afdeling strafrecht parketnummer: 23-001604-21 datum uitspraak: 13 juli 2022 VERSTEK Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdend te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 10-700331-15 tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboortedatum], adres: [adres]. Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een maximumbedrag van € 400.000,
- De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg gevorderd dat het wederrechtelijk voordeel wordt geschat op € 100.000,00 en dat de betalingsverplichting hoofdelijk wordt opgelegd aan de betrokkene en de medebetrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2017 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Voorts heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 30 juli 2019 de betrokkene de hoofdelijke verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 75.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader [betrokkene 1] betaalt, hij in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 april 2021 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Dit arrest in de strafzaak is op 7 mei 2021 onherroepelijk geworden. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Schikking Blijkens een e-mailbericht van de advocaat-generaal aan het hof van 31 mei 2022 en een e-mailbericht van de raadsman aan het hof op diezelfde dag, hebben beide partijen ieder voor zich meegedeeld dat de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman, met het openbaar ministerie een schikking heeft getroffen die uitkomt op een betalingsverplichting ter hoogte van € 27.500,
- De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep dienovereenkomstig gevorderd dat de hoogte van het wederrechtelijk voordeel wordt geschat op een bedrag van € 40.000,00 en dat aan de betrokkene met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 27.500,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Blijkens een door de raadsman per e-mailbericht overgelegd betalingsbewijs heeft de betrokkene dit bedrag daadwerkelijk betaald. Het hof hecht eraan op te merken dat het in de onderhavige zaak niet gaat om een schikking in de zin van artikel 511c Sv. De in dat artikel geregelde situatie ziet op de totstandkoming van een schriftelijke schikking tussen het openbaar ministerie en de betrokkene zonder bemoeienis van de rechter. In de onderhavige situatie heeft de rechtbank reeds vonnis gewezen en kan in hoger beroep alleen door het hof het vonnis worden vernietigd en hetgeen tussen het openbaar ministerie en de betrokkene is overeengekomen in de uitspraak worden betrokken. Het hof ziet aanleiding, mede gelet op het vorenstaande, de tot stand gekomen schikking in zijn uitspraak te vervatten en het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting aan de Staat, aldus vast te stellen. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 40.000,00 (veertigduizend euro). Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 27.500,00 (zevenentwintigduizend vijfhonderd euro). Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 550 dagen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. E. van Die en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 juli
- De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […] .