GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 21/01826 9 augustus 2022 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: [A] ), tegen de uitspraak van 12 november 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/5639 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Stede Broec, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking, gedagtekend 29 februari 2020, krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak (hierna: de WOZ-waarde) [A-straat] 53 te [Z] (hierna: onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 209.000. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting 2020 (OZB) bekendgemaakt. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 9 september 2020, de waarde en de aanslag OZB gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 12 november 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij de griffie van het Hof ingekomen bij faxbericht van 16 december 2021, en nader aangevuld bij faxbericht van 10 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Van de zijde van belanghebbende is bij de griffie van het Hof op 25 april 2022 een nader stuk ingekomen. Hiervan is een kopie aan de wederpartij gezonden. 1.6. Van de zijde van de heffingsambtenaar is bij de griffie van het Hof op 23 juni 2022 een nader stuk ingekomen. Hiervan is een kopie aan de wederpartij gezonden. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast. 2.2. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een rijwoning en gebouwd in 1976. De inhoud van de onroerende zaak is 356 m³ en de oppervlakte van het perceel is 197 m². 2.2. Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van € 209.000 heeft de heffingsambtenaar in bezwaar een taxatieverslag Woning aan belanghebbende verstrekt. In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde een waardematrix overgelegd. In laatstgenoemde matrix staan de gegevens van drie vergelijkingsobjecten vermeld ( [B-straat] 27, [B-straat] 9 en [A-straat] 5), alle rijwoningen gelegen te [Z] . 2.3. Bij brief van 3 maart 2020 heeft de gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag. In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde onder meer het volgende geschreven: “Op basis van informatie door mijn opdrachtgever verstrekt en een quick-scan kan de WOZ-waarde voor [de onroerende zaak] niet hoger zijn dan € 163.000,00. (…) Om de WOZ-waarde en de opgelegde aanslag nader te controleren verzoek ik u ons uiterlijk binnen twee weken het taxatieverslag toe te sturen via taxatieverslagen@previcus.nl. (…) Graag willen wij gehoord worden zoals bepaald in de Algemene Wet Bestuursrecht. (…) Ik verzoek u, bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:Nl:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen. Ik verzoek u, de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, alsmede de manier waarop u de verschillen hebt verdisconteerd, van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.” 3Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. 3.2. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld, belanghebbende concludeert in hoger beroep nader tot een waarde van € 200.000. 3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het volgende overwogen en beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’): “Beoordeling van het geschil De informatievoorziening in de bezwaarfase 6. In het bezwaarschrift van 3 maart 2020 en in de nadere aanvulling van het bezwaarschrift van 22 juni 2020 heeft (de gemachtigde van) eiser onder meer verzocht om (voor het plaatsvinden van de hoorzitting) de opbouw van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren te verstrekken. Verweerder heeft deze op de zaak betrekking hebbende stukken weliswaar ter inzage gelegd, maar was niet bereid om deze aan de gemachtigde van eiser te sturen. Volgens eiser is verweerder hierbij voorbij gegaan aan de artikelen 6:17, van de Awb en 40, lid 2, van de wet WOZ. 7. Eisers betoog kan niet leiden tot de door hem beoogde gevolgen. In het belastingjaar 2019 was geen sprake meer van een wettelijke bepaling (artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ; tekst voor 1 oktober 2016) waarin regels zijn gesteld met betrekking tot de verstrekking van gegevens die ten grondslag liggen aan een vastgestelde waarde. Weliswaar bepaalt artikel 40a van de Wet WOZ, zoals dat in werking is getreden op 1 oktober 2016 en gold voor woningen in het belastingjaar 2019, dat eenieder op verzoek het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient, kan inzien of verstrekt krijgen bij het loket voor openbare WOZ-waarden, maar hetgeen waar eiser om heeft verzocht is geen waardegegeven in de zin van deze bepaling. Dit betekent dat de Wet WOZ thans geen lex specialis meer kent waarin de openbaarmaking van gegevens die aan een waardebepaling ten grondslag liggen uitputtend wordt geregeld. Het vervallen van artikel 40, tweede lid, (oud) van de Wet WOZ brengt ook niet met zich dat de daarin in aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geldende inlichtingenplicht thans rechtstreeks aan het algemene bestuursrecht kan worden ontleend. Van een op een bestuursorgaan rustende wettelijke inlichtingenplicht is slechts sprake binnen de kaders van een bezwaar- of beroepsprocedure, waar verweerder gehouden is op een geschil betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen en/ of aan een belanghebbende toe te zenden. Een bepaling waarin is geregeld dat aan eenieder dan wel aan een belanghebbende op aanvraag stukken worden toegezonden is in de Awb noch in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen opgenomen. Wel kan een burger die informatie wenst te ontvangen zich tot een bestuursorgaan wenden met een verzoek daartoe onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur. Dat eiser een dergelijk verzoek heeft gedaan en dat verweerder reactie daarop gevolgen dient te hebben voor de juridische houdbaarheid van de uitspraak op bezwaar en/of de waardebeschikking is echter gesteld noch gebleken. Waardering van de woning 9. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 10. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is onder meer verwezen naar de door hem overgelegde matrix. In deze matrix is de waarde van de woning getaxeerd op € 217.000. Naast gegevens van de woning, bevat deze matrix gegevens van een drietal (vergelijkings)objecten, te weten [B-straat] 27, [B-straat] 9 en [A-straat] 5, alle gelegen te [Z] . 