kan intensiever zijn als daar aanleiding voor is of als één van de procespartijen daarover een standpunt naar voren brengt. Omdat sommige slachtoffers zich hebben bewogen in het criminele milieu was het nodig grondig onderzoek te doen, ook naar scenario’s waarin niet verdachte maar anderen achter de moorden zouden zitten. Hierbij werkte complicerend dat ook voor een flink aantal getuigen gold dat zij zich in het criminele milieu hebben bewogen. Het ging in dit onderzoek dus om waarheidsvinding in een zeer complexe context, waarbij zwaarwegende belangen op het spel staan. De wijze waarop deze beoordeling heeft plaatsgevonden, zal hierna nog worden toegelicht in hoofdstuk 2. Al deze omstandigheden hebben tot gevolg gehad dat er veel tijd en aandacht is besteed aan deze strafzaak, tijd en aandacht waar niet alleen verdachte recht op heeft, maar waar ook de slachtoffers, de nabestaanden en de samenleving recht op hebben. 1.2 Taak strafrechter De strafbare feiten waarvan een verdachte door het openbaar ministerie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de strafrechter op grond van de wet een aantal vragen één voor één beantwoorden. Hij doet dat op basis van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. De vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. Als een verdachte hoger beroep heeft ingesteld, moet het hof eerst beoordelen of het hoger beroep ontvankelijk is. Daarna moet het hof beoordelen of de dagvaarding geldig is, of de rechter bevoegd is om over deze tenlastelegging te oordelen, of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De vier laatste punten worden ‘de voorvragen’ genoemd. Het hof zal deze voorvragen beantwoorden in paragraaf 1.3.4. Vervolgens moet het hof beoordelen of bewezen is dat de ten laste gelegde feiten door de verdachte zijn begaan en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert. Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte en over de oplegging van een straf of maatregel. Deze vier punten worden ‘de hoofdvragen’ genoemd. Een groot deel van dit arrest zal gaan over de vraag of verdachte de feiten heeft gepleegd die aan hem ten laste zijn gelegd. 1.3 Afbakening van de zaak in hoger beroep 1.3.1 Ontvankelijkheid hoger beroep Een verdachte kan niet in hoger beroep gaan tegen de beslissing van een rechtbank waarin hij is vrijgesproken. Een verdachte zal daar meestal ook geen belang bij hebben. In de zaak tegen verdachte is een aantal feiten in drie juridische varianten aan hem ten laste gelegd. Verdachte wordt beschuldigd dat hij meerdere keren een moord heeft gepleegd of medegepleegd (lees: samen gepleegd) en daarnaast ook dat hij die moord samen met anderen heeft uitgelokt. In die eerste twee juridische varianten zou verdachte de moord zelf of samen met anderen hebben uitgevoerd, in de derde juridische variant zou hij samen met anderen de opdracht voor die moord hebben gegeven, terwijl die moord door weer anderen is uitgevoerd. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van:- het plegen of medeplegen van de moord op Houtman (zaak A onder 1);- het plegen of medeplegen van de moord op Van der Bijl (zaak A onder 2);- het plegen of medeplegen van de moord op Van Hout (zaak B onder 1);- het plegen of medeplegen van de moord op Endstra (zaak B onder 3);- het plegen of medeplegen van de moord op Mieremet (zaal C onder 1);- het plegen of medeplegen van de poging tot moord op Mieremet (zaak C onder 2). De rechtbank was dus van oordeel dat verdachte deze feiten niet zelf of samen met anderen heeft uitgevoerd. De rechtbank vond wel bewezen dat verdachte deze misdrijven steeds had uitgelokt, dat hij daarvoor de opdracht had gegeven. De verdediging heeft het hof op de zitting van 25 mei 2020 gevraagd om verdachte niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het hoger beroep is gericht tegen de beslissingen tot vrijspraak. Het openbaar ministerie heeft op die zitting uitgelegd dat deze juridische varianten inderdaad ‘cumulatief’ (los naast elkaar) ten laste zijn gelegd, zodat verdachte door de rechtbank is vrijgesproken van een aantal afzonderlijk ten laste gelegde strafbare feiten. Het openbaar ministerie is het met de verdediging eens dat verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep voor zover het hoger beroep ook is gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak. Het hof oordeelt hierover als volgt. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en heeft het hoger beroep niet beperkt. Dit betekent dat het hoger beroep ook is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank om verdachte vrij te spreken van de beschuldiging in deze juridische varianten. Op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan verdachte tegen deze vrijspraken echter geen hoger beroep instellen. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep tegen die vrijspraken is gericht. Het hof heeft deze beslissing al in het vooruitzicht gesteld op de zitting van 8 juli 2020. Deze beslissing heeft het gevolg dat de beslissingen van de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het zelf plegen en het medeplegen van de moorden en de poging daartoe, blijven staan. Het hoger beroep gaat alleen over de feiten die de rechtbank wel bewezen heeft verklaard. 1.3.2 Beschuldiging De tekst van de tenlastelegging met daarin de beschuldiging, is voor de rechter de basis voor het oordeel. De volledige tekst van de tenlastelegging is in bijlage 1 opgenomen, althans voor zover de tenlastelegging in hoger beroep nu nog aan de orde is. De feiten waarvoor verdachte door de rechtbank is vrijgesproken, staan niet meer in de tekst van de tenlastelegging in bijlage 1. Het hof zal in dit arrest de ten laste gelegde misdrijven bespreken in chronologische volgorde, dus in de volgorde waarin de misdrijven in de tijd hebben plaatsgevonden. Aan verdachte worden - kort samengevat - de volgende feiten tenlastegelegd: Aanslag op J. Mieremet (zaaksdossier Fazant) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de poging tot moord die op 26 februari 2002 in Amsterdam is gepleegd op J. Mieremet. De uitlokking van die poging tot moord heeft volgens de later gewijzigde tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 november 2000 tot en met 26 februari 2002 in (in elk geval) Nederland (Zaak C onder 2); Moord op C. van Hout (zaaksdossier Viool) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 24 januari 2003 in Amstelveen is gepleegd op C. van Hout. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 24 januari 2003 in (in elk geval) Nederland (Zaak B onder 1); Doodslag R. ter Haak (zaaksdossier Viool) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de doodslag die op 24 januari 2003 in Amstelveen is gepleegd op R. ter Haak die op dat moment bij Van Hout was. De uitlokking van die doodslag heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 24 januari 2003 in (in elk geval) Nederland (Zaak B onder 2); Moord op W.A.A.P.M. Endstra (zaaksdossier Enclave) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 17 mei 2004 in Amsterdam is gepleegd op W.A.A.P.M. Endstra. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 in (in elk geval) Nederland (Zaak B onder 3); Poging tot doodslag of zware mishandeling [benadeelde partij 1] (zaaksdossier Enclave) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de poging tot doodslag die op 17 mei 2004 in Amsterdam is gepleegd op [benadeelde partij 1], die op dat moment bij Endstra was. Voor het geval niet komt vast te staan dat dit een poging tot doodslag was, wordt (subsidiair) de uitlokking van een zware mishandeling ten laste gelegd. De uitlokking van dat feit heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 in (in elk geval) Nederland (Zaak B onder 4); Moord op J. Mieremet (zaaksdossier Boeddha)- Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 2 november 2005 in Thailand is gepleegd op J. Mieremet. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2005 in (in elk geval) Nederland (Zaak C onder 1); Moord op C.D. Houtman (zaaksdossier Agenda) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 2 november 2005 in Amsterdam (Osdorp) is gepleegd op C.D. Houtman. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2005 in (in elk geval) Nederland (Zaak A onder 1); Moord op A. van der Bijl (zaaksdossier Perugia) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 20 april 2006 in Amsterdam is gepleegd op A. van der Bijl. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 april 2006 in (in elk geval) Nederland (Zaak A onder 2); Criminele organisatie - De deelname aan een organisatie in de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 mei 2006 in Nederland die gericht was op het plegen van onder meer moord en uitlokking van moord. Deze organisatie zou volgens de tenlastelegging hebben bestaan uit onder meer verdachte, D. Soerel, A. Akgün, J.F. Remmers, G. la Serpe en F.W.C. Ros (Zaak A onder 3). 1.3.3 Onderzoek op de zitting Het hof heeft zijn beslissingen gebaseerd op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep dat heeft plaatsgevonden op meerdere zittingsdagen. De zittingsdagen zijn genoemd in bijlage 2 bij dit arrest. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht. Ook heeft het hof kennis genomen van hetgeen door of namens de nabestaanden en benadeelde partijen naar voren is gebracht. Daarnaast heeft het hof geoordeeld op basis van het onderzoek dat eerder bij de rechtbank heeft plaatsgevonden, zoals dat is beschreven in de processen-verbaal van die zittingen. 1.3.4 Voorvragen Het hof heeft uit eigen beweging onderzocht of de dagvaarding geldig is, of de rechter bevoegd is om over deze tenlastelegging te oordelen, of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De verdediging en het openbaar ministerie hebben ten aanzien van deze voorvragen geen verweren of standpunten naar voren gebracht. Het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hij bevoegd is tot kennisneming van het tenlastegelegde, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.Dit heeft tot gevolg dat het hof zal toekomen aan de volgende vraag: heeft verdachte de feiten gepleegd die aan hem ten laste zijn gelegd? 1.4 Andere strafzaken en andere betrokkenen 1.4.1 Eerdere strafzaken bij hof Amsterdam Bij het hof Amsterdam zijn eerder strafzaken behandeld die voor een deel gingen over strafbare feiten en gebeurtenissen die in deze zaak ook aan de orde zijn. In de strafzaak Kolbak is door het hof Amsterdam onder meer geoordeeld over de betrokkenheid van verdachte bij de afpersing van Houtman en Endstra en de mishandeling van Van der Bijl. In de strafzaak Passage heeft het hof geoordeeld over onder meer de betrokkenheid van Soerel, Remmers, Ros en La Serpe bij moorden die nu ook aan verdachte ten laste zijn gelegd. Ook heeft het hof toen geoordeeld over de deelname van Soerel en Remmers aan een criminele organisatie die is gericht op het plegen van moorden. In de strafzaak Passage heeft het hof niet alleen geoordeeld over de inzet van de kroongetuigen Ros en La Serpe, maar ook overwegingen gewijd aan de betrokkenheid van verdachte. Het hof dat in dit arrest nu oordeelt in de strafzaak Vandros tegen verdachte, is samengesteld uit andere raadsheren dan het hof in de strafzaak Kolbak en het hof in de strafzaak Passage. De raadsheren die in deze strafzaak onderzoek hebben gedaan en beslissingen hebben genomen, zijn niet op enige wijze bij de Passage-zaken of enige eerdere strafzaak tegen verdachte betrokken geweest. Zij oordelen onafhankelijk. De raadsheren hebben in deze strafzaak zelf onderzoek gedaan, zelf geoordeeld en zelf beslissingen genomen. De raadsheren hebben wel kennis genomen van de beslissingen in deze andere strafzaken, maar hebben zich daardoor niet laten leiden. Ook na deze strafzaak zullen er nog strafzaken volgen waarin zal worden gesproken over feiten en omstandigheden waarover het hof nu oordeelt. Bij het hof worden op dit moment bijvoorbeeld ook de strafzaken behandeld van degenen die door het openbaar ministerie worden verdacht van de organisatie en uitvoering van de moord op Endstra en de aanslag op [benadeelde partij 1]. Voor die andere strafzaken worden weer andere rechters en raadsheren aangesteld die zelf onderzoek doen, zelf oordelen en zelf beslissingen nemen. 