GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 21/01825 9 augustus 2022 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: [A] ), tegen de uitspraak van 5 november 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/5990 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking, gedagtekend 29 februari 2020, krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak (hierna: WOZ-waarde) [A-straat] 48 te [Z] (hierna: onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 192.000. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting 2020 bekendgemaakt. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.2 De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 1 oktober 2020, het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 5 november 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen bij faxbericht van 15 december 2021, en nader aangevuld bij faxbericht van 16 december 2021. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “Feiten 1. Eiser is eigenaar van de woning. De woning is een bedrijfswoning en gebouwd in 1993, met een dubbele dakkapel. De woning heeft een inhoud van 425 m³ en een kaveloppervlakte van 300 m².” 2.2.Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van € 192.000 heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase een taxatieverslag Woning aan belanghebbende verstrekt. In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de waarde een waardematrix overgelegd waarin de gegevens van vier vergelijkingsobjecten ( [A-straat] 165, [A-straat] 37, [B-straat] en [C-straat] ), alle vrijstaande woningen (agrarische bedrijfswoningen) gelegen te [Z] , staan vermeld. 2.3. Bij brief van 3 maart 2020 heeft de gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag. In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde onder meer het volgende geschreven: “Op basis van de ons bekende administratieve gegevens kan WOZ-waarde voor [de onroerende zaak] niet hoger zijn dan € 170.000,00. Deze lagere waarde is gebaseerd op de door de opdrachtgever aan mij verstrekte gegevens en een quick-scan van de WOZ-waarde door een taxateur. (…) Om de WOZ-waarde en de opgelegde aanslag nader te controleren verzoek ik u ons uiterlijk binnen twee weken het taxatieverslag toe te sturen via taxatieverslagen@previcus.nl. (…) Graag willen wij gehoord worden zoals bepaald in de Algemene Wet Bestuursrecht. (…)” In de nadere motivering van het bezwaar van 29 mei 2020 is nog vermeld: “Ik verzoek u, bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:Nl:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen. Ik verzoek u, de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, alsmede de manier waarop u de verschillen hebt verdisconteerd, van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken. (…) Ik verzoek u de taxatiekaart met daarop vermeld de onderdeelwaardes voor de objectonderdelen welke meegenomen zijn in de taxatie van het onderhavige object alsmede de onderdeelwaardes van de bijgebouwen van de gehanteerde referentiepanden te verstrekken.” 3Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. 3.2. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld, belanghebbende concludeert tot een waarde van € 170.000. 3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het volgende overwogen en beslist: “Beoordeling van het geschil 5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 6. Met de hiervoor vermelde waardematrix heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Verweerder heeft gesteld dat de woning op een bedrijventerrein ligt en er op dit bedrijventerrein rond de waardepeildatum geen losse woningen zijn verkocht, maar steeds in combinatie met het bijbehorende bedrijf. Niettemin heeft verweerder één vergelijkingsobject gevonden dat wel los van het bedrijfsgedeelte is verkocht. Het betreft [A-straat] 165, welke woning op 13 oktober 2017 is verkocht voor € 205.000, en waarvan de waarde geïndexeerd naar de waardepeildatum 1 januari 2019 € 222.225 bedraagt. Weliswaar is de verkoopdatum van deze woning iets langer dan één jaar van de waardepeildatum gelegen, maar de rechtbank acht dat in de gegeven omstandigheden aanvaardbaar. Dat het hier een familietransactie betreft en dat deze transactie daarom volgens eiser niet bruikbaar zou zijn vanwege het afrekenen of doorschuiven van belastingen als ondernemer doet naar het oordeel van de rechtbank in dit geval aan de bruikbaarheid van deze transactie niet af. Zoals dat vaker met een familietransactie het geval is, lijkt de verkoopwaarde van dit vergelijkingsobject in vergelijking met de andere vergelijkingsobjecten hier eerder te laag dan te hoog. Nu eiser een lagere WOZ-waarde bepleit, pakt dat voor hem juist voordelig uit omdat de gemiddelde m2-prijs en m3-prijs daardoor daalt en de WOZ-waarde van de woning hierdoor eerder lager wordt. Het tweede vergelijkingsobject betreft een woning met een bedrijf. Gelet op de in de waardematrix gegeven toelichting is ook de aan die bedrijfswoning toegekende waarde bruikbaar om de waarde van de woning mee te kunnen vergelijken. Blijkens de waardematrix bedraagt de waarde van deze woning € 320.000 en bedraagt de waarde van deze woning geïndexeerd naar de waardepeildatum 1 januari 2019 € 319.525. Daarnaast heeft verweerder nog twee vergelijkingsobjecten opgevoerd, geen bedrijfswoningen maar vrijstaande woningen die elders in [Z] zijn gelegen. Weliswaar verschillen deze woningen doordat zij niet op een bedrijventerrein zijn gelegen wat betreft de ligging, maar uit de veel hogere verkoopcijfers wordt wel aannemelijk gemaakt dat verweerder in voldoende mate rekening heeft gehouden met de mindere locatie van de onderhavige (bedrijfs)woning. 7. Daarom kan niet worden gezegd dat de aan de woning toegekende waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in de op de hem rustende bewijslast geslaagd. 