11. In het taxatieverslag heeft verweerder abusievelijk vermeld dat de woning een garage zou hebben. Partijen zijn het er over eens dat dit niet het geval is. In de matrix heeft verweerder niet langer rekening gehouden met de aanwezigheid van een garage. Wel is de matrix rekening gehouden met de omstandigheid dat de woning is voorzien van een aanbouw en een serre, hetgeen door de taxateur van verweerder op een later tijdstip is geconstateerd. 12. In de bezwaarfase waren de voorzieningen van de woning tussen partijen in geschil. Inmiddels is dit niet meer het geval. Partijen zijn het er over eens dat de voorzieningen van de woning in orde zijn. 13. Eiser heeft [C-straat] 66a als vergelijkingsobject aangedragen. Volgens eiser zou dit object aantonen dat de WOZ-waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft onweersproken gesteld, dat [C-straat] 66a voldoende vergelijkbaar is met de woning, maar dat dit object in een ander gedeelte van de wijk ligt en 50 m³ minder inhoud heeft dan de woning en dat dit object ten tijde van de verkoop eenvoudige, verouderde voorzieningen had, in tegenstelling tot de woning. Gelet op dit verweer zijn de drie door verweerder in de matrix genoemde objecten meer geschikt voor een vergelijking met de woning en zal de rechtbank [C-straat] 66 als vergelijkingsobject buiten beschouwing laten. 14. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, geslaagd in zijn bewijslast. De woning en de vergelijkingsobjecten zijn allemaal rijwoningen en ook voor wat betreft het bouwjaar, ligging en omvang zijn de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning op de peildatum. 15. Daarnaast heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat er voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met de door hem overgelegde waardematrix een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde prijzen per kubieke en vierkante meter. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte van de opstal en van het perceel, de ligging, de kwaliteit en de staat van onderhoud, alsmede met de aanwezigheid van bijgebouwen. Indexcijfers 16. Eiser stelt dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de indexcijfers inzichtelijk te maken. Verweerder heeft weliswaar een opsomming van de indexcijfers gegeven, maar dat is volgens eiser niet voldoende. De correcties die worden toegepast in woningtaxaties, waaronder indexeringspercentages, berusten deels – en mogen ook berusten – op een inschatting die de taxateur maakt op grond van zijn ervaring en kennis, waarbij hij mede gebruik maakt van de permanente marktanalyse die wordt uitgevoerd om te bezien of de gehanteerde percentages aanpassing behoeven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een taxatieopbouw een hulp- en controlemiddel is bij de waardevaststelling. De afzonderlijke elementen van de taxatieopbouw worden niet apart op hun juistheid beoordeeld, want uiteindelijk ligt enkel de eindwaarde ter toetsing voor (zie bijvoorbeeld gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7059 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 10 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2713). Verweerder heeft toegelicht dat bij de permanente marktanalyse gebruik wordt gemaakt van de verkoopcijfers van een groot aantal woningen in de gemeente, die de taxateur heeft verzameld. Verweerder heeft aangegeven dat hij het niet passend heeft geacht om alle verkoopcijfers bij eiser “over de schutting te gooien”. Uit de verkoopcijfers op zich bezien is geen inzicht te halen omtrent de gebruikte indexering bij de woning en de vergelijkingsobjecten. Verweerder twijfelt er ook aan of het hem is toegestaan alle verkoopcijfers in bulk aan eiser te verstrekken. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij bij eiser heeft nagevraagd hoe hij de indexcijfers wel inzichtelijk zou kunnen maken, maar dat eiser deze vraag onbeantwoord heeft gelaten. De rechtbank acht in beginsel toelaatbaar dat bij de indexering van samengestelde gegevens wordt uitgegaan, tenzij aannemelijk is dat het gebruik maken van meer specifieke gegevens tot een relevant andere uitkomst zou leiden. Nu dit laatste niet aannemelijk is gemaakt, faalt de beroepsgrond van eiser. Slotsom 17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.” 5Beoordeling van het geschil De informatievoorziening in de bezwaarfase 5.1. Belanghebbende stelt ook in hoger beroep dat de heffingsambtenaar ten onrechte voorbij is gegaan aan het bepaalde in de artikelen 6:17 Awb en 40, lid 2, Wet WOZ omdat de door hem in zijn bezwaarschrift verzochte informatie (zie onder 2.3.) niet is verstrekt door de heffingsambtenaar. Het Hof volgt de rechtbank in haar conclusie dat dit betoog niet slaagt. Daartoe verwijst het Hof naar hetgeen door het Hof in zijn eerdere uitspraak van 15 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1433, is overwogen over de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase: “Artikel 7:4 Awb 5.3.1. Het Hof is op grond van de tekst van artikel 7:4 en 8:42 Awb – in samenhang beoordeeld – en de wetsgeschiedenis van deze bepalingen van oordeel dat de wetgever bewust een onderscheid heeft gemaakt tussen de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase. Alleen in de beroepsfase is het bestuursorgaan op grond van artikel 8:42 Awb verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken (aan de rechter) toe te zenden. In de bezwaarfase geldt ter zake van diezelfde stukken op grond van artikel 7:4 Awb enkel een inzagerecht. Dit onderscheid blijkt uit de tekst van deze bepalingen; in artikel 7:4, tweede lid, Awb is voorgeschreven dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken “ter inzage worden gelegd”, terwijl in artikel 8:42 Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken “aan de bestuursrechter zendt”. Gelezen in de context van het gehele artikel 7:4 kan het bepaalde in het vierde lid daarvan slechts zo worden uitgelegd dat een belanghebbende die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voorafgaand aan een hoorzitting inzage te nemen in zijn (haar) dossier, tegen vergoeding (een) afschrift(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.