GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.288.328/01 zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 8481605/ CV EXPL 20-3646 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 augustus 2022 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. A. Oass te Haarlem, tegen STICHTING YMERE, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. M. Stokvis te Haarlem. Partijen worden hierna [appellant] en Ymere genoemd. 1Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 29 december 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 oktober 2020, onder bovenvermeld zaaknummer/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en Ymere als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. Ymere heeft bij exploot van 6 januari 2021 [appellant] een vroegere roldatum aangezegd (126 Rv). Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens houdende een vermeerdering van eis, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens houdende wijziging van eis in reconventie; - memorie van antwoord in incidenteel appel; - akte aan de zijde van [appellant] ; - antwoordakte aan de zijde van Ymere. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, alsmede zijn in hoger beroep vermeerderde eis, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten en met rente. Ymere heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen, in incidenteel hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen en toewijzing alsnog van haar vorderingen, subsidiair toewijzing van haar in hoger beroep gewijzigde vordering, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente. [appellant] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Hij heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De door de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet betwist. Ook het hof zal daar van uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere relevante feiten die in dit geding zijn komen vast te staan, de volgende. 2.2 De moeder van [appellant] , (hierna: zijn moeder), huurde vanaf 1989 van Ymere een woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). 2.3 [appellant] is geboren op [geboortedatum] . Hij woonde tot medio 2004 bij zijn moeder in de woning. Daarna heeft hij elders ingeschreven gestaan. Per 12 maart 2019 is [appellant] weer ingeschreven op het adres van de woning. Zijn moeder is op 19 oktober 2019 overleden. 2.4 [appellant] heeft Ymere verzocht de tussen Ymere en zijn moeder gesloten huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) te mogen voortzetten. Ymere heeft dit verzoek afgewezen omdat volgens haar [appellant] geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder had gevoerd. 3Beoordeling De procedure bij de kantonrechter 3.1 [appellant] heeft (in de procedure in conventie) op de voet van artikel 7:268 BW gevorderd Ymere te veroordelen tot voortzetting van de huurovereenkomst met [appellant] , met veroordeling van Ymere in de proceskosten. [appellant] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij sinds juni 2016 zijn hoofdverblijf in de woning heeft en dat hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. 3.2 Ymere heeft verweer gevoerd en bij voorwaardelijke tegenvordering (de procedure in reconventie) ontruiming van de woning gevorderd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 3.3 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter zowel in conventie als in reconventie de vorderingen afgewezen en partijen over en weer in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft de kantonrechter, samengevat, het volgende overwogen. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder heeft gevoerd. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij en zijn moeder de kosten van het huishouden deelden. Uit de overgelegde verklaringen komt een beeld naar voren dat [appellant] bij zijn moeder is ingetrokken om mantelzorg te verlenen. Van wederkerigheid is niet gebleken. Evenmin blijkt dat de samenwoning blijvend en op de toekomst was gericht. De tegenvordering van Ymere is niet toewijsbaar, omdat artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat de ‘samenwoner’ niet alleen de huur voortzet indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende vordering, maar ook zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. Omdat [appellant] nog in hoger beroep kan gaan, verblijft hij thans niet zonder recht of titel in de woning, aldus de kantonrechter. De procedure in hoger beroep 3.4 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering hebben beide partijen hoger beroep ingesteld. Daarnaast heeft [appellant] bij vermeerderde eis veroordeling van Ymere in de buitengerechtelijke kosten gevorderd. Het hof bespreekt eerst het hoger beroep van [appellant] (principaal hoger beroep). Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding. Grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep 3.5 Samengevat heeft [appellant] het volgende aangevoerd. Sinds 2016 heeft hij in de woning zijn hoofdverblijf. Met zijn moeder deelde hij de kosten voor de woning, zij aten samen en zij hielden gezamenlijk de woning schoon. Zij deelden ook de kosten van de gemeenschappelijke boodschappen. Zij hebben samen meubelen en gebruiksvoorwerpen aangeschaft en brachten vaak vrije tijd in de gezamenlijke huiskamer door. Zij deelden ook de badfaciliteiten en andere voorzieningen in huis. Na verloop van tijd heeft [appellant] steeds meer (huishoudelijke) taken op zich genomen, omdat zijn moeder dit door haar verslechterde gezondheidstoestand steeds minder (goed) kon doen. De zorg was wederkerig. Eerst zorgde zijn moeder voor [appellant] als kind en later [appellant] voor zijn moeder. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dat [appellant] in de woning zijn hoofdverblijf had en dat hij met zijn moeder een gemeenschappelijke huishouding voerde. Het was hun bedoeling om die nog vele jaren voort te zetten. Zijn moeder was niet terminaal ziek toen [appellant] in 2016 bij haar ging wonen, aldus [appellant] . 3.6 Artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voortzet en ook nadien, indien de rechter dat op zijn vordering beslist. In lid 3 van genoemd artikel is bepaald dat de rechter de vordering tot voortzetting in ieder geval afwijst indien de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de eisen van lid 2 voldoet of vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. 3.7 Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste jurisprudentie zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding, ook indien het gaat om een volwassen kind dat, na te zijn uitgevlogen, terugkeert naar de ouderlijke woning. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Bij de beantwoording van de vraag of de overleden ouder en het kind een gemeenschappelijke huishouding voerden, moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de ouder/huurder en het kind/medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.