beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000062-22 (164 lid 9 WVW 1994) en 000078-22 (530 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-002281-18 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 164 lid 9 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats], domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. J.J.O. Zandt, De Lairessestraat 150, 1075 HL te Amsterdam. 1Procesverloop Het verzoekschrift is op 27 december 2021 ingekomen. Op 4 april 2022 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het openbaar ministerie kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 21 juni 2022 de advocaat-generaal en de advocaat van de verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De verzoeker is niet in raadkamer verschenen.
- Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die de verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van invordering en inhouding van zijn rijbewijs (inclusief wettelijke rente), ten bedrage van € 1.130,
- kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 570,
- 3Beoordeling van het verzoek Bij arrest van de Hoge Raad van 28 september 2021 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd met een niet-ontvankelijkheidsverklaring van de verzoeker in zijn ingestelde beroep in cassatie. Daarmee is het arrest van het hof van 19 januari 2021, waarin de verzoeker is veroordeeld tot een geldboete van € 830,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, onherroepelijk geworden. Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Ad a De verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van invordering en inhouding van zijn rijbewijs. Deze invordering en inhouding is onrechtmatig geweest, nu door het hof bewezen is verklaard dat de verzoeker de maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden en een invordering en inhouding pas mogelijk is bij een overschrijding van de maximumsnelheid met meer dan 50 kilometer per uur. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. De zaak is immers niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging voor een feit waarvoor de toepassing van art. 164 eerste lid WVW 1994 niet is toegelaten. Uit het dossier blijkt dat de verzoeker de maximumsnelheid met minimaal 54 kilometer per uur heeft overschreden en het hof heeft de bewezenverklaring gebaseerd op deze constatering. Artikel 164, negende lid, WVW 1994 luidt als volgt: Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor de toepassing van het eerste of vierde lid niet is toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 533, derde tot en met zesde lid, 534, 535 en 536 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Het hof is – met de advocaat-generaal- van oordeel dat in het geval van de verzoeker geen sprake is van een zaak die is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. De zaak van de verzoeker is ook niet geëindigd met oplegging van een straf of maatregel op grond van een feit waarvoor de toepassing van het eerste of vierde lid van artikel 164 WVW 1994 – en daarmee dus de inhouding en de invordering van een rijbewijs - niet is toegelaten. Uit het tweede bewijsmiddel van de aantekening van het mondeling arrest van het hof van 19 januari 2021 blijkt immers dat de verzoeker reed met een snelheid van tenminste 124 kilometer per uur. Hiermee heeft de verzoeker de toegestane maximumsnelheid van 70 kilometer per uur met meer dan 50 kilometer per uur overschreden. Verzoeker is derhalve niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Ad b Gelet op het voorgaande zijn er geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure. 4Beslissing Het hof: Verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van het onder a verzochte. Wijst af het onder b verzochte. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. F.A. Hartsuiker, M.M.H.P. Houben en N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 5 juli 2022.