1.4.2 Andere betrokkenen Voor het bewijs dat verdachte een misdrijf heeft uitgelokt, is niet vereist dat het hof ook steeds weet wie het misdrijf concreet hebben georganiseerd en wie het misdrijf hebben uitgevoerd. En voor zover uit het bewijs blijkt dat bepaalde personen op de één of andere manier betrokken zijn geweest bij de voorbereiding of de uitvoering van het misdrijf, is niet vereist dat het hof steeds vaststelt dat die personen zelf ook een bepaald misdrijf hebben gepleegd en daarvoor strafbaar zijn. Het hof hoeft dan ook niet te beoordelen of diegenen alle bestanddelen van een bepaald misdrijf hebben vervuld en welke deelnemingsvorm of pleegvorm aan de orde is. Ook hoeft het hof niet vast te stellen wat zij precies hebben geweten en op welk misdrijf hun opzet was gericht. Slechts hoeft te worden beoordeeld of het verdachte is geweest die, al dan niet samen met anderen, het misdrijf opzettelijk heeft uitgelokt. Er bestaat geen verplichting om een betrokkene zelf te horen voordat het hof kan vaststellen dat diegene op de één of andere manier betrokken is geweest bij de voorbereiding of de uitvoering van een misdrijf. Voor zover het hof in dit arrest vaststelt dat iemand op de één of andere manier daarbij betrokken is, betekent dat ook niet dat daarmee al vast staat dat diegene in een strafzaak daarvoor zal worden veroordeeld. 1.5 Uitlokking Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij misdrijven heeft uitgelokt, in de meeste gevallen een moord, maar in één geval een doodslag en in een ander geval een zware mishandeling. Het hof zal eerst toelichten wat onder ‘uitlokking’ moet worden verstaan en wat er nodig is om uitlokking te kunnen bewijzen. Uitlokking is een zogenoemde ‘deelnemingsvorm’, een bepaalde manier van deelname aan een misdrijf dat door het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ook strafbaar wordt gesteld. Op grond van artikel 47 Sr worden als daders van een strafbaar feit ook gezien, zij die het feit opzettelijk uitlokken door een zogenoemd ‘uitlokkingsmiddel’. Artikel 47 Sr noemt de volgende uitlokkingsmiddelen:- giften, - beloften, - misbruik van gezag,- geweld,- bedreiging,- misleiding, en- het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen. Bij uitlokking gaat het erom dat de uitgelokte door de uitlokker met gebruikmaking van één of meer van deze uitlokkingsmiddelen is aangezet tot het plegen van een strafbaar feit. Voor een bewezenverklaring van uitlokking moet dus vast komen te staan dat: - de uitlokker de uitgelokte heeft aangezet het delict te plegen; - de uitlokker opzet heeft gehad op de uitlokking én op het delict waartoe de ander is aangezet; - de uitlokker daartoe gebruik heeft gemaakt van een of meer van de uitlokkingsmiddelen die in de wetworden genoemd; en - het uitgelokte delict is uitgevoerd. De wettekst spreekt over het uitlokken van een feit en niet over het uitlokken van een bepaald persoon. Niet is vereist dat de uitlokker en de uitgelokte elkaar kennen of rechtstreeks contact hebben gehad. Uitlokking kan ook via een tussenpersoon plaatsvinden. Ook is niet vereist dat precies vast komt te staan wie het contact met de uitgelokte heeft gehad, op welke manier het contact met de uitgelokte heeft plaatsgevonden en met welke bewoordingen hij tot het plegen van het strafbare feit is aangezet. Niet is uitgesloten dat de uitgelokte op verschillende opeenvolgende momenten tot het plegen van het strafbare feit wordt aangezet, bijvoorbeeld doordat hem opeenvolgend inlichtingen worden verschaft of nadere beloften worden gedaan. Voor het bewijs van uitlokking maakt het niet uit dat er bij de uitgelokte al een zekere bereidheid aanwezig was tot het plegen van (mogelijk soortgelijke) strafbare feiten. In deze zaak zijn met name de uitlokkingsmiddelen ‘giften’, ‘beloften’ en ‘inlichtingen’ van belang. Bij een ‘belofte’ kan het ook gaan om een geldbedrag dat in het vooruitzicht wordt gesteld voor het plegen van het strafbare feit. Voor het bewijs van een ‘belofte’ is het niet nodig dat ook vast komt te staan dat die belofte is ingelost, dat het beloofde geldbedrag uiteindelijk is betaald. Bij ‘inlichtingen’ gaat het om mededelingen van feitelijke aard die van belang zijn met het oog op het te plegen delict, in die zin dat deze geschikt zijn om in die specifieke situatie ervoor te zorgen dat het delict wordt gepleegd. Om tot het bewijs van uitlokking te komen, moet de uitlokker het opzet hebben gehad dat het strafbare feit zou worden gepleegd. Bij die beoordeling kan de vraag aan de orde komen hoever het opzet van de uitlokker reikt; is de uitlokker ook aansprakelijk voor de strafbare gedraging als de uitgelokte het strafbare feit op een andere manier uitvoert dan de uitlokker wilde? Deze vraag is in deze zaak wellicht aan de orde bij de dood van Ter Haak en de zware mishandeling van [benadeelde partij 1], die slachtoffer werden omdat zij in de directe omgeving van het doelwit aanwezig waren. Voor het bewijs van ‘opzet’ is voldoende als de uitlokker het zogenoemde ‘voorwaardelijk opzet’ had dat het strafbare feit werd gepleegd. Het ‘voorwaardelijk opzet’ op een bepaald gevolg – zoals bijvoorbeeld de dood van Ter Haak en het zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] – is aanwezig indien verdachte ‘bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard’ dat dit gevolg zal intreden. Bij deze beoordeling is van belang dat de uitlokker kiest voor een teruggetrokken positie en dat hij het uitvoeren van het strafbare feit overlaat aan anderen. Dat kan betekenen dat de uitlokker daarmee bewust ervoor kiest dat hij de uitvoering niet in de hand heeft en dat de uitgelokte het strafbare feit naar eigen inzicht uitvoert en daarbij acties onderneemt. 1.6 Betekenis van motieven Het openbaar ministerie en de verdediging hebben veel aandacht besteed aan de motieven die er voor verdachte waren, of die er juist niet waren, om het slachtoffer om het leven te brengen. Ook het hof heeft daar aandacht voor gehad. Het belang van een motief voor het bewijs van een strafbaar feit kan verschillen. Dat iemand een reden heeft om een ander om het leven te brengen, draagt op zichzelf niet bij aan het bewijs dat diegene de ander daadwerkelijk om het leven heeft gebracht. Er zijn immers personen die een reden hebben om een ander om het leven te brengen, zonder dat zij daartoe daadwerkelijk actie ondernemen. Tegelijk is het zo dat bewezen kan worden dat iemand een ander om het leven heeft gebracht, zonder dat duidelijk is geworden wat daar de reden voor was. Dat relativeert de betekenis dat er een motief komt vast te staan voor de beoordeling in een strafzaak. Toch kunnen vaststellingen over het motief voor een misdrijf soms van betekenis zijn. Terecht heeft de verdediging erop gewezen dat, als er in een zaak maar weinig bewijs is tegen een verdachte, de waardering van dat weinige bewijs door de rechter beïnvloed kan worden en zelfs anders kan uitvallen, als er een duidelijk motief van anderen aannemelijk wordt. Een motief kan ook zo nauw verbonden zijn met een gepleegd misdrijf, en het kan doorklinken in verklaringen van zoveel betrokkenen, dat dit op die manier bijdraagt tot het bewijs. Als aannemelijk wordt dat een verdachte iemand definitief het zwijgen heeft willen opleggen, of meende met het slachtoffer in een conflict op leven en dood te zijn verwikkeld, kan dat in de bewijsvoering een rol spelen. In dit dossier komen verklaringen voor waarin door slachtoffers of hun omgeving is verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij het slachtoffer zou doodschieten, bijvoorbeeld als er geen geld (meer) zou worden betaald, of als het slachtoffer over verdachte zou praten met de politie, vaak in bewoordingen als ‘die gaat eraan’ of ‘hij gaat liggen’. Bij dergelijke uitlatingen kan het hof er niet zomaar van uitgaan dat het slechts gaat om een loze bedreiging of een theoretisch motief, maar zal het hof ook moeten onderzoeken of dit moet worden opgevat als een serieuze aankondiging van een moord. In het dossier komen getuigen voor die vertellen over wat zij met verdachte hebben meegemaakt en over zijn motieven. Onderzoek naar die motieven kan ook dan bijdragen aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaringen. 1.7 Motivering, bewijsmiddelen en verwijzing naar dossierstukken 1.7.1 Motivering en reactie op standpunten en verweren Het hof heeft in dit arrest de beslissingen neergelegd en heeft deze beslissingen ook gemotiveerd voor zover een motivering:- nodig is om de beslissingen te begrijpen;- (op grond van de wet) vereist is bij het gebruik van een bepaald bewijsmiddel;- (op grond van de wet) vereist is omdat het openbaar ministerie en de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren hebben gebracht of de verdediging een verweer heeft gevoerd. De voorzitter heeft de verdediging en het openbaar ministerie per e-mail van 27 oktober 2021 meegedeeld onder welke voorwaarden het is toegestaan om in het requisitoir en in het pleidooi te verwijzen naar eerder ingenomen standpunten, standpunten die al eerder in hoger beroep naar voren zijn gebracht en standpunten die bij de rechtbank in het requisitoir, het pleidooi en in de reacties daarop naar voren zijn gebracht. Het hof heeft kenbaar gemaakt dat de procespartijen in het requisitoir of het pleidooi mogen verwijzen naar eerder naar voren gebrachte standpunten, maar alleen als die verwijzing duidelijk is en de procespartij samenvat wat het standpunt is of welk verweer wordt gevoerd. Het hof heeft de verdediging en het openbaar ministerie verzocht daarbij ook de specifieke ‘randnummers’ te noemen uit het eerdere requisitoir of pleidooi. De voorzitter heeft deze voorwaarde op de zitting van 24 november 2021 herhaald voordat het openbaar ministerie begon aan het requisitoir.De verdediging heeft in het pleidooi in hoger beroep vaak verwezen naar standpunten die bij de rechtbank in het pleidooi en de latere reactie naar voren zijn gebracht. Het hof heeft daar steeds kennis van genomen. Het hof acht zich verplicht om op een standpunt in te gaan voor zover dat in het pleidooi, zoals dat in hoger beroep is voorgedragen, is samengevat en duidelijk is welk standpunt naar voren wordt gebracht of welk verweer wordt gevoerd. Het hof zal in het arrest niet steeds reageren op standpunten en verweren van de verdediging wanneer de overwegingen en beslissingen van het hof in overeenstemming zijn met dat standpunt. Het is bijvoorbeeld niet nodig om te reageren op het standpunt dat een bepaalde getuige onbetrouwbaar is, als het hof ervoor heeft gekozen de verklaring van die getuige niet te gebruiken voor het bewijs. Ook heeft de verdediging bijvoorbeeld standpunten naar voren gebracht dat bepaalde motiveringen in het vonnis van de rechtbank onjuist zijn. Voor een deel komen de overwegingen van het hof niet overeen met de overwegingen van de rechtbank. In die situatie bestaat er voor het hof ook geen aanleiding om uit te leggen of de verdediging daarin gelijk heeft of niet. Het is voor het hof dus niet nodig om op alle standpunten van de verdediging te reageren. Dit heeft tot gevolg dat de motivering door het hof de indruk kan wekken dat het hof de meeste standpunten van de verdediging verwerpt. Die indruk is echter onterecht. Zowel het openbaar ministerie als de verdediging hebben vele terechte opmerkingen gemaakt. 1.7.2 Verwijzingen in voetnoten Het hof is gekomen tot de beslissing dat verdachte strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof heeft die beslissing steeds gebaseerd op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn te vinden in bijlage 4 bij dit arrest. In dit arrest zal eerst worden ingegaan op de betrouwbaarheid van een aantal getuigen en de bruikbaarheid van hun verklaringen voor het bewijs. Ook zullen eerst verschillende ontwikkelingen en verhoudingen die op de achtergrond een rol hebben gespeeld worden besproken, voordat het hof ingaat op de verschillende strafbare feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd. Het hof zal in de motivering vaak in voetnoten verwijzen naar de vindplaats in het dossier van de feiten en omstandigheden die in de motivering een rol spelen. Als het gaat om een verwijzing naar een dossierstuk dat ook als bewijsmiddel in bijlage 4 is opgenomen, wordt niet in alle gevallen verwezen naar het precieze digitale paginanummer in dat dossierstuk. De relevante tekst uit dat dossierstuk is immers terug te vinden in de bijlage. Als het gaat om een verwijzing naar een dossierstuk dat niet als bewijsmiddel in de bijlage is opgenomen, zal het hof in elk geval het specifieke digitale paginanummer in de voetnoot noemen. Een deel van het dossier is alleen digitaal beschikbaar in het computerprogramma Zysearch. Voor zover in voetnoten wordt verwezen naar een document uit Zysearch, zal er worden verwezen naar de digitale pagina van het pdf-bestand dat uit Zysearch is gehaald. Het hof zal – mocht tegen dit arrest beroep in cassatie worden ingesteld – zorgdragen voor een gegevensdrager waarop de digitale bestanden uit Zysearch staan waar in dit arrest naar wordt verwezen. In het arrest zal ook worden verwezen naar opnamen van gesprekken tussen (onder meer) verdachte en Astrid Holleeder én verdachte en Sonja Holleeder. Een deel van deze opnamen is op de zitting beluisterd. Het hof zal in de motivering vaak verwijzen naar een nummer van de opname. Dat nummer komt overeen met de nummering van het ‘Schematisch overzicht door A.A. Holleeder verstrekte opnames’, dat op 26 mei 2021 per e-mail aan het openbaar ministerie en de verdediging is toegestuurd. In dit overzicht staan per opname de vindplaatsen in het dossier. 