← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2022:2429

GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 21/00207 26 juli 2022 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. R. Visser) tegen de uitspraak van 8 januari 2021 in de zaak met kenmerken HAA 20/1135 en HAA 20/1136 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Castricum, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.

  1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2019 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde (hierna: WOZ-waarde) van de onroerende zaak bekend als [adres 1] te [Z] (hierna: de Woning) op de waardepeildatum 1 januari 2018 voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 834.000 (hierna: de WOZ-beschikking). In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna ook: OZB) en de aanslag rioolheffing voor het jaar 2019 bekend gemaakt. 1.
  2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak gedagtekend 10 december 2019 (hierna ook: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. 1.
  3. Belanghebbende heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 8 januari 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.
  4. Op 26 januari 2021 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de Woning ambtshalve verminderd tot € 741.
  5. 1.
  6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het hoger beroepschrift is bij het Hof ingekomen op 22 februari
  7. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 20 september 2021 een conclusie van repliek ingediend, de heffingsambtenaar heeft op 13 oktober 2021 een conclusie van dupliek ingediend. 1.
  8. Van belanghebbende is een nader stuk ontvangen op 24 maart
  9. Hiervan is een afschrift verstrekt aan de heffingsambtenaar. 1.
  10. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli
  11. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Ter zitting hebben partijen desgevraagd, eensluidend verklaard dat ten aanzien van een door de heffingsambtenaar afgegeven besluit van 24 december 2019 (de procedure bij de rechtbank bekend onder nummer HAA 20/1135 en bij het Hof bekend onder 21/00206) geen geschil meer bestaat. Het hoger beroep, voor zover dat zag op dit besluit, is daarmee ingetrokken. 2Feiten 2.
  12. De rechtbank heeft (voor zover in hoger beroep nog van belang) de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’): “
  13. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een woonboerderij. De inhoud van de woning is 777 m³ en de oppervlakte van het perceel is 2.145 m². De woning is voorzien van een aanbouw (63 m³), een dierenverblijf (88 m²), een garage (46 m²) en extra grond van 2.600 m². Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof het volgende feit vast. 2.
  14. Ter zitting van het Hof is op 6 januari 2021 behandeld het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank inzake de voor het kalenderjaar 2018 vastgestelde waarde van de Woning. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting zijn partijen tot een compromis gekomen, inhoudende dat de WOZ-waarde nader wordt vastgesteld op € 700.
  15. Dit compromis is vastgelegd in de uitspraak van het Hof van 21 januari
  16. 2.
  17. In de conclusie van dupliek van 12 oktober 2021 merkt de heffingsambtenaar hierover op: “Tijdens de zitting [Hof: van 6 januari 2021, inzake kalenderjaar 2018] is ook afgesproken dat de WOZ-waarde over het belastingjaar 2019 evenredig zal worden verminderd”. Als bijlage bij de conclusie van dupliek is als bijlage 1 gevoegd een kopie van het besluit (gedateerd 26 januari 2021) tot ambtshalve vermindering van de waarde van de Woning voor het kalenderjaar 2019 tot € 741.
  18. Als bijlage 4 is gevoegd een e-mailbericht van de heffingsambtenaar aan belanghebbende met als onderwerp: ‘Bijlage onderbouwing WOZ-waarde’ waarin opgenomen (voor zover hier van belang): “Waardepeildatum 1 januari 2018 Vastgestelde WOZ-waarde € 741.000 Vorige vastgestelde WOZ- waarde € 700.000 Verandering van de WOZ-waarde 5,9%” Als bijlage 5 bij de conclusie van dupliek is gevoegd een matrix waarop staan vermeld het voor de Woning vastgestelde bedrag van € 741.000 en de gegevens van een viertal vergelijkingspanden aan [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] te [Z] . 3Geschil in hoger beroep 3.
  19. Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de WOZ-waarde van de Woning niet te hoog is vastgesteld. 3.
  20. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen:
  21. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, geslaagd in zijn bewijslast.Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de door verweerder ter onderbouwing van de vastgestelde waarde gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank heeft geen reden anders te oordelen. Daartoe overweegt zij dat deze objecten wat type en omvang betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning op de waardepeildatum. Daarnaast heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat er voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met de bij het verweerschrift overgelegde matrix een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde kubieke- en vierkante meterprijzen. Met betrekking tot eisers stelling dat “het recht van de weg” niet kan worden uitgeoefend zodat – naar de rechtbank begrijpt – sprake is van een waardedrukkend effect waarmee verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden, overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft daarnaar ter zitting gevraagd, in verband met het door hem ingestelde hoger beroep betreffende de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2018 welk hoger beroep het Gerechtshof Amsterdam op 6 januari 2021 zal behandelen, geen verklaring willen geven over de aard en omvang van de beperking van het door hem bedoelde recht. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat van “het recht van de weg” een waardedrukkend effect uitgaat. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de vastgestelde waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.
