← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2022:243

GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.270.654/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/639001 / HA ZA 17-1207 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 februari 2022 inzake [appellante] , wonend te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. M.G. Jansen te Haarlem, tegen BEHEERMAATSCHAPPIJ GUNI GROEP B.V., gevestigd te Badhoevedorp, geïntimeerde, advocaat: mr. M.C.M. van Ruitenbeek-Kossen te Haarlem. Partijen worden hierna weer [appellante] en Guni genoemd. De echtgenoot van [appellante] ( [A] ) wordt weer [A] genoemd. 1Verder verloop van het geding Bij tussenarrest van 22 juni 2021 is de zaak naar de rol verwezen. Beide partijen hebben op 17 augustus 2021 een akte en op 14 september 2021 een antwoordakte ingediend. Aan de akte van Guni van 17 augustus 2021 zijn twee (nieuwe) producties gehecht. Daarna is weer arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling 2.1 Het hof blijft bij hetgeen het heeft overwogen in het tussenarrest. Ter verduidelijking van rov. 4.2 van het tussenarrest merkt het hof op dat [appellante] in de memorie van grieven de rechtsstrijd in hoger beroep in zoverre heeft ontsloten dat nog beoordeeld dient te worden: a. causaal verband tussen de onrechtmatige daad van [A] en de schade van Guni; en b. eigen schuld van Guni als bedoeld in art. 6:101 BW. In hoger beroep staat het oordeel van de rechtbank dat [A] onrechtmatig jegens Guni heeft gehandeld niet ter discussie. Tegen dat oordeel heeft [appellante] niet tijdig een voldoende kenbare grief gericht. 2.2 De mondelinge behandeling van het hoger beroep in deze zaak (hierna: de zaak [appellante] ) is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van [A] in zijn zaak tegen Guni, zaaknummer 200.270.650/01 (hierna: de zaak [A] ). Zowel [A] als [appellante] was aanwezig. Zij hebben dezelfde advocaat. In beide zaken is op 22 juni 2021 een tussenarrest gewezen. 2.3 Bij de beoordeling van de hiervoor onder 2.1 genoemde geschilpunten zijn in elk geval de volgende stukken van belang: a. het rapport van [B] van 12 januari 2011, met bijlagen; b. het rapport van [C] van 27 juni 2011, met bijlagen; c. het rapport van ing. [D] van 1 mei 2014, met bijlagen; d. het rapport van ing. [E] van 4 september 2014, met bijlage; e. de producties bij de akte van Guni van 10 september 2014 in de zaak [A] . 2.4 Voornoemde stukken zijn in het geding gebracht in de zaak [A] , maar niet allemaal in de zaak [appellante] . De zaak [appellante] wordt daarom naar de rol verwezen om zowel Guni als [appellante] in de gelegenheid te stellen voornoemde stukken alsnog bij gelijktijdige akte in het geding te brengen, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan. Daarbij worden zij ook in de gelegenheid gesteld desgewenst andere stukken die zij wel in de zaak [A] , maar niet in de zaak [appellante] in het geding hebben gebracht, in dit geding te brengen. Zij mogen ook volstaan met de mededeling dat die stukken geacht worden in het geding te zijn gebracht (want beide advocaten en het hof beschikken reeds over de stukken in de zaak [A] ). Zij kunnen desgewenst in hun akte een korte toelichting geven, maar dienen daarbij de tweeconclusieregel en de eisen van een goede procesorde in acht te nemen. Dat betekent dat zij uitsluitend mogen ingaan op de vraag wat de stukken die zij bij hun akte voor het eerst in de zaak [appellante] inbrengen, betekenen voor de hiervoor onder 2.1 onder a en b genoemde onderwerpen. Ook zal aan beide partijen gelegenheid worden geboden bij antwoordakte kort te reageren. Ook daarbij dienen de tweeconclusieregel en de eisen van een goede procesorde in acht te worden genomen, dus ook daarin is uitsluitend ruimte voor commentaar op de betekenis van de nieuwe stukken voor die twee onderwerpen. 3Beslissing Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 15 februari 2022 voor gelijktijdige akten aan beide zijden; bepaalt dat partijen daarna op 1 maart 2022 gelijktijdige antwoordakten kunnen indienen; houdt ieder verder oordeel aan. Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, G.C.C. Lewin en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.