afdeling strafrecht parketnummer: 23-003958-19 datum uitspraak: 14 april 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-087403-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboortedatum], adres: [geboortedatum] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, haar raadsvrouw en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de vordering benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Bewijsoverweging De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, omdat niet kan worden vastgesteld dat zij heeft gestoken of gesneden met een scherp voorwerp. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en daarom dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde mishandeling in vereniging. Het hof overweegt als volgt. Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat op basis van het dossier niet vast is komen te staan dat de verdachte de aangeefster met een mes of scherp voorwerp in het hoofd heeft gestoken of gesneden. De verklaringen hierover lopen uiteen, er zijn geen objectieve bewijsmiddelen die dit ondersteunen, het scherpe voorwerp is niet aangetroffen en de medische verklaring geeft geen uitsluitsel over de mogelijke aard van een voorwerp waarmee het vastgestelde letsel zou zijn toegebracht. De verdachte schetst een alternatief scenario, waarin sprake was van een aanval waartegen zij zich mocht verdedigen. Deze lezing vindt louter, en dan slechts ten dele, steun in de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte]. Tegenover de lezing van de verdachten staan de aangifte en de verklaringen van de getuigen die ten tijde van het voorval in de woning aanwezig waren en die daarover hebben verklaard bij de politie en bij de raadsheer-commissaris. Uit die verklaringen volgt dat de verdachte de confrontatie met de aangeefster heeft opgezocht en het geweld heeft geïnitieerd. Het hof is van oordeel dat het dossier onvoldoende steun biedt voor het alternatieve scenario en dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Het verweer wordt derhalve verworpen. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 25 dagen met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren en een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachten hebben zich schuldig gemaakt aan mishandeling in vereniging. Hiermee hebben zij een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster en hebben ze haar pijn en letsel toegebracht. Het is deze verdachte geweest die de medeverdachte bij het feit lijkt te hebben betrokken en het is deze verdachte geweest die het geweld tegen het slachtoffer heeft geïnitieerd. Bovendien vond deze mishandeling plaats op het logeeradres van de aangeefster, terwijl zij nog lag te slapen. Dit alles rekent het hof de verdachten aan. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.