  22. De waarde is derhalve niet te hoog vastgesteld.
  23. Het beroep (…) zal derhalve ongegrond worden verklaard. (…) Proceskosten
  24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.
  25. Net als de rechtbank (haar overweging 10) overweegt het Hof dat op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ de waarde van een onroerende zaak wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op de heffingsambtenaar rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 5.
  26. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de (ambtshalve) nader vastgestelde waarde ad € 741.000 aangevoerd dat deze waarde ‘naar evenredigheid’ is vastgesteld in aansluiting op het voor 2018 bij het Hof bereikte compromis. Zij verwijst daarbij naar de bij conclusie van dupliek overgelegde bijlagen, en stelt dat dit ter zitting van het Hof van 6 januari 2021 ook zo is afgesproken met belanghebbende. 5.
  27. Belanghebbende betwist dat genoemde afspraak is gemaakt. Volgens belanghebbende zou slechts zijn afgesproken dat partijen hierover in gesprek zouden gaan, en dit gesprek is (ondanks zijn pogingen daartoe) uitgebleven. Zonder aankondiging heeft de heffingsambtenaar op 26 januari 2021 (en daarmee kort na de zitting) eenzijdig de waarde (nader) vastgesteld op € 741.
  28. 5.
  29. Anders dan de heffingsambtenaar ter zitting heeft gesteld is in de uitspraak van het Hof van 21 januari 2021 geen afspraak over de WOZ-waarde voor 2019 opgenomen. De heffingsambtenaar heeft voor haar stelling ook geen nader bewijs aangedragen zodat het Hof haar in deze stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet zal volgen. Het Hof merkt in dit verband ook op dat de heffingsambtenaar haar stelling (hoewel daartoe ter zitting uitgenodigd) ook niet heeft geconcretiseerd. Meer in het bijzonder heeft de heffingsambtenaar niet kunnen verklaren wat werd bedoeld met de uitdrukking ‘naar evenredigheid’ en hoe hieraan invulling is gegeven in de aansluiting tussen het in compromis bereikte bedrag van € 700.000 voor 2018 en de voor 2019 door haar nader vastgestelde waarde van € 741.
  30. Zij heeft verklaard dat laatstgenoemd bedrag in ieder geval niet voortvloeit uit een oprenting met 5,9% (het percentage genoemd in bijlage 4 bij de conclusie van dupliek) van het compromisbedrag ad € 700.
  31. Alsdan heeft de heffingsambtenaar, ook als moet worden uitgegaan van de door haar gestelde afspraak, op geen enkele wijze onderbouwd dat voor 2019 de waarde overeenkomstig deze afspraak is vastgesteld. 5.
  32. De verwijzing door de heffingsambtenaar naar de matrix (bijlage 5 bij de conclusie van dupliek) en de daarbij gegeven toelichting van de taxateur ter zitting, leiden niet tot een ander oordeel. In de matrix die dient ter onderbouwing van de waarde van € 741.000 zijn dezelfde vier vergelijkingspanden opgenomen als eerder opgevoerd ter onderbouwing van de in de WOZ-beschikking opgenomen waarde van € 834.
  33. De taxateur heeft, daartoe ter zitting uitgenodigd, niet aannemelijk gemaakt (anders dan een andere oppervlakteverdeling als gevolg van de bestemming ‘bos’) dat bij de nader vastgestelde waarde rekening is gehouden met meerdere door belanghebbende aangedragen argumenten. Zijn enkele verwijzing naar een aardenwal bij de woonkeuken (die daglicht toetreding belemmert en de ruimte koud en vochtig maakt) is daartoe volstrekt onvoldoende. Voor het overige heeft de taxateur niet kunnen onderbouwen (cijfermatig of anderszins) welke van de nieuwe door belanghebbende aangedragen argumenten zijn verwerkt (en op welke wijze dat is gebeurd) in genoemde matrix leidende tot de waarde van € 741.
  34. De taxateur heeft ook de nader in aanmerking genomen prijs van € 265 per m² grondwaarde onvoldoende onderbouwd. 5.
  35. Het Hof merkt in dit verband op dat de taxateur, anders dan de heffingsambtenaar doet, bij de door hem verdedigde waarde geen aansluiting heeft gezocht bij het over 2018 bereikte compromis maar (alleen) op basis van de matrix tot de waarde van € 741.000 komt. Dat de compromiswaarde in de gegevens van de matrix is meegenomen heeft de taxateur ter zitting wel gesteld, maar niet inzichtelijk gemaakt. Daarmee neemt de taxateur afstand van de stelling van de heffingsambtenaar dat tussen partijen een te respecteren afspraak is gemaakt. Over dit verschil in proceshouding (tussen taxateur en heffingsambtenaar) heeft de heffingsambtenaar ter zitting geen duidelijkheid kunnen verschaffen. 5.
