afdeling strafrecht parketnummer: 23-004181-19 datum uitspraak: 16 augustus 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 november 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-008099-18 tegen de betrokkene [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1983, adres: [adres01] , [postcode01] [plaats01] . Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 39.172,29 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 november 2019 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van hennepteelt en diefstal van water en elektriciteit. Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 1 november 2019 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 5.419,33 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep opnieuw gevorderd dat aan de betrokkene een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden opgelegd, geschat tot een bedrag van € 39.172,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.