2Getuigen 2.1 Beoordeling betrouwbaarheid getuigenverklaringen In deze zaak bestaat het bewijsmateriaal voor het grootste deel uit getuigenverklaringen. Het openbaar ministerie baseert daarop het standpunt dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd waarvan hij wordt beschuldigd, terwijl de verdediging vrijspraak bepleit. Het is aan het hof om de betrouwbaarheid van die verklaringen te onderzoeken en zich daarover een oordeel te vormen. Ook moet het hof rekening houden met een aantal bewijs(minimum)regels, bijvoorbeeld in verband met het gebruik van verklaringen van kroongetuigen en anonieme getuigen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op deze beoordeling van de betrouwbaarheid en op de bewijsregels die voor deze zaak relevant zijn. 2.1.1 Factoren met mogelijke invloed op betrouwbaarheid Op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de mate waarin de rechter zijn oordeel daarop kan gronden, kunnen vele factoren van invloed zijn. Factoren die betrekking hebben op de kwaliteit van de waarnemingen, of op de kwaliteit van de verklaringen daarover. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan: - de mate waarin de getuige onbelemmerd zicht heeft gehad op de gebeurtenissen: weersomstandigheden, lichtgesteldheid, obstakels, afstand of bijvoorbeeld het afgeleid zijn van de getuige tijdens de waarnemingen; - de complexiteit en de snelheid waarmee die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden; - de aandacht waarmee de getuige zijn waarnemingen heeft gedaan, waarbij een grote impact of onbeduidendheid van de gebeurtenissen een rol kan spelen en de moeite die de getuige heeft gedaan om zijn waarnemingen te onthouden; - de mate waarin het nodig is om, voor een goed begrip van die gebeurtenissen, de context daarvan te kennen en de mate waarin die kennis bij de getuige aanwezig is; - objectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, zoals fysieke belemmeringen van permanente of tijdelijke aard; slechthorend- of, slechtziendheid, een geestelijke stoornis of beperking en bijvoorbeeld drank- of drugsgebruik kunnen van invloed zijn; - subjectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, die een juiste waarneming en verklaring daarover kunnen bevorderen, zoals een beroepsmatige opleiding, ervaring of expertise; - subjectieve factoren die een juiste waarneming en verklaring daarover in de weg kunnen staan, zoals een bewuste of onbewuste vooringenomenheid tegenover bepaalde personen of bevolkingsgroepen, eigen belangen van de getuige of belangen van anderen om een bepaalde verklaring af te leggen, dan wel de emotionele toestand waarin de getuige zich bevond tijdens de waarneming of het afleggen van zijn verklaring; - de mate waarin de getuige onder druk staat om een bepaalde verklaring af te leggen; - tijdsverloop tussen het moment waarop de waarnemingen zijn gedaan en het moment waarop de getuige daarover voor het eerst een verklaring aflegt en of en in welke mate de herinnering van de getuige is vervaagd of is beïnvloed door informatie waarvan de getuige in de tussenliggende periode kennis heeft genomen. Bij getuigenverklaringen waarin de getuige vertelt over wat hij van een ander heeft gehoord, kan deze waaier aan factoren ook van toepassing zijn op die ander, de bron van deze verklaring. Ook de wijze waarop de getuige is verhoord kan op de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring van invloed zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan: - de mate waarin voor het getuigenverhoor bepaalde kwalificaties bij de verhoorder vereist en aanwezig zijn (bijv. een specifieke opleiding) en of de verhoorder dat tijdens het verhoor laat zien, zowel wat betreft eventueel vereiste (specialistische) voorkennis als wat betreft de wijze van uitvoering van het verhoor; - of in het verhoor open of gesloten vragen, dan wel sturende vragen zijn gesteld en of er informatie aan de getuige is gegeven; - of blijkt van enige vorm van vooringenomenheid bij degenen die het verhoor hebben afgenomen; - als het een kwetsbare getuige betreft, of er passende maatregelen zijn getroffen; - of de getuige is beëdigd of niet. 2.1.2 Taak rechter Omdat dergelijke factoren van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring, is er onder omstandigheden nader onderzoek nodig. Dit kan bijvoorbeeld door een opdracht tot toevoeging aan het dossier van een volledige weergave van de gestelde vragen en daarop gegeven antwoorden, of van de audio- of video-opname van het verhoor, indien deze beschikbaar is. Ook kan nader onderzoek gericht zijn op het verifiëren of het klopt of kan kloppen wat de getuige verklaart, bijvoorbeeld door een nader verhoor van de getuige of andere getuigen, waarin deze met onderzoeksresultaten kunnen worden geconfronteerd. In bijzondere situaties, zoals wanneer het gaat om verklaringen van kroongetuigen, behoort de rechter extra behoedzaam te zijn vanwege de betrouwbaarheidsrisico’s die aan dergelijke verklaringen zijn verbonden. Het is de taak van de rechter om de verklaringen van getuigen te wegen en te waarderen in verband met de inhoud van het overige bewijsmateriaal en, als de rechter zover komt, te selecteren welke gedeelten van verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs. Bij de uitoefening van die taak komt het altijd aan op de bijzonderheden van het geval. Wel is er meer in het algemeen een aantal aanknopingspunten voor de selectie en waardering van getuigenverklaringen. Aanknopingspunten zijn bijvoorbeeld of: - sprake is van in de vorige paragraaf beschreven factoren die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring; - de verklaring coherent is of tegenstrijdigheden bevat; - de getuige consistent is in zijn verklaringen of op verschillende momenten verschillend verklaart; - het bij dergelijke tegenstrijdigheden of inconsistenties gaat om details of om hoofdlijnen; - en of er voor zulke tegenstrijdigheden of inconsistenties een begrijpelijke verklaring is. Een rol kan daarbij ook spelen of de verklaringen van de getuige globaal en kort of gedetailleerd en uitgebreid zijn en of deze bepaalde kenmerkende details bevat; - de getuige pas na het afleggen van eerdere verklaringen is gekomen met bepaalde feiten en omstandigheden en of de getuige daarvoor een aannemelijke uitleg geeft; - de getuige, in situaties waarin dat voor de hand lijkt te liggen, in staat blijkt meer gedetailleerd te verklaren over de gebeurtenissen en over de context waarin deze plaatsvonden; - de verklaring op zichzelf aannemelijk kan zijn of al op het eerste gezicht verzonnen lijkt; - de verklaring aansluit bij andere bewijsmiddelen en daarin steun vindt, en zo niet, of dat verklaarbaar is, en als dat verklaarbaar is, wat de aard en het gewicht is van die andere bewijsmiddelen in samenhang met de verklaring van de getuige. Onderzoeksresultaten die beschikbaar zijn gekomen na het afleggen van een verklaring, kunnen veel steun bieden aan die verklaring, zeker als het gaat om objectieve feiten waarop de getuige geen invloed kan hebben gehad. Andere aanknopingspunten bij de waardering van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen kunnen zijn of: - de getuige zich toetsbaar opstelt, bijvoorbeeld door de weg te wijzen naar nadere informatie of andere personen (van wie ook voldoende gegevens worden verstrekt) aan de hand waarvan een verklaring getoetst kan worden; - wat de getuige opgeeft als zijn redenen om naar de autoriteiten te stappen en een verklaring af te leggen en of die redenen aannemelijk zijn; - de getuige een oprechte en betrouwbare indruk wekt bij het afleggen van zijn verklaring, bijvoorbeeld wanneer deze met kritische vragen wordt geconfronteerd, onderdelen van zijn verklaring in twijfel worden getrokken of hij met nieuwe gegevens wordt geconfronteerd die zich slecht met zijn verklaring lijken te verdragen. De waardering van getuigenverklaringen aan de hand van de aanknopingspunten die daarvoor in het concrete geval bestaan, kan ertoe leiden dat de rechter een bepaalde getuige in het geheel niet geloofwaardig vindt. Ook kan het resultaat van deze waardering zijn dat voor bepaalde delen van wat een getuige heeft verklaard voldoende steun bestaat, zodat de rechter af kan gaan op de juistheid van die delen en deze gebruikt voor zijn beslissing. De rechter hoeft niet altijd verslag te doen van dit proces van bewijswaardering, maar kan volstaan met een weergave van de uitkomst ervan, of dat nu een vrijspraak of een veroordeling is. Dat ligt anders als door de verdediging of het openbaar ministerie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring en de rechter dat standpunt niet volgt. Dan zal de rechter gemotiveerd op dat standpunt moeten reageren. Daarnaast kent de wet een aantal motiveringsvoorschriften in verband met specifieke soorten getuigenbewijs, zoals anonieme getuigen en kroongetuigen. Het dossier in deze zaak bevat een heel groot aantal getuigenverklaringen over een groot aantal gebeurtenissen in een lange periode. Het onderzoek naar deze verklaringen en de waardering daarvan is buitengewoon arbeidsintensief en tijdrovend geweest. Dit is voor een belangrijk deel de reden dat dit strafproces lang heeft geduurd. 2.1.3 Wettelijke en verdragsrechtelijke bewijs(minimum)regels Naast het vereiste dat de rechter een getuigenverklaring betrouwbaar moet oordelen, om deze aan het bewijs te laten bijdragen, zijn er ook andere vereisten die voortvloeien uit de wet en uit bijvoorbeeld het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 2.1.3.1 Algemeen Het Wetboek van Strafvordering (Sv) kent een aantal belangrijke regels voor het bewijsminimum. Volgens artikel 342, tweede lid, Sv kan de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige, oftewel: ‘één-getuige-is-geen-getuige’. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Een onderdeel van de tenlastelegging kan dus wel bewezen worden verklaard op basis van de verklaring van één getuige. Het doel van deze regel is de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de feiten en omstandigheden die door één getuige naar voren zijn gebracht, op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De wet sluit niet uit dat een bewezenverklaring in beslissende mate rust op de verklaring van één getuige. Bij normale getuigen, ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, ligt de lat niet hoog wat betreft de mate waarin hun verklaring steun moet vinden in ander bewijsmateriaal. Dat betekent dat in het algemeen steunbewijs van beperkt gewicht voldoende kan zijn om tot een veroordeling te komen. 2.1.3.2 Anonieme bedreigde getuigen Er zijn getuigen van wie uit veiligheidsoverwegingen in het strafproces de identiteit verborgen blijft. Voor die getuigen gelden bijzondere regels, die vooral te maken hebben met de beperkte ondervragingsmogelijkheden doordat sommige vragen niet kunnen worden beantwoord omdat anders de identiteit van de getuige bekend kan worden. Vanwege de hindernissen die de verdediging ondervindt bij het aanvechten van verklaringen van anonieme getuigen, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) op basis van artikel 6 EVRM aan het gebruik voor het bewijs van verklaringen van anonieme getuigen eisen gesteld. Dat betekent dat bij de beoordeling van de eerlijkheid van de procedure waarin gebruik wordt gemaakt van anoniem getuigenbewijs, moet worden stilgestaan bij de vragen of (
- i)er een goede reden is om de identiteit van de getuige verborgen te houden en deze niet ter terechtzitting te horen, (