  36. Het Hof voegt daaraan toe dat belanghebbende van aanvang af heeft gesteld dat hij problemen ervaart bij het uitoefenen van het (door zijn buren te respecteren) recht van overpad, en dat dit een waardedrukkend effect heeft. Hij heeft vanaf zijn erf geen eigen toegang tot de openbare weg, maar is aangewezen op de toegangsweg via het buurperceel. De heffingsambtenaar heeft deze stelling niet of onvoldoende betwist. Aan de heffingsambtenaar kan worden toegegeven dat belanghebbende ter zitting van de rechtbank hierover desgevraagd (zonder deugdelijke motivering) geen duidelijkheid heeft willen verschaffen. Echter, uit de door belanghebbende nader overgelegde stukken (meer in het bijzonder de brief van de gemeente Castricum aan belanghebbende van 19 juni 2019) blijkt dat er een langlopend geschil is met de eigenaar van het aangrenzende perceel over het recht van overpad, leidend tot een belangrijke beperking in het effectief gebruik daarvan. In deze brief wordt gewezen op de breedte van de weg en de (on)bereikbaarheid voor brandweer en andere hulpdiensten, en op het voornemen van de gemeente tot handhavend optreden. Alsdan snijdt de betwisting door de heffingsambtenaar, inhoudende dat van deze problemen geen waardedrukkend effect uitgaat, geen hout. Dergelijke problemen spelen ontegenzeggelijk een negatieve rol bij een mogelijke verkoop en bij de daarbij overeen te komen prijs, en hebben dus ook een neerwaarts effect op de waarde in het economisch verkeer van de Woning. 5.
  37. Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar niet voldaan aan de op haar rustende last om aannemelijk te maken dat de in aanmerking genomen waarde van € 741.000 niet te hoog is. 5.
  38. Belanghebbende verdedigt een waarde van € 500.
  39. Het Hof volgt belanghebbende in zijn stelling dat de problemen met het recht van overpad een waardedrukkend effect hebben. Echter, belanghebbende heeft de omvang van dit effect onvoldoende onderbouwd. De verwijzing naar de uitlatingen van een makelaar (vermindering met 10% tot 15% van de waarde van de onroerende zaak) is daartoe onvoldoende – nog daargelaten dat gemachtigde als basis voor deze inschatting de door hem betwiste waarde van de Woning heeft gehanteerd. Hoewel ter zitting daarop gewezen heeft gemachtigde zijn stelling niet aangepast. Het door hem aangedragen alternatief (een vermindering met € 17.500) is evenmin (voldoende) onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de gestelde waarde druk als gevolg van de status van gemeentelijk monumentenpand, en het geschil met de buren over de kadastrale grens en de daaruit voortvloeiende dreigende gedeeltelijke afbraak van de woning. Hetzelfde geldt voor de gestelde (grotere) omvang van het bosperceel, met een lagere grondwaarde dan door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen. De verwijzing naar een ongedateerde verklaring (één A4-tje zonder plattegrond of andere gegevens) van een bouwkundig tekenaar is daartoe onvoldoende. 5.
  40. Belanghebbende heeft zijn standpunt dat uitgegaan moet worden van een waarde van € 500.000 ook niet onderbouwd met een taxatierapport of gegevens van gelijk gewicht. Gemachtigde heeft volstaan met de opmerking dat hij (cijfermatig) heeft toegewerkt naar een rond getal. Deze onderbouwing is volstrekt onvoldoende. 5.
  41. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar noch belanghebbende kan worden gevolgd in de door hen verdedigde waardes. Het Hof stelt alsdan, gelet op het vorenstaande, met name op de voor het jaar 2018 door partijen in compromis overeengekomen waarde en rekening houdend met al hetgeen door partijen naar voren is gebracht, de waarde van de Woning voor de toepassing van de wet WOZ en naar de peildatum 1 januari 2018, in goede justitie vast op € 720.
  42. Slotsom De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd en de waarde te worden verminderd tot € 720.
  43. 6Kosten 6.
  44. Het Hof vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). 6.
  45. Voor het onderhavige geval zijn dat de in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 6.
  46. In het licht van rechtsoverweging 5.8 van het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, nr. 21/02977 (ECLI:NL:HR:2022:752) zal het Hof daarbij het hoge tarief van € 759 per punt toepassen, zoals dat is vermeld in onderdeel B1 sub 2 van de Bijlage bij het Besluit. 6.
  47. In het licht van het bovenstaande stelt het Hof ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op € 1.897,50 (2,5 [voor proceshandelingen: hoger beroepschrift, conclusie van repliek en verschijnen ter zitting van het Hof] x € 759 [waarde per punt] x 1 [wegingsfactor; gewicht van de zaak]). Van andere kosten is het Hof niet gebleken. 7Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de bij de WOZ-beschikking vastgestelde waarde tot € 720.000; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.897,50; en gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 48 (beroep bij de rechtbank) en € 134 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 182 te vergoeden. De uitspraak is gedaan door mrs. A.M. van Amsterdam, voorzitter, J-P.R. van den Berg en W.M.C. Schipper, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn, als griffier. De beslissing is op 26 juli 2022 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
  48. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.