8. Eiser heeft gesteld dat op het taxatieverslag slechts één referentieobject staat vermeld welke ook nog niet bruikbaar is, terwijl drie vergelijkingsobjecten gebruikelijk zijn. De rechtbank overweegt hierbij dat de woning een tamelijk uniek object is doordat het als losse woning op een bedrijventerrein is gelegen, waardoor er weinig geschikte vergelijkingsobjecten beschikbaar zijn voor taxatie. In het onderhavige geval kon verweerder bij het geven van de beschikking in redelijkheid dan ook volstaan met het opvoeren van één vergelijkingsobject. Eiser voert in dat kader aan de prijs van het vergelijkingsobject in het taxatieverslag meer dan 35% afwijkt van de waardevaststelling van de woning van eiser. Dat is volgens eiser in strijd met de kwaliteitseisen die blijkens de ‘Waarderingsinstructie 2017’ (verder: de Waarderingsinstructie) aan een taxatieverslag gesteld kunnen worden. De rechtbank overweegt dat de Waarderingsinstructie van de Waarderingskamer een nadere toelichting is op de regels van de Wet WOZ en de op de Wet WOZ gebaseerde uitvoeringsregels. Blijkens de Waarderingsinstructie kan aan deze toelichting geen aanspraak worden ontleend. Er is hier naar het oordeel dan ook geen sprake van strijdigheid met zorgvuldigheidsbeginsel. 9. Gelet op het hiervoor vermelde karakter van het object vanwege de ligging heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de bezwaarfase voor de bepaling van de waarde aansluiting mogen zoeken bij het zogenoemde rekenmodel TIOX uit de landelijke taxatiewijzer ‘Taxatiewijzer Agrarische gebouwen’ (hierna: de Taxatiewijzer), zoals die jaarlijks door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor agrarische objecten wordt vastgesteld. In het TIOX model worden aan de verschillende deelobjecten van het agrarisch object (zoals de woning, het erf, de mestkelders, de stallen en bijgebouwen) op basis van kengetallen uit de Taxatiewijzer, die zijn verkregen uit analyses van verkooptransacties, deelwaarden toegekend en deze deelwaarden worden vervolgens bij elkaar opgeteld. Nu de onderhavige waardering ook een bedrijfswoning betreft, weliswaar gelegen op een bedrijventerrein, acht de rechtbank de waardering van de woning aan de hand van de Taxatiewijzer in dit geval geen onlogische keuze van verweerder. 10. Verweerder heeft volgens eiser verzuimd de door eiser in bezwaar gevraagde stukken op verzoek te verstrekken. Eiser heeft daarbij, onder andere gevraagd om inzichtelijk te maken hoe de grondstaffel is opgebouwd en met welke KOUDV- en liggingsfactoren verweerder rekening heeft gehouden bij de woning en referentieobjecten. Dat is volgens eiser in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316. Het rechtsgevolg dat eiser aan de door hem gestelde normschendingen verbindt, is een gegrond beroep. 11. Verweerder meent dat de waarderelevante objectgegevens blijken uit zowel het taxatieverslag, dat aan de vereisten van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ voldoet, als uit de nieuwe matrix in beroep waardoor het taxatieverslag niet langer van belang is. 12. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat verweerder, gelet op het verzoek in het bezwaarschrift heeft verzuimd (afschriften van) de gevraagde stukken toe te zenden. 13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316 maakt de rechtbank op dat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals de grondstaffels, op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week ter inzage had behoren te leggen. 14. Verweerder heeft gesteld dat de gemachtigde van eiser voorafgaand aan het hoorgesprek en tijdens het hoorgesprek de op de zaak betrekking hebbende stukken kon inzien. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser dan ook niet benadeeld zodat er geen aanleiding is het beroep om die reden gegrond te verklaren. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door een professionele gemachtigde die vele belanghebbenden vertegenwoordigt in bezwaarprocedures tegen vastgestelde WOZ waardes. Van een zodanige gespecialiseerde professionele gemachtigde mag worden verwacht dat hij bekend is met het gegeven dat de op de zaak betrekking hebbende stukken een week voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage liggen op het kantoor van de heffingsambtenaar. 15. Uit het vorenstaande volgt dat de grieven van eiser geen doel treffen. 16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.” 5Beoordeling van het geschil De informatievoorziening in de bezwaarfase 5.1. Belanghebbende stelt ook in hoger beroep dat de heffingsambtenaar ten onrechte voorbij is gegaan aan het bepaalde in de artikelen 6:17 Awb en 40, lid 2, Wet WOZ omdat de door hem in zijn bezwaarschrift verzochte informatie (zie onder 2.3.) niet is verstrekt door de heffingsambtenaar. Het Hof volgt de rechtbank in haar conclusie dat dit betoog niet slaagt. Daartoe verwijst het Hof naar hetgeen door het Hof in zijn eerdere en bij partijen bekende uitspraak van 15 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1433, is overwogen over de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase: “Artikel 7:4 Awb 5.3.1. Het Hof is op grond van de tekst van artikel 7:4 en 8:42 Awb – in samenhang beoordeeld – en de wetsgeschiedenis van deze bepalingen van oordeel dat de wetgever bewust een onderscheid heeft gemaakt tussen de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase. Alleen in de beroepsfase is het bestuursorgaan op grond van artikel 8:42 Awb verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken (aan de rechter) toe te zenden. In de bezwaarfase geldt ter zake van diezelfde stukken op grond van artikel 7:4 Awb enkel een inzagerecht. Dit onderscheid blijkt uit de tekst van deze bepalingen; in artikel 7:4, tweede lid, Awb is voorgeschreven dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken “ter inzage worden gelegd”, terwijl in artikel 8:42 Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken “aan de bestuursrechter zendt”. Gelezen in de context van het gehele artikel 7:4 kan het bepaalde in het vierde lid daarvan slechts zo worden uitgelegd dat een belanghebbende die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voorafgaand aan een hoorzitting inzage te nemen in zijn (haar) dossier, tegen vergoeding (een) afschrift(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.