- ii)de veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate berust op de verklaring van de anonieme getuige en (iii) of er toereikende compenserende factoren (ook van procedurele aard) zijn om te kunnen spreken van een eerlijke en behoorlijke beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijs. De gedachten die ten grondslag liggen aan deze eisen die door het EHRM worden gesteld, zijn herkenbaar in de regeling in het Wetboek van Strafvordering van het gebruik van verklaringen van anonieme bedreigde getuigen. Ten eerste is de mogelijkheid van het gebruik van zulke verklaringen beperkt tot ernstige misdrijven. Volgens artikel 344a, tweede lid onder b, Sv moet de tenlastelegging zien op een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, dat gezien zijn aard, het georganiseerd verband waarin het is begaan of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Ook moet de anonieme getuige op grond van artikel 344a, tweede lid, onder a, Sv door de rechter-commissaris als een bedreigde getuige zijn gehoord, met toepassing van de wettelijke regeling die daarvoor is beschreven in de artikelen 226c tot en met 226f Sv. Verder mag volgens artikel 344a, eerste lid, Sv het bewijs niet uitsluitend of in beslissende mate berusten op die anonieme getuige. Er is dus steunbewijs voor de betrokkenheid van de verdachte vereist uit andere dan de anonieme bron en dat steunbewijs moet volgens de Nederlandse wettelijke regeling zo stevig zijn dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op het anonieme bewijs berust. Ook voor deze regel geldt dat het gaat om de bewezenverklaring als geheel. Die wettelijke regeling lijkt in dat opzicht inmiddels iets strenger dan de recente rechtspraak van het EHRM. Volgens die rechtspraak is een veroordeling die in beslissende mate is gebaseerd op anonieme getuigenverklaringen niet per definitie in strijd met artikel 6 EVRM, mits een goede reden bestond voor die anonimiteit en het nadeel voor de verdediging voldoende is gecompenseerd. De rechter is verder op grond van artikel 360, eerste lid, Sv verplicht in zijn uitspraak te motiveren waarom een door hem voor het bewijs gebruikte anonieme getuigenverklaring naar zijn oordeel betrouwbaar is, en moet uitleggen dat is voldaan aan de in artikel 344a, tweede lid, Sv gestelde voorwaarden. 2.1.3.3 Kroongetuigen Ook het gebruik voor het bewijs van verklaringen van kroongetuigen is wettelijk geregeld. Op die regeling wordt in paragraaf 2.4 nader ingegaan. Hier kan worden volstaan met het benoemen dat het maken van afspraken met kroongetuigen alleen in beeld komt in een opsporingsonderzoek dat ziet op een ernstig misdrijf, zoals volgt uit artikel 226g, eerste lid, Sv. Het moet gaan om een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, gepleegd in georganiseerd verband dat gezien de aard of de samenhang met andere door de verdachte gepleegde misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert of om een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Artikel 344a, vierde lid, Sv bepaalt dat de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag aannemen op verklaringen van kroongetuigen. Ook deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Een onderdeel van een bewezenverklaring kan wel worden gebaseerd op enkel de verklaring van een kroongetuige. Bij kroongetuigen zal meestal niet het probleem ontstaan dat deze niet behoorlijk en effectief ondervraagd kunnen worden. Het is immers een onderdeel van de overeenkomst met een kroongetuige dat de kroongetuige meewerkt aan verhoren. Bij kroongetuigen is geen sprake van de beperking van het ondervragingsrecht die wel bestaat bij anonieme getuigen doordat de identiteit verborgen moet blijven. Daarom is niet uitgesloten – ook niet in de Nederlandse wettelijke regeling – dat de bewezenverklaring in beslissende mate berust op verklaringen van kroongetuigen. Wel is de rechter verplicht het gebruik van de verklaring van een kroongetuige voor het bewijs te motiveren, zoals volgt uit artikel 360, tweede lid, Sv. Deze verplichting is vergelijkbaar met de motiveringsplicht bij het gebruik van de verklaringen van een anonieme bedreigde getuige. In het Passageproces heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet is uitgesloten dat een bewezenverklaring in overwegende mate steunt op verklaringen van kroongetuigen en een anonieme bedreigde getuige. 2.2 Betrouwbaarheid verklaringen Astrid en Sonja Holleeder 2.2.1 Standpunt verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigen Astrid en Sonja Holleeder belangen hebben bij het afleggen van verklaringen tegen verdachte. De getuigen Holleeder hebben laten zien dat zij zelf bepalen welke informatie zij wel en welke informatie zij niet in willen brengen. Zij hebben in Goudsnip laten zien dat zij bereid en in staat zijn om een web van leugens te creëren en dat zij dat jarenlang op een overtuigende wijze kunnen volhouden. Ze hebben gelogen; heel lang en heel goed. Die belangen in de zaak Goudsnip hebben tot gevolg dat er risico’s bestaan dat zij niet de waarheid vertellen. Er kunnen risico’s liggen in een beloning voor het afleggen van een verklaring of het uitblijven van een bestraffing in de zaak Goudsnip. Ook heeft de verdediging gewezen op de mogelijkheid dat Astrid en Sonja Holleeder psychische problemen hebben die invloed hebben op de kwaliteit van hun waarneming, hun herinnering en hun vermogen om over die herinnering te verklaren. Er kunnen risico’s liggen in emoties, zoals angstgevoelens, boosheid of wraakgevoelens ten opzichte van verdachte. Ook kunnen deze liggen in het functioneren van het geheugen van een getuige of de capaciteiten van een getuige om de registratie van feitelijke gebeurtenissen gescheiden te houden van eigen emoties. De conclusie van het betoog van de verdediging is dat het hof rekening moet houden met de risico’s die deze belangen van de getuigen en hun psychische problemen meebrengen voor de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Het hof moet bij elk onderdeel dat door de getuigen Holleeder als belastend voor verdachte wordt ingebracht, beoordelen of dat onderdeel steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat andere bewijsmiddel moet dan los van die verklaring bestaan. Als een dergelijke ondersteuning ontbreekt, moet het hof dat niet ondersteunde onderdeel van de verklaring van Astrid of Sonja Holleeder niet laten bijdragen aan het bewijs tegen verdachte. 2.2.2 Standpunt openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigen Holleeder zich jarenlang in een positie hebben bevonden waarin zij veel van verdachte te weten kwamen, waardoor zij belangrijke getuigen zijn in deze zaak. Volgens het openbaar ministerie staan hun verklaringen over verdachte los van hun verklaringen over de bezittingen van Cor van Hout (hierna ook: Van Hout) die onderwerp waren van het onderzoek Goudsnip. Overigens acht het openbaar ministerie niet aannemelijk dat de getuigen Holleeder in het onderzoek Vandros onware verklaringen hebben afgelegd over de verkoop van die bezittingen; hun verklaringen passen goed bij de onderzoeksresultaten van het onderzoek Goudsnip, ondanks slechts enkele aanwijzingen dat het toch anders zit. In reactie op de door de verdediging opgeworpen mogelijkheid dat de verklaringen van met name Astrid Holleeder zijn beïnvloed door psychische problemen, heeft het openbaar ministerie gesteld dat daarvoor geen aanwijzingen zijn. Aan de oprechtheid van haar motieven hoeft niet te worden getwijfeld. Zij heeft door de jaren heen consistent en consequent verklaard, zeker ook op de punten die relevant zijn voor de beoordeling van de tenlastelegging. Daarnaast worden die verklaringen op voldoende punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. 2.2.3 Onderzoek hof Het hof heeft hiervoor in paragraaf 2.1 uitgelegd welke bewijsregels er gelden voor getuigen, voor anonieme bedreigde getuigen en voor kroongetuigen. Astrid en Sonja Holleeder zijn gewone getuigen in de zin van het Wetboek van Strafvordering. Voor hen gelden geen bijzondere bewijsregels. Dit betekent dat het bewijs dat verdachte één van de ten laste gelegde feiten heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één van hen. Het hof heeft onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de getuigen en de verklaringen die zij hebben afgelegd. Het hof heeft onderzocht of de getuigen belangen hadden om verdachte te beschuldigen en veroordeeld te krijgen. Ook is onderzocht of er aanknopingspunten zijn dat de getuigen Holleeder psychische problemen hebben waardoor zij gebeurtenissen anders hebben geïnterpreteerd, verkeerd in het geheugen opgeslagen of daarover verklaren op een manier die een vertekend beeld geeft van de werkelijkheid. Verder heeft het hof onderzoek gedaan naar de inhoud van de verklaringen, op zichzelf en in samenhang met andere dossierstukken en verklaringen. 2.2.4 Belangen Astrid en Sonja Holleeder De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigen Astrid en Sonja Holleeder belangen hebben bij het afleggen van verklaringen tegen verdachte. Die belangen maken dat er andere factoren spelen dan de enkele behoefte de waarheid te dienen. De verdediging heeft daarbij gewezen op verschillende belangen. De getuigen Holleeder hebben volgens de verdediging in het onderzoek Goudsnip niet de waarheid gesproken over de bezittingen van Van Hout. Ook in de huidige strafzaak tegen verdachte spreken zij daarover nog altijd niet de waarheid. De getuigen Holleeder hebben belangen in De Achterdam in Alkmaar, terwijl zij juist verdachte ervan beschuldigen dat hij Van Hout heeft laten vermoorden zodat hij De Achterdam in bezit kon krijgen. Een aantal kennissen van de getuigen Holleeder die medeverdachten waren in de zaak Goudsnip, zijn uiteindelijk goed weggekomen. Verder heeft de verdediging gewezen op andere financiële belangen van de getuigen Holleeder. De getuigen kregen inkomsten uit de verkoop van het boek ‘De ontvoering van Alfred Heineken’ en van de film die daarvan is gemaakt. Ook beschikte Astrid Holleeder over contant geld van verdachte dat zij voor verdachte zou bewaren. Astrid Holleeder heeft meerdere boeken geschreven over verdachte die op grote schaal zijn verkocht en ook tot een televisieserie en een theaterstuk hebben geleid. De getuigen hoefden dit geld niet met verdachte te delen en konden daarvan profiteren als verdachte voor lange tijd in de gevangenis zou belanden. Het hof zal hieronder ingaan op de vraag of deze belangen aannemelijk zijn geworden. 2.2.4.1 Start getuigentraject De manier waarop de getuigen Holleeder, en later ook Sandra den Hartog, in contact zijn gekomen met het openbaar ministerie is beschreven door officier van justitie mr. B. Wind (hierna ook: mr. Wind) in haar proces-verbaal van 19 augustus 2015. Ook heeft mr. Wind beschreven hoe de getuigen zich hebben opgesteld in de periode voordat zij zijn gaan verklaren, de periode waarin zij in het geheim verklaringen hebben afgelegd en de periode daarna waarin de getuigen moesten beslissen of de getuigenverklaringen openbaar zouden worden of niet. De manier waarop de getuigen zich in die periodes hebben geuit en zich hebben opgesteld, wijst er niet op dat zij een financieel belang hadden om verdachte veroordeeld te krijgen of dat zij dat deden zodat zij zelf geen problemen zouden krijgen met de bezittingen van Van Hout. Ook blijkt niet dat zij dat deden zodat een aantal medeverdachten in de zaak Goudsnip niet vervolgd zou worden of een gunstige behandeling zou krijgen. Integendeel, de manier waarop de getuigen zich hebben opgesteld en geuit, biedt juist aanwijzingen dat dergelijke belangen niet aan de orde waren. Daarbij is het volgende van belang. Mr. Wind heeft in haar proces-verbaal beschreven dat het eerste contact met Astrid Holleeder heeft plaatsgevonden in februari 2013 en het eerste contact met Sonja Holleeder in april 2013. Vanaf het begin van de gevoerde gesprekken maakten de getuigen zich grote zorgen over het feit dat hun broer bezig was om weer een machtspositie op te bouwen om vervolgens weer mensen te gaan afpersen en moorden te laten plaatsvinden. Dit terwijl verdachte toen hij in januari 2012 op vrije voeten kwam, nauwelijks nog een machtspositie in het criminele milieu had. Verdachte sprak tegenover de getuigen, met name tegen Astrid Holleeder, steeds vaker over mensen die ‘eraan moesten gaan’ en zij vreesde dat dat zou gaan gebeuren zodra hij weer de beschikking over voldoende macht en geld zou hebben. Ook dreigde hij Sonja Holleeder en haar kinderen en Peter de Vries (hierna ook: De Vries) te laten vermoorden. De getuigen vonden deze dreiging zeer reëel. De hoofdreden voor Astrid Holleeder om te gaan verklaren was dat zij wilde voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen. Zij had om die reden geen keus meer. Mr. Wind heeft beschreven dat de getuigen inderdaad voorwaarden hebben genoemd voor het afleggen van een verklaring, namelijk dat door het openbaar ministerie zou worden toegezegd dat een aantal personen, die als verdachte waren aangemerkt in de al jaren slepende zaak Goudsnip, daarvan zou worden verlost, dat het verlies van inkomen door Sandra den Hartog en Astrid Holleeder financieel zou worden gecompenseerd en dat zij een stem wilden in de beslissing voor welke zaken verdachte zou worden vervolgd. Mr. Wind heeft echter toegelicht dat de getuigen uiteindelijk geen voorwaarden hebben verbonden aan hun instemming met het gebruik van hun verklaringen. Het proces-verbaal van mr. Wind over de contacten met de getuigen wijst erop dat het met name de belangen van anderen in de strafzaak Goudsnip waren die in de besprekingen met het openbaar ministerie aan de orde zijn geweest en de financiële consequenties die het zou hebben als de getuigen zouden gaan verklaren en zij daardoor zouden moeten stoppen met hun werk. Dat die onderwerpen aan de orde zijn geweest, is goed te begrijpen en levert nog geen aanwijzing op dat dit belangen waren om verdachte in strijd met de waarheid te beschuldigen om hem op die manier buitenspel te zetten. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat de getuigen Holleeder verklaringen hebben afgelegd in ruil voor bepaalde toezeggingen door het openbaar ministerie. Uit de gebeurtenissen vanaf het eerste contact met justitie tot aan het moment waarop de getuigenverklaringen openbaar werden, blijkt juist dat de getuigen het openbaar ministerie op afstand hebben gehouden. Zij waren bang voor de consequenties van hun verklaringen, hadden geen vertrouwen in de bescherming door justitie en een goede afloop van de zaak en wilden lange tijd niet dat er nog wat met hun verklaringen zou gebeuren. Mr. Wind heeft toegelicht dat Astrid Holleeder eerst nog te weinig vertrouwen in de gesprekspartners had en in de vertrouwelijkheid van een getuigentraject, om met betrekking tot moorden al open kaart te spelen. Dit vertrouwen moest groeien. Astrid Holleeder gaf blijk van een grote angst voor haar broer; zij vreesde voor het leven van familieleden en anderen. Ze vertelde dat verdachte al jaren zegt dat hij ‘iemand plat heeft’ bij de politie en dat ze bang is dat hij te horen krijgt dat ze met justitie in gesprek is. Dat zou haar doodvonnis betekenen. Bij de getuigen is voortdurend sprake geweest van grote bezorgdheid over de omvang van de kring van personen die op de hoogte was van het traject. Het vertrouwen in de geheimhouding is zeer langzaam gegroeid. Nadat Astrid Holleeder op 28 maart 2013 had laten weten dat zij bereid was om verklaringen af te leggen, is een eerste verhoor uitgesteld omdat Sonja Holleeder mogelijk ook wilde gaan verklaren, maar nog twijfelde. Als Sonja Holleeder dat niet zou willen, zou Astrid Holleeder er alleen voor staan. Vervolgens heeft Astrid Holleeder een gesprek gevraagd met mr. Wind waarin de getuige onder meer aangaf te vrezen dat haar verklaring tegen haar zin in toch gebruikt zou worden of dat deze verklaring zou gaan zwerven en zo breder bekend zou worden. Op 21 en 22 april 2013 zijn uiteindelijk zes kluisverklaringen afgelegd door zowel Astrid als Sonja Holleeder. Op 5 augustus 2013 vertelde Astrid Holleeder dat verdachte ergens € 150.000,- had liggen. Zij wilde dat de politie dat bedrag in beslag zou nemen om te voorkomen dat verdachte geld zou hebben om iemand om het leven te laten brengen. In augustus 2013 ontstond twijfel en onvrede bij de getuigen Holleeder over het getuigentraject en werd een gesprek met het Team Getuigenbescherming door hen afgezegd. Justitie heeft meerdere gesprekken met de getuigen Holleeder gehad met als inzet hen ‘aan boord te houden’. In januari 2014 hebben de getuigen Holleeder laten weten dat zij het traject niet meer zagen zitten en dat zij wilden dat de afgelegde verklaringen vernietigd zouden worden. Een afspraak voor een laatste gesprek kwam moeizaam tot stand. Op 26 maart 2014 heeft mr. Wind een exitgesprek gevoerd met Astrid en Sonja Holleeder waarin de getuigen niet op andere gedachten waren te brengen en afgesproken werd dat de afgelegde kluisverklaringen door justitie vernietigd zouden worden. Buiten het zicht van de getuigen werd door het openbaar ministerie echter besloten nog niet onmiddellijk tot vernietiging over te gaan, maar even af te wachten. Deze opstelling van de getuigen, hun gebrek aan vertrouwen in bescherming door justitie en hun weerstand tegen het openbaar ministerie worden van hun verklaringen, is moeilijk te verklaren als de getuigen in werkelijkheid niets te vrezen hadden voor verdachte en andere belangen hadden dan dat werd voorkomen dat meer mensen het leven zouden laten. De terughoudende opstelling en hun beslissing om het getuigentraject stop te zetten, zijn juist aanwijzingen dat zij geen andere belangen hadden. 2.2.4.2 Bezittingen Cor van Hout De getuigen Holleeder zijn beiden als verdachte betrokken geweest in de zaak Goudsnip. Zij werden in die zaak onder meer verdacht van het witwassen van de criminele erfenis van Van Hout en van het onjuist doen van aangifte erfbelasting. De getuigen Holleeder hebben inmiddels in de zaak Vandros erkend dat er in de zaak Goudsnip is gelogen. De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigen Holleeder daarover nog altijd liegen. Dat zij liegen, toont volgens de verdediging aan dat zij een belang hebben bij De Achterdam en dat ook de verklaringen die zij onder ede bij de rechtbank en het hof hebben afgelegd, niet zomaar kunnen worden geloofd. Hiervoor is in paragraaf 2.2.4.1 al besproken dat en waarom het niet aannemelijk is dat de getuigen Holleeder in strijd met de waarheid belastend over verdachte zijn gaan verklaren om zo voor andere personen in de zaak Goudsnip een gunstige afdoening te krijgen. De vraag rijst of de getuigen Holleeder in verband met de zaak Goudsnip of De Achterdam nog een ander belang hebben bij het valselijk belasten van verdachte. Het hof heeft kennis genomen van delen uit het onderzoek Goudsnip en heeft daarover tijdens het onderzoek vragen gesteld aan getuigen, ook aan de getuigen Holleeder. De beschikbare dossierstukken uit het onderzoek Goudsnip roepen vragen op en bevatten aanwijzingen dat de getuigen Holleeder hierover mogelijk nog altijd niet de gehele waarheid spreken. De verdediging heeft daar terecht op gewezen. Het hof beschikt echter niet over het gehele dossier Goudsnip en heeft daar geen uitputtend onderzoek naar gedaan, zodat het hof niet vast kan stellen wat ten aanzien van al die thema’s de precieze waarheid is. Een dergelijk uitputtend onderzoek is ook niet nodig voor het onderzoek naar de vraag of de getuigen Holleeder een belang hebben om verdachte in strijd met de waarheid te beschuldigen. Het gaat er niet om dat komt vast te staan dat Astrid of Sonja Holleeder een belang hebben bij de bezittingen van Van Hout, het gaat er om of de getuigen een belang hebben om verdachte ten onrechte te beschuldigen, om te liegen in verklaringen om hem zo buitenspel te zetten. Voor het hof is duidelijk geworden dat het de getuigen Holleeder in de zaak Goudsnip niet zou helpen als zij verdachte tot een gevangenisstraf veroordeeld zouden krijgen. Op het moment dat zij voor het eerst contact kregen met justitie en lieten weten bereid te zijn om verklaringen af te leggen, was de strafvervolging in de zaak Goudsnip voor henzelf namelijk al achter de rug. De strafzaak tegen Astrid Holleeder was al geseponeerd; zij zou niet worden vervolgd. Sonja Holleeder had een transactie geaccepteerd die tot gevolg had dat zij 1,1 miljoen euro moest betalen. Ook als de financiële belangen in de zaak Goudsnip niet volledig aan het licht zijn gekomen, is het niet te begrijpen dat de getuigen die belangen op het spel zouden zetten door in strijd met de waarheid tegen verdachte te gaan verklaren. Immers, als het niet waar is wat de getuigen Holleeder verklaren over verdachte en De Achterdam, en als het wel waar is wat verdachte daarover heeft verklaard, dan moet worden uitgegaan van de volgende situatie. Verdachte heeft verklaard dat hij geen recht had op een deel van de bezittingen van Van Hout, dat hij niet uit was op De Achterdam en dat de getuigen Holleeder van hem niets te vrezen hadden. Als dat waar is, hadden Astrid en Sonja Holleeder nadat de zaak Goudsnip in 2011 voor hen achter de rug was, niets meer te vrezen: niet van justitie en niet van verdachte. Dat zij vervolgens contact hebben gezocht met justitie, waar zij juist aversie en achterdocht tegen hadden, met het risico dat verdachte een boekje open zou doen over De Achterdam, is hoogst onwaarschijnlijk. Het hof heeft verdachte tijdens het onderzoek expliciet gevraagd welk belang Astrid en Sonja Holleeder, in verband met de bezittingen van Van Hout, erbij hebben dat verdachte wordt veroordeeld voor moorden. Verdachte heeft die vraag niet kunnen beantwoorden. De verdediging heeft weliswaar aangevoerd dát er mogelijk een verband bestaat, maar niet onder woorden gebracht wát het verband is tussen de belangen bij De Achterdam en het belang om verdachte op te sluiten, nog afgezien van de vraag of die belangen aannemelijk zijn geworden. Door de verdediging is bij verschillende gelegenheden aangevoerd dat de getuigen Holleeder de wens van hun broer om De Achterdam in handen te krijgen ‘in het hart van hun beschuldigingen hebben gelegd’. Zij hebben immers verklaard dat verdachte Van Hout heeft laten vermoorden om zo de beschikking te krijgen over De Achterdam. Dat betoog zegt iets over het tegenover elkaar staan van de belangen van verdachte en de getuigen Holleeder met betrekking tot De Achterdam; het betoog zegt echter niets over een belang om verdachte op valse gronden veroordeeld te krijgen. Het hof heeft bij het verhoor van Sonja Holleeder vragen gesteld over het beroep dat zij op haar verschoningsrecht deed toen haar in het verhoor bij de rechter-commissaris op 20 juli 2016 vragen werden gesteld over het onderzoek Goudsnip. Lange tijd is onduidelijk gebleven in verband waarmee Sonja Holleeder een beroep op het verschoningsrecht deed, een beroep dat zij overigens naar het oordeel van de rechter-commissaris terecht deed. Ook was niet bekend wat de inhoud was van de strafbeschikking die Sonja Holleeder in december 2016 heeft aanvaard, waarna zij naar eigen zeggen vrijuit kon verklaren. Sonja Holleeder heeft op 4 oktober 2021 in hoger beroep hierover verklaard. Het beroep op het verschoningsrecht en de daarop gevolgde strafbeschikking had te maken met een constructie waarbij Sonja Holleeder als werkneemster geregistreerd stond en loon ontving, terwijl dit in feite een witwasconstructie betrof. Er is niet gebleken dat hier enig belang speelt dat op enigerlei wijze van invloed kan zijn op de inhoud van verklaringen over de betrokkenheid van verdachte bij moorden. De verdediging heeft gesteld dat Sonja Holleeder er in haar verklaringen bij de politie ‘niet voor teruggeschrokken is het leugenachtige verhaal over de erfenis van Van Hout in te zetten om haar beschuldigingen aan het adres van verdachte meer gewicht te geven’. Deze stelling van de verdediging gaat eraan voorbij dat het gewicht van de beschuldiging niet is verminderd, nadat de leugen die de verdediging bedoelt aan het licht is gekomen. De verdediging bedoelt dat Sonja Holleeder heeft verklaard dat Van Hout zijn bezittingen al voor zijn dood had verkocht, omdat hij wist dat verdachte hem wilde doden om toegang te krijgen tot zijn bezit, terwijl later is gebleken dat in elk geval De Achterdam niet voor de dood van Van Hout door hem is verkocht. Dat Sonja Holleeder heeft gelogen over het moment van deze verkoop betekent echter nog niet dat zij dat heeft gedaan met de bedoeling de beschuldiging aan het adres van verdachte over de dreiging van hem tegenover Van Hout zwaarder te maken. Het lijkt er eerder op dat zij daar toen niet de waarheid over heeft verteld in verband met het standpunt dat zij in het Goudsnip-onderzoek had ingenomen. Nog steeds niet valt in te zien welk eigen belang van Sonja Holleeder zij hier zou dienen met een beschuldiging aan het adres van verdachte. Ten slotte is van belang dat de getuigen Holleeder niet ontkennen dat Sonja Holleeder en haar kinderen na het overlijden van Van Hout de zeggenschap over zijn bezittingen hebben gekregen. Het punt waarop er aanwijzingen bestaan dat Sonja Holleeder mogelijk niet de gehele waarheid spreekt, betreft inmiddels alleen nog of Sonja Holleeder al vóór het overlijden van Van Hout de zeggenschap heeft gekregen over Villa Francis en De Achterdam en aan wie dit onroerend goed is verkocht. Als de getuigen Holleeder daadwerkelijk op dit punt nog steeds niet de volledige waarheid zouden hebben gesproken, staat dat naar het oordeel van het hof los van hun verklaringen over verdachte. Een reden om daarover niet volledig open te kunnen zijn zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat dit voor personen die Sonja Holleeder te hulp zijn geschoten, mogelijk (nadere) fiscale of justitiële consequenties zou kunnen hebben. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat voor het hof niet duidelijk is geworden, laat staan aannemelijk geworden, dat het in verband met de bezittingen van Van Hout, voor Astrid of Sonja Holleeder of voor anderen, gunstig zou zijn dat verdachte van het toneel zou verdwijnen en de getuigen Holleeder daarom in strijd met de waarheid over hem zijn gaan verklaren bij de politie. 2.2.4.3 Geld verdachte in bewaring bij Astrid Holleeder Verdachte heeft verklaard dat hij een geldbedrag van € 700.000,- aan Astrid Holleeder in bewaring had gegeven dat was opgeborgen in een kluis bij advocaat [advocaat 1]. In het dossier bevindt zich een e-mail van 18 maart 2018 van advocaat mr. [XX] (het hof begrijpt: [advocaat 1]) [advocaat 1] waarin hij schrijft dat hij graag wil ophelderen dat hij niet in het bezit is van een kluis met geld van Willem Holleeder en dat hij dat ook nooit is geweest. Dat Astrid Holleeder de toegang had tot een contant geldbedrag past ook moeilijk bij een opname waarin verdachte aan haar vraagt om een geldbedrag aan zijn fiscalist te betalen. Verdachte zegt in dat gesprek dat hij dat bedrag later aan haar zal teruggeven. Verdachte heeft bij het hof verklaard dat hij alleen beschikte over zwart geld, maar dat hij zijn advocaat en zijn fiscalist niet met zwart geld kon betalen. Die uitleg van verdachte past bij de inhoud van het gesprek. Als Astrid Holleeder een geldbedrag van verdachte in bewaring had gehad, is alleen niet begrijpelijk dat hij haar belooft het bedrag terug te geven. Wanneer verdachte geld in bewaring zou hebben bij Astrid Holleeder, ligt het meer voor de hand dat hij haar had gezegd dat zij het uit de kluis kon halen. Dat Astrid Holleeder zou beschikken over een groot geldbedrag wordt dus tegengesproken door de advocaat bij wie het geldbedrag in bewaring zou zijn gegeven en past niet bij een gesprek waarin verdachte aan Astrid Holleeder vraagt een bedrag voor te schieten. Verder bevatten de dossierstukken ook geen aanwijzing dat Astrid Holleeder heeft beschikt over een geldbedrag van verdachte. Dat Astrid Holleeder de beschikking heeft gehad over een groot geldbedrag van verdachte, is niet aannemelijk geworden. 2.2.4.4 Opbrengst boeken en film Verdachte heeft gezegd dat Astrid en Sonja Holleeder konden beschikken over een deel van de opbrengst van het boek ‘De ontvoering van Alfred Heineken’ en van de verfilming van dat boek. Als verdachte zou worden veroordeeld voor een aantal moorden, dan zouden de getuigen Holleeder die opbrengst niet hoeven te delen met verdachte. Verdachte heeft daarover gezegd dat Sonja Holleeder na het overlijden van Van Hout recht had op een deel van de opbrengst van het boek en dat De Vries recht had op het andere deel van de opbrengst. Maar als er ooit een film zou komen, zou de opbrengst worden verdeeld onder De Vries, Van Hout, Jan Boellaard, Frans Meijer en verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij vindt dat Jan Boellaard en Frans Meijer ook recht hebben op een deel van de opbrengst van de film. In het dossier bevindt zich een overeenkomst die betrekking heeft op de verdeling van de opbrengsten van het boek ‘De ontvoering van Alfred Heineken’. Ook is in deze overeenkomst een bepaling opgenomen over inkomsten die voortvloeien uit een verfilming van het boek. Getuige De Vries heeft verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken van de overeenkomst en de inhoud kende. Ook is er een ondertekende verklaring van 4 april 2012 van verdachte die onder meer gaat over de opbrengst van het boek. Uit deze stukken blijkt welke personen recht hadden op welk deel van de opbrengst. Uit deze stukken volgt niet dat verdachte enige aanspraak kon maken op een deel van de opbrengst. Sonja Holleeder heeft verklaard dat verdachte geen recht had op een deel van de opbrengst van het boek of van de film die daarvan zou worden gemaakt. Astrid Holleeder heeft verklaard over hoe de verdeling van de opbrengsten was geregeld. Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde overeenkomst en verklaringen, moet worden vastgesteld dat verdachte geen recht had op een deel van de opbrengst van het boek en van de film én dat Astrid en Sonja Holleeder dat wisten. Het is dan ook niet aannemelijk dat het voor de getuigen Holleeder nodig zou zijn om verdachte voor langere tijd buitenspel te zetten om zo de opbrengst niet te hoeven delen met verdachte. De getuigen Holleeder hoefden deze opbrengst immers niet te delen met verdachte en wisten dat ook. Verdachte heeft overigens verklaard dat hij de verklaring van 4 april 2012 met betrekking tot de filmrechten wel heeft ondertekend, maar dat hij niet wist wat er in de overeenkomst stond. Dit wordt inderdaad bevestigd door de inhoud van opname 2. Verdachte zegt daarin spontaan en zonder te weten dat hij wordt opgenomen, dat hij zijn bril niet ophad toen hij zoiets heeft ondertekend. Het gaat er echter nu niet om of verdachte dat wist, maar of het voor Astrid Holleeder nodig was om te gaan verklaren dat haar broer betrokken was bij moorden. Het gaat om de vraag of de getuigen een belang hadden om verdachte buitenspel te zetten om zo een deel van de opbrengst van het boek of de verfilming veilig te stellen. Het hof heeft geen aanwijzingen gevonden dat de getuigen dat belang hadden. Het dossier bevat zelfs een overeenkomst en een schriftelijke verklaring waaruit volgt dat dat belang niet bestond. Verdachte kon daarom geen aanspraak maken op de opbrengst van deze filmrechten en kon een deel daarvan ook niet afdwingen. Dit betekent dat het niet nodig was om verdachte via het afleggen van valse verklaringen buitenspel te zetten. Het hof vindt verder van belang dat de getuigen Holleeder los van elkaar hebben verklaard dat zij ondanks de eerdere afspraken, bereid waren om de opbrengst van de film met verdachte te delen. Sonja Holleeder heeft verklaard dat zij tegen verdachte heeft gezegd dat hij een deel mocht hebben en dat zij uiteindelijk heeft gezegd dat hij alles mocht hebben. Ook Astrid Holleeder heeft verklaard dat verdachte haar deel van de opbrengst mocht hebben. Deze verklaringen worden ondersteund door de inhoud van opgenomen gesprekken. In opname 2 zegt Sonja Holleeder tegen verdachte dat zij haar deel niet hoeft en dat verdachte het gewoon mag hebben. Verdachte zegt daarop dat hij het ook niet helemaal wil, maar wel respect wil. Later in het gesprek wordt afgesproken dat de opbrengst wordt gedeeld; Sonja Holleeder en verdachte hebben allebei evenveel geld nodig en dat moeten ze eruit zien te krijgen. In opname 24 vraagt Astrid Holleeder aan verdachte hoe hij het geregeld wil hebben. Verdachte antwoordt daarop dat hij gewoon zijn deel wil hebben. In opname 32 is te horen dat Sonja Holleeder tegen verdachte zegt dat zij hebben geregeld dat verdachte ook geld kreeg. Dat wordt in dit gesprek door verdachte bevestigd. Deze gesprekken tussen verdachte en de getuigen Holleeder bevestigen dat de getuigen bereid waren om af te zien van de opbrengst van de film. Uiteindelijk is afgesproken dat verdachte een deel daarvan zou krijgen en dit was inmiddels geregeld. Het hof heeft nog nagedacht over de mogelijkheid dat de getuigen Holleeder deze gesprekken met verdachte hebben gehad terwijl zij tegen verdachte over dit onderwerp logen. Het hof moet tot de conclusie komen dat daarvoor geen enkel aanknopingspunt bestaat. Bij de beoordeling van deze mogelijkheid moet er dan overigens van uit worden gegaan dat de getuigen Holleeder liegen, dat verdachte hierover de waarheid spreekt en dat de getuigen dus geen enkele angst hoefden te hebben voor een dreiging van de kant van verdachte. Het is niet aannemelijk dat de getuigen in die situatie, waarin zij niets van verdachte te vrezen hadden, niet gewoon zouden hebben gewezen op wat er schriftelijk was geregeld over de verdeling van de opbrengst, maar in plaats daarvan de keuze zouden hebben gemaakt om ervoor te zorgen dat hun onschuldige broer levenslang in een gevangenis zou worden gezet. Ten slotte heeft verdachte gewezen op de boeken die Astrid Holleeder heeft geschreven en dat zij veel geld heeft verdiend met de verkoop van de boeken en de rechten voor een televisieserie. Allereerst is van belang dat het voor Astrid Holleeder niet nodig was om verdachte veroordeeld te krijgen om een boek te kunnen schrijven over haar afkomst en ervaringen. Verder is van belang dat de getuige op het moment dat zij contact opnam met justitie niet kon voorzien dat haar schrijfvaardigheden in de smaak zouden vallen bij een uitgever en bij het publiek en dat haar boeken op aanzienlijke schaal zouden worden verkocht. Als het waar zou zijn wat verdachte daarover heeft gezegd, dan zou Astrid Holleeder een boek hebben willen schrijven om geld te verdienen en daarvoor een aansprekend verhaal hebben bedacht dat bestond uit valse verklaringen dat haar broer betrokken was bij moorden. Astrid Holleeder zou in ruil voor deze nieuwe loopbaan haar vertrouwde familieleven, contacten met vrienden en haar baan en maatschappelijke positie hebben opgegeven en haar broer ten onrechte een levenslange gevangenisstraf hebben bezorgd. Dit alles is moeilijk voorstelbaar en hoogst onwaarschijnlijk. Daarbij komt dat het hof in het omvangrijke dossier geen onderbouwing heeft gevonden voor deze gang van zaken. 2.2.4.5 Motieven getuigen Astrid en Sonja Holleeder hebben verklaard wat voor hun motieven waren om contact op te nemen met justitie en over verdachte te gaan verklaren. Deze motieven zijn ook beschreven in het proces-verbaal van mr. Wind van 19 augustus 2015 en hiervoor in paragraaf 2.2.4.1 samengevat. Het hof ziet ondersteuning voor deze motieven in verschillende opnamen, zoals hierna zal worden besproken in hoofdstuk 3. 2.2.4.6 Conclusie over belangen getuigen Holleeder Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de conclusie dat er geen aanwijzingen bestaan dat de getuigen Holleeder er een belang bij hadden om verdachte tot een aanzienlijke gevangenisstraf veroordeeld te krijgen door hem ten onrechte ervan te beschuldigen dat hij betrokken was bij meerdere moorden. 