GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civielrecht recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.308.671/02 zaaknummer rechtbank: C/13/696785 / FA RK 21-587 (HH/CS) beschikking van de meervoudige familiekamer van 21 juni 2022 in het incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad inzake [de man] , wonende te [plaats A] , verzoeker in het hoger beroep, verzoeker in het incident, verder te noemen: de man, advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam, en [de vrouw] , wonende te [plaats A] , verweerster in het hoger beroep, verweerster in het incident, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. Z. Taspinar te Amsterdam. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 5 januari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 28 maart 2022 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voormelde beschikking (zaaknummer 200.308.671/01). Het beroepschrift bevat tevens een incidenteel verzoek tot schorsing van de werking van een deel van die beschikking (zaaknummer 200.308.671/02). 2.2 Het hof heeft partijen bij brief van 11 april 2022 schriftelijk bericht dat het voornemens is de behandeling van het schorsingsverzoek op de stukken af te doen. Partijen hebben niet doen blijken van bezwaren daartegen. Aan de vrouw is een termijn voor het indienen van een verweerschrift tegen het schorsingsverzoek verleend. 2.3 De vrouw heeft op 2 mei 2022 een verweerschrift in het incident ingediend. 3De feiten 3.1 Partijen zijn de ouders van: - de minderjarige [minderjarige 1] , geboren [in] 2005 te [plaats A] ; - de minderjarige [minderjarige 2] , geboren [in] 2008 te [plaats A] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen). De man heeft de kinderen erkend. De vrouw oefent alleen het gezag uit over de kinderen. 3.2 Bij beschikking van 7 oktober 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 6 juli 2009 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) een bedrag van € 200,- per kind per maand aan de vrouw zal betalen. 4De omvang van het geschil in het incident tot schorsing 4.1 Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 7 oktober 2009 in zoverre, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2020 op nihil gesteld. De rechtbank heeft dit beslist op het verzoek van de man de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum waarop hij een bijdrage verschuldigd zou zijn, dan wel met ingang van 1 januari 2011, dan wel met ingang van een in goede justitie vast te stellen datum, derhalve met terugwerkende kracht, op nihil te stellen. De rechtbank heeft de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.2 Naar het hof begrijpt verzoekt de man in het incident de werking van de beschikking van 5 januari 2022 voor wat betreft de ingangsdatum van de nihilstelling van de kinderalimentatie te schorsen totdat in hoger beroep is beslist. 4.3 Het verweer van de vrouw strekt tot afwijzing van het schorsingsverzoek. 5De motivering van de beslissing 5.1 De man voert aan dat hij belang heeft bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, omdat deze berust op een juridische feitelijke misslag. De rechtbank heeft, door niet te voldoen aan zijn verzoek tot nihilstelling/minimalisering van de kinderalimentatie over de jaren medio 2012 tot en met 2019, ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheden die de man heeft aangevoerd over de behoefte en draagkracht. Op het moment dat hij wordt gehouden de vastgestelde kinderalimentatie over die periode alsnog te voldoen, zal hij in een financiële noodtoestand terechtkomen. De vrouw heeft inmiddels (weer) het LBIO ingeschakeld en beslag laten leggen op de TOZO-uitkering van de man. De man meent dat de tenuitvoerlegging van de beschikking misbruik van de executiebevoegdheid van de vrouw oplevert. 5.2 De vrouw voert verweer tegen het schorsingsverzoek. Op de stellingen van de vrouw zal het hof hierna voor zover van belang ingaan. 5.3 Het hof overweegt dat bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de werking van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking in navolging van de bestaande rechtspraak (laatstelijk HR 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026)), en in aanmerking nemend dat de rechtbank geen gemotiveerde beslissing over de uitvoerbaarverklaring heeft gegeven, de volgende maatstaven gelden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.