afdeling strafrecht parketnummer: 23-003960-19 datum uitspraak: 14 april 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-087561-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboortedatum], adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsvrouw en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de straf en de vordering benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof aan de in het vonnis opgenomen wetsartikelen toevoegt: artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Bewijsoverweging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdachte ontkent enig geweld te hebben gebruikt en uit de lezing van de medeverdachte [medeverdachte] volgt ook niet dat de verdachte geweld heeft toegepast, aldus de raadsvrouw. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat op basis van de aangifte, de getuigenverklaringen, de verklaring van de huismeester die de verdachte kort na het voorval met een langwerpig voorwerp heeft zien lopen en de foto’s van het letsel op de armen van de aangeefster [aangeefster] kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangeefster met een wapenstok of ploertendoder heeft geslagen. Het verweer wordt derhalve verworpen. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 25 dagen met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachten hebben zich schuldig gemaakt aan mishandeling in vereniging. Hiermee hebben zij een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster en hebben ze haar pijn en letsel toegebracht. Bovendien vond deze mishandeling plaats op het logeeradres van de aangeefster, terwijl zij nog lag te slapen. Ten aanzien van deze verdachte weegt het hof voorts mee dat hij een voorwerp als wapen heeft gebruikt bij de mishandeling. Het hof rekent de verdachten deze mishandeling ernstig aan. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van is hij eerder onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [aangeefster] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.