2.2.5 Psychische problematiek en invloed op verklaringen 2.2.5.1 Voorwaardelijk verzoek om deskundige De verdediging heeft er verder op gewezen dat er aanknopingspunten zijn dat er bij Astrid en Sonja Holleeder een psychische problematiek speelt. Met betrekking tot Sonja Holleeder is dat verder niet met specifieke verklaringen in verband gebracht. Wel heeft de verdediging gewezen op een aantal situaties die er volgens de verdediging op wijzen dat de waarneming van Astrid Holleeder is verstoord en dat zij op basis van haar waarnemingen vergaande conclusies trekt die op wankele veronderstellingen zijn gebaseerd. Het hof moet zich volgens de verdediging de vraag stellen wat de consequenties zouden zijn als er sprake is van PTSS bij de getuigen en welke invloed dat heeft op de waarneming, herinnering en de verklaringen van de getuigen. Het openbaar ministerie heeft in de reactie op het pleidooi gesteld dat dat een onmogelijke vraag voor het hof is omdat de rechter geen arts of gedragskundige is en dat het hof het moet doen met wat er bekend is uit de dossierstukken. De verdediging heeft op 21 januari 2022 nogmaals het woord gevoerd en gereageerd op dat standpunt van het openbaar ministerie. Als het hof zou menen dat die vraag niet beantwoord zou kunnen worden, vindt de verdediging dat het eerdere verzoek tot het benoemen van een deskundige alsnog zou moeten worden toegewezen, zodat het hof wordt voorgelicht over de vraag of de verklaringen van Astrid Holleeder door PTSS zijn beïnvloed. Het hof oordeelt daarover als volgt. Bij het waarderen van verklaringen van een getuige is het inderdaad van belang of er aanwijzingen bestaan dat zich fouten hebben voorgedaan bij het waarnemen, het herinneren of het verklaren over die herinnering. Het vermogen van mensen om waar te nemen, te herinneren en te verklaren over herinneringen heeft beperkingen. Het hof gaat ervan uit dat psychische stoornissen, zoals PTSS daar invloed op kunnen hebben. Het hof kan zich vinden in wat de verdediging daarover naar voren heeft gebracht. Het hof houdt bij zijn beoordeling van getuigenverklaringen rekening met die mogelijkheid, in het bijzonder als het daarvoor concrete aanknopingspunten ziet. Een dergelijk aanknopingspunt behoeft niet zonder meer te worden gevonden in het feit dat een getuige bepaalde vermoedens koestert of conclusies trekt. Ieder mens leeft met vermoedens die op basis van waarnemingen worden gevormd. Ieder mens trekt conclusies, soms op basis van solide, soms op basis van wankele uitgangspunten. Dat een getuige vermoedens heeft of misschien snel conclusies trekt, betekent niet dat de verklaringen van die getuige waardeloos zijn. Waar het steeds om gaat, is wat de getuige precies heeft waargenomen; wat heeft de getuige gehoord en gezien. Die waarnemingen kunnen van belang zijn voor het bewijs. Speculaties door een getuige, gissingen en conclusies die een getuige trekt, zijn voor het bewijs niet van belang. Dit alles betekent dat het hof van oordeel is dat het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van Astrid Holleeder kan plaatsvinden, ook als er sprake is van een psychische problematiek die invloed heeft op de waarneming, de herinnering en het verklaren over de herinnering. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan om een deskundige te benoemen niet is vervuld, zodat er geen verzoek bestaat waarop het hof een beslissing moet nemen. Anders gezegd; de situatie waarin de verdediging wil dat het hof advies vraagt aan een deskundige, doet zich niet voor. 2.2.5.2 Onderzoek naar waarnemingen en herinneringen Het hof heeft eerst onderzocht of er concrete aanwijzingen zijn dat Astrid Holleeder gebeurtenissen verkeerd heeft waargenomen of heeft herinnerd in een mate die opvallend is. Daarbij is gebruik gemaakt van de voorbeelden die de verdediging heeft genoemd. De verdediging heeft gewezen op een situatie waarin Astrid Holleeder de vorige advocaat van verdachte heeft beschuldigd dat hij heeft meegewerkt aan het naar buiten brengen van informatie door contact te leggen met de tandarts van verdachte. Door dat contact zou de getuige gevaar hebben gelopen. In het dossier bevindt zich een e-mail van de vorige raadsman van verdachte, mr. [advocaat 2], waarin hij aan de tandarts schrijft dat een kroon van verdachte kapot is. In een reactie schrijft de tandarts dat de tandarts uit Vught al contact heeft opgenomen, dat de kroon was losgekomen en dat deze inmiddels is herplaatst. Het hof stelt vast dat door de vorige raadsman, terwijl verdachte in beperkingen zat, is gecorrespondeerd waarbij werd gesproken over een kroon. Op basis van deze dossierstukken is duidelijk geworden dat verdachte werkelijk een probleem had met zijn gebit waarbij zijn raadsman hem hielp om contact te krijgen met zijn tandarts. Astrid Holleeder is ervan uitgegaan dat het woord ‘kroon’ werd gebruikt als een verwijzing naar de term ‘kroongetuige’ en dat er namens verdachte een boodschap werd doorgegeven. De verdediging heeft gelijk dat dit een conclusie is van de getuige. Het is echter de vraag of die gedachte van Astrid Holleeder wijst op een verstoord beeld van de realiteit. Bij die beoordeling moet het hof niet alleen rekening houden met het scenario dat de getuige verdachte ten onrechte beschuldigt van ernstige misdrijven, het hof moet ook rekening houden met het scenario dat het waar is wat de getuige heeft verklaard of dat het grootste deel daarvan waar is. In dat geval is het begrijpelijk dat de getuige bang is voor een reactie van verdachte en erg op haar hoede is bij een e-mail waarin wordt gesproken over een ‘kroon’. Die houding en deze interpretatie wijst er dan ook niet op dat de getuige de realiteit uit het oog is verloren. Het is weliswaar een conclusie die de getuige heeft getrokken, maar de getuige heeft daarbij wel inzicht gegeven in de feiten die voor haar de aanleiding waren om deze conclusie te trekken. Op die manier kan worden onderzocht of die conclusie terecht of onterecht is. De verdediging heeft verder naar voren gebracht dat Astrid Holleeder heeft verklaard dat de advocaat van Fred Ros (hierna ook: Ros) aan mr. [advocaat 2] zou hebben gezegd dat er van Ros geen belastende informatie zou komen. Deze advocaat heeft dat tegengesproken. Het hof stelt vast dat de verklaring van Astrid Holleeder specifieker en genuanceerder is dan hoe de verdediging die verklaring heeft begrepen. Op de zitting van 23 november 2018 bij de rechtbank heeft de raadsman Astrid Holleeder geconfronteerd met de verklaring van de raadsman van Ros. Deze raadsman had verklaard dat hij geen contact heeft gehad met mr. [advocaat 2] of met verdachte over verklaringen die zij van Ros konden verwachten. Astrid Holleeder antwoordde hierop: “Maar ik was er toch focking bij? Hij zegt het toch tegen mij. Ik zat met mr. [advocaat 2] in de kamer en Wim was daarbij en we bespraken de zitting na afloop. Mr. [advocaat 2] zei dat toen tegen mij. Het kwam erop neer dat ze elkaar binnenkort nog wel even zouden spreken.” De getuige heeft dus verteld op grond van welke feiten zij aanneemt dat de vorige raadsman van verdachte contact heeft gehad met de raadsman van Ros. Het kwam er op neer dat mr. [advocaat 2] tegen haar zei dat hij de raadsman van Ros nog wel zou spreken. Daarmee staat niet vast dat een dergelijk gesprek werkelijk heeft plaatsgevonden en dat een eventueel gesprek tussen mr. [advocaat 2] en mr. [advocaat 3] die inhoud heeft gehad. De verklaring van Astrid Holleeder wordt dus niet tegengesproken door de verklaring van de raadsman van Ros. Uit de dossierstukken blijkt dus niet dat de feiten die zij noemt, niet waar zijn. Wel is het goed mogelijk dat de getuige hier een conclusie trekt die niet juist is. Dat Astrid Holleeder mogelijk een verkeerde conclusie trekt, betekent niet dat haar verklaringen onbetrouwbaar zijn. Zoals gezegd; ieder mens trekt conclusies. Dergelijke conclusies zijn niet bruikbaar voor het bewijs; verklaringen over de feiten die de getuige werkelijk heeft waargenomen, kunnen wel bruikbaar zijn voor het bewijs. Het hof heeft gelezen dat de getuige dit niet ziet als een conclusie. De mening van de getuige over wat voor het bewijs waardevol is en wat niet, is echter niet van belang. De verdediging heeft ook aangevoerd dat Astrid Holleeder bij de rechtbank heeft gezegd dat zij aan mr. Wind heeft verteld dat Ros niet was betaald. Mr. Wind heeft dat tegengesproken. Het hof overweegt daarover het volgende. Op 18 december 2018 heeft Astrid Holleeder bij de rechtbank verklaard dat zij wist dat Ros niet was betaald en dat hij daarom verklaringen is gaan afleggen. Nadat Ros was gaan verklaren, heeft Astrid Holleeder tegen mr. Wind gezegd dat zij daarvan wist en ook dat het openbaar ministerie niets aan de verklaringen van Ros zou hebben: “Ik heb haar toen alles verteld over de betalingen, over alles eigenlijk. Ik weet het nu niet meer uit mijn hoofd. Dit klopte volledig met wat zij ook had gehoord van Ros. Dat had ik van Willem al, dus ik heb haar dat allemaal al verteld, voordat ik überhaupt aan boord kwam. Vandaar dat ik ook wist dat Ros het niet zou worden”. Aan Astrid Holleeder is op deze zitting vervolgens de opmerking voorgehouden dat zij zei ‘dat wat zij aan mr. Wind vertelde over de betalingen, overeenkwam met wat mr. Wind van Ros had gehoord’. Daarop heeft Astrid Holleeder verklaard: “Ik heb dat niet in detail gehoord van haar, maar zij kan dat checken, want zij weet wat ze van Ros heeft gehoord.” Het hof heeft mr. Wind als getuige gehoord en hier vragen over gesteld. Mr. Wind heeft verklaard dat er geen informatie-uitwisseling plaatsvindt tussen haar en een getuige. Zij heeft er over gewaakt dat zij niet heeft gesproken over de inhoud van verklaringen van Ros. Mr. Wind herinnert zich wel dat de getuige een waardeoordeel gaf over de verklaring van Ros, zij herinnert zich echter niet dat Astrid Holleeder iets heeft gezegd over betalingen aan Ros die achter waren gebleven. Als Astrid Holleeder daarover iets zou hebben gezegd, zou mr. Wind dat hebben opgeschreven. In haar aantekeningen kan zij daarover niets vinden. Het hof heeft hierover ook aan Astrid Holleeder vragen gesteld. De getuige heeft daarover verklaard dat zij zich niet woordelijk kan herinneren wat er is gezegd, maar wel de strekking. Zij verklaarde: “Mr. Wind heeft mij niet iets verteld. Het is meer dat ik haar iets vertelde. Misschien dat ze knikte of dat ik uit haar houding iets heb afgeleid.” Het hof stelt vast dat de verklaring van Astrid Holleeder dat dit onderwerp (het stokken van de betalingen aan Ros) ter sprake is gekomen, niet volledig wordt uitgesloten door de verklaring van mr. Wind daarover. Mr. Wind heeft verklaard dat zij denkt zeker te weten dat dat onderwerp niet aan de orde is geweest, maar dat dat antwoord niet honderd procent waterdicht is. Daarbij moet worden bedacht dat het ook mogelijk is dat één van de gesprekspartners tijdens een gesprek onvoldoende luistert of informatie onvoldoende doordringt. Dat mr. Wind zelf ook iets over dat onderwerp heeft gezegd, is niet wat Astrid Holleeder heeft verklaard. Het voorbeeld dat de verdediging heeft gegeven, biedt dan ook geen aanwijzing dat de getuige met heel veel stelligheid feiten presenteert die aantoonbaar niet waar zijn. De verdediging heeft verder gewezen op een beschuldiging die Astrid Holleeder heeft geuit richting mr. Janssen op de zitting van de rechtbank op 28 juni 2018. De getuige kwam volgens de verdediging op basis van flarden informatie tot vergaande beschuldigingen aan het adres van de raadsman. Het hof heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting waarin deze gebeurtenis is beschreven. Tijdens deze zitting is de getuige in aanvaring gekomen met de raadsman. Als haar om bepaalde namen wordt gevraagd, dan zegt zij dat zij eerder namen heeft genoemd wat voor haar gevolgen heeft gehad. Zij verklaarde: “Als mij foto’s worden gestuurd van mijn kleinkinderen die ergens binnen zitten, dan word ik pislink. Meneer Janssen, u heeft ook kinderen. Iedereen heeft kinderen. Ik hoef geen bewijs, [mr. Janssen]. Als dat soort dingen gebeuren, krijg je een andere kant van mij te zien. Als er foto’s van mijn kleinkinderen worden gestuurd, heb je echt een probleem. Ik ga niet wachten op niemand niet. (..) Ik ga helemaal niet met jou in discussie, [mr. Janssen]. Je moet geen foto’s sturen van mijn kleinkinderen.” Aan de getuige wordt vervolgens gevraagd of zij met ‘je’ mr. Janssen bedoelt. De getuige antwoordt daarop ‘nee’. Het hof begrijpt deze passage zo dat de getuige het woord ‘je’ gebruikt in de betekenis van ‘men’; ‘als dat soort dingen gebeuren, krijgt men een andere kant van mij te zien. Als men foto’s van mijn kleinkinderen stuurt, heeft men echt een probleem.’ Op een latere vraag van de raadsman daarover zegt zij nogmaals dat het niet de raadsman is die foto’s heeft gestuurd. Het hof kan dan ook niet tot de vaststelling komen dat de getuige hier vergaande beschuldigingen uit aan het adres van de raadsman. Wel is duidelijk dat de getuige tijdens dat verhoor moeite had om zich tegenover mr. Janssen te beheersen en zich hoffelijk te gedragen. De verdediging heeft ook aandacht gevraagd voor een opmerking van Astrid Holleeder in hoger beroep. Op 28 september 2021 heeft de getuige verklaard dat zij moeite had met de opstelling van de raadsman. Het gaat om een uitlating van de raadsman in een artikel in de New Yorker met de titel ‘How a notorious gangster was exposed by his own sister.’ Volgens de getuige werd in dat artikel aan mr. Janssen gevraagd of zij niet afgemaakt gaat worden door haar broer, waarop mr. Janssen had gezegd dat hij daar zijn handen niet voor in het vuur kan steken. De verdediging voert aan dat de getuige op basis van flarden informatie tot vergaande beschuldigingen komt en er niet voor terugschrikt die beschuldigingen openlijk, expliciet en uitermate stellig te doen. In de betreffende passage in het artikel is het volgende te lezen: “I (het hof begrijpt: de auteur van het artikel) spoke recently with Wim’s lawyer [mr. Janssen], who said, “It’s possible that she really believes she is in danger. For my part, it is impossible to say that she is not in danger. I would have to be godlike to have that kind of certainty.” He continued, “Willem says that she is not in danger, that he is not going to hurt her.” Nevertheless, Janssen acknowledged, Wim is “very angry with Astrid.” Het hof moet vaststellen dat de strekking van die uitlating overeenkomt met wat de getuige zich daarvan herinnerde tijdens het verhoor van 28 september 2021. De raadsman heeft volgens het artikel gezegd dat het voor hem onmogelijk is om te zeggen dat de getuige niet in gevaar is; hij zou immers moeten beschikken over goddelijke gaven om daar zekerheid over te kunnen hebben. Het hof begrijpt dat de raadsman in een antwoord op deze vraag deze afstand moet nemen. Het hof begrijpt ook dat de getuige dit zo opvat dat de raadsman zijn handen niet in het vuur kan steken voor zijn cliënt. Dit voorval laat zien dat de getuige zich tijdens de zitting van 28 september 2021 niet goed kon verplaatsen in de positie van de raadsman tijdens het interview. Het voorval bewijst echter niet dat de waarneming van getuige is verstoord. Tijdens de zitting van 1 oktober 2021 kwam de getuige overigens op dit voorval terug en bood zij haar excuses aan. De verdediging heeft verder gewezen op de beschuldiging die Astrid Holleeder heeft geuit in de richting van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Astrid Holleeder heeft bij de rechtbank vraagtekens geplaatst bij uitlatingen en gedrag van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Ook in hoger beroep heeft Astrid Holleeder hierover verklaard. Het hof vindt van belang dat de getuige daarbij uitdrukkelijk heeft gezegd dat zij dat niet ‘weet’, maar dat het een ‘beredenering’ is. Voordat zij tijdens het verhoor antwoord gaf, heeft zij de vraag gesteld of het de bedoeling was om ‘vrijelijk te redeneren’. Aan het slot van haar uitleg over dit onderwerp zegt zij nogmaals dat het speculeren is. Het hof ziet in deze verklaring dan ook geen bewijs dat de getuige de werkelijkheid niet van fantasie kan onderscheiden. De getuige heeft uitgelegd dat het niet gaat om wetenschap en dat zij zich ervan bewust is dat het speculaties zijn. Zij heeft uitgelegd wat de feiten zijn waarop zij haar vermoedens baseert. Zij heeft dus onderkend dat het gaat om vermoedens en heeft zich ook bereid getoond om haar vermoedens ter discussie te stellen. In het pleidooi bij de rechtbank heeft de verdediging nog gewezen op de verklaring van Astrid Holleeder dat verdachte na een hartaanval op zijn sterfbed had gevraagd om de komst van een bepaalde officier van justitie en dat het om honderd miljoen ging. De getuige heeft hierover verklaard dat zij bang was voor contacten die verdachte had bij politie en bij justitie. Het hof acht van belang dat de getuige heeft uitgelegd welke feiten en omstandigheden aanleiding waren voor haar angst. Uit die uitleg volgt niet dat de getuige een vertekend beeld heeft van de realiteit. Bij de beoordeling hiervan moet het hof ook rekening houden met de mogelijkheid dat verdachte tegen de getuige heeft gesproken over mensen bij de politie die hij plat heeft. Niet is aannemelijk geworden dat de feiten die de getuige daarvoor aandraagt, onjuist zijn. Hetzelfde geldt voor het verzoek van verdachte om de komst van een bepaalde officier van justitie. De betreffende officier van justitie heeft verklaard dat hij verdachte nooit uit de wind heeft gehouden en nooit benaderd is om naar verdachte te gaan toen hij in het ziekenhuis lag. Astrid Holleeder heeft echter niet met stelligheid verklaard dat deze officier van justitie verdachte uit de wind heeft gehouden. Evenmin heeft zij verklaard dat verdachte door deze officier van justitie in het ziekenhuis is bezocht. Zij heeft alleen verklaard dat verdachte vroeg om de komst van deze officier van justitie, wellicht in een delirium. Ook heeft zij namen genoemd van meerdere personen die aanwezig waren toen verdachte daar om vroeg. 2.2.5.3 Conclusie over waarnemingen en herinneringen De voorbeelden die de verdediging heeft genoemd, tonen niet aan dat Astrid Holleeder gebeurtenissen verkeerd heeft waargenomen of zich verkeerd heeft herinnerd in een mate die opvallend is. Wel heeft de getuige meerdere keren vermoedens uitgesproken en conclusies getrokken. Dat is echter logisch en begrijpelijk en maakt de getuige niet minder geschikt als getuige in een strafzaak. Dit alles neemt niet weg dat het hof aanneemt dat ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de getuige invloed kunnen hebben gehad op de waarneming en het geheugen van de getuige. Het hof is bij de beoordeling van verklaringen van de getuige steeds nagegaan of er aanknopingspunten bestaan dat dat zich heeft voorgedaan. Datzelfde geldt overigens ook voor de verklaringen van Sonja Holleeder. 2.2.6 Redenen van wetenschap Tijdens de verhoren van Astrid Holleeder is haar steeds gevraagd wat er precies tegen haar is gezegd, bijvoorbeeld door Van Hout en door verdachte. Astrid Holleeder heeft niet steeds kunnen vertellen wat de inhoud van die uitspraken was. Dit is begrijpelijk omdat het voor een deel gaat om gesprekken die lang geleden hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van sommige gebeurtenissen heeft de getuige gezegd dingen te ‘weten’ als een gegroeide wetenschap. Men kent sommige feiten zonder dat men zich nog herinnert hoe die kennis is ontstaan. Men kent bijvoorbeeld een kleur zonder te weten hoe de kennis is ontstaan dat die kleur die kleur is. Ook kan er tussen twee mensen een gedeelde wetenschap bestaan, zonder dat die wetenschap onder woorden wordt gebracht. Met een gedeelde geschiedenis heeft men soms aan weinig woorden genoeg om elkaar heel goed te begrijpen. Zo hoeven twee partners niet onder woorden te brengen dat zij een relatie hebben. Dat is een evidente wetenschap die niet benoemd hoeft te worden. Zo’n gegroeide wetenschap naar aanleiding van gezamenlijke ervaringen, is echter niet zonder meer bruikbaar voor het bewijs. Voor het bewijs zal de rechter moeten vaststellen wat de redenen van wetenschap zijn, hoe de wetenschap is ontstaan, welke feiten de getuige heeft waargenomen of ondervonden. 2.2.7 Inhoud verklaringen Het hof is nagegaan of in de verklaringen van Astrid Holleeder zelf aanwijzingen kunnen worden gevonden dat de getuige niet de waarheid spreekt of dat zij gebeurtenissen heel anders heeft ervaren dan gerechtvaardigd is. Het hof vindt van belang dat de getuige heeft laten zien dat zij bereid is om kritisch te kijken naar haar eigen verklaringen. De getuige is steeds bereid geweest te vertellen wat zij heeft waargenomen en wat slechts vermoedens en conclusies zijn. Zij heeft zich op die manier toetsbaar opgesteld. De verdediging heeft bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan het ontstaan van de verdenking bij Astrid Holleeder dat verdachte betrokken is geweest bij de eerste aanslag op Van Hout. Voordat Van Hout op 24 januari 2003 werd vermoord, hebben er twee aanslagen op Van Hout plaatsgevonden. De eerste aanslag vond plaats op 27 maart 1996. Uit aantekeningen bleek volgens Astrid Holleeder dat John Mieremet (hierna ook: Mieremet) tegen journalist John van den Heuvel (hierna ook: Van den Heuvel) heeft gezegd dat verdachte voorafgaand aan die eerste aanslag heeft laten zien waar Van Hout woonde. Astrid Holleeder heeft verklaard dat zij dat in die aantekeningen zag staan en dat toen alle puzzelstukjes in elkaar vielen. De verdediging heeft gewezen op diverse verklaringen waaruit blijkt dat iedereen wist waar Van Hout woonde. Mieremet en Sam Klepper (hierna ook: Klepper) hadden verdachte daar dus niet voor nodig. Ook is volgens de verdediging van belang dat Mieremet in de periode waarin hij met Van den Heuvel sprak, bezig was om verdachte in een kwaad daglicht te zetten. Het ligt dan ook voor de hand dat Mieremet daarover niet de waarheid heeft verteld. Het hof vindt allereerst van belang dat de getuige in haar verklaring duidelijk maakt dat het ging om een ‘indruk’ dat verdachte met die aanslag te maken had. Astrid Holleeder heeft verklaard dat gaandeweg bij haar de overtuiging is gegroeid dat verdachte betrokken was bij de eerste aanslag op Van Hout. Daar heeft zij meerdere gebeurtenissen voor aangedragen. Zij heeft gewezen op de opmerking van verdachte in opname 20 over Sonja en [betrokkene 3] (op wie verdachte toen boos was) dat hij wilde dat ‘ze in één auto zitten’. Die opmerking ziet Astrid Holleeder als een verwijzing naar de eerste aanslag, waarbij Van Hout met Sonja Holleeder en hun zoontje in één auto zaten. Verder heeft verdachte aan haar verteld dat er een ‘aangever’ in de Dongestraat had gestaan en ook dat degene die door het openbaar ministerie voor deze aanslag werd vervolgd wél de schutter was, ondanks dat hij is vrijgesproken. Mieremet heeft tegen Van den Heuvel gezegd dat verdachte hen de woning aan de Deurloostraat heeft aangewezen. Gelet op deze feiten en omstandigheden die Astrid Holleeder heeft genoemd, is het niet vreemd of bijzonder achterdochtig dat bij haar de overtuiging is ontstaan dat verdachte ook bij de eerste aanslag was betrokken. Astrid Holleeder heeft in hoger beroep nog uitgelegd dat zij er eerst nog van uitging dat verdachte door Mieremet en Klepper onder druk werd gezet, maar deze eerste aanslag later is gaan zien als een gezamenlijke activiteit van verdachte samen met Mieremet. De getuige heeft ook verklaard dat zij weet dat verdachte contact had met de uitvoerders van die aanslag. De getuige heeft uitgelegd dat, als je verdachte het voordeel van de twijfel geeft, het ook mogelijk is dat verdachte pas later bevriend is geworden met degenen die achter de eerste aanslag op Van Hout zaten. De getuige heeft het echter anders beleefd, reden waarom zij de stellige indruk heeft gekregen dat verdachte bij die eerste aanslag betrokken was. Het hof ziet deze verklaring als een voorbeeld waarin de getuige openheid geeft over haar aannames, uitleg geeft over de achtergrond van die aannames en bereid is om die ter discussie te stellen. Zij verklaart dat het mogelijk is dat het anders is gegaan dan dat zij aanneemt. De getuige heeft veel vaker tijdens het afleggen van verklaringen uit eigen beweging gezegd dat het slechts een vermoeden is wat zij zegt, bijvoorbeeld over de betrokkenheid van Stanley Hillis (hierna ook: Hillis) bij de aanslag op Mieremet en bij de moord op Van Hout en de reden dat verdachte haar vroeg naar de waarde van een verklaring van een overleden persoon. Zij zegt het als zij slechts een conclusie trekt, bijvoorbeeld dat de reden waarom verdachte op een bepaald moment om een foto van Van der Bijl vroeg was, om deze te kunnen geven aan de uitvoerders van zijn liquidatie. Zij maakt die kanttekening bijvoorbeeld ook als zij zegt dat zij denkt dat ook Hillis betrokken is bij de moord op Van Hout. De getuige zegt daarbij expliciet dat verdachte dat niet letterlijk heeft gezegd, maar dat het haar eigen conclusie is. Zij heeft daarbij ook uitgelegd welke feiten en omstandigheden de basis zijn voor die conclusie. Tijdens het onderzoek op de zitting bij de rechtbank en bij het hof heeft de getuige ook weerstand laten zien tegen vragen en emoties getoond. Op die momenten gaf zij niet steeds evenveel openheid van zaken. De getuige heeft daarbij echter vaak uitgelegd wat de achtergrond is van haar weerstand en van haar emoties. Zo had de getuige er moeite mee dat zij kritisch werd ondervraagd door voormalige vakgenoten of als zij een bepaalde strategie dacht te zien van verdachte. Ook heeft de getuige meerdere keren verklaard dat zij geen namen wil noemen van personen die bij een bepaalde gebeurtenis aanwezig of betrokken waren. De getuige heeft daarbij uitgelegd dat het bekend worden van die namen gevolgen kan hebben voor de veiligheid van die personen en voor haar contact met deze personen. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de vraag of Astrid Holleeder valse belastende verklaringen over verdachte aflegt, vindt het hof van betekenis dat de getuige op diverse momenten verdachte niet heeft belast terwijl dat wel eenvoudig had gekund. De getuige heeft vele mogelijkheden om verdachte te belasten niet aangegrepen. De getuige is bijvoorbeeld gevraagd naar de contacten die verdachte had met Soerel. Op dat m