GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.297.605/01 zaak-/rolnummer rechtbank : C/15/307177 / HA ZA 20-581 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 januari 2022 inzake (de erven van) [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. J. Koekkoek te Haarlem. Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. 1Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 19 juli 2021 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 16 december 2020 en het eindvonnis van 23 juni 2021 (hierna: het eindvonnis) van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, onder bovenstaand zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en verweerster in het incident en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en eiser in het incident. Op de eerst dienende dag heeft [appellant] tevens, onder overlegging van producties, een incidentele vordering strekkende tot - primair - schorsing van de tenuitvoerlegging op de voet van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en - subsidiair - tot zekerheidstelling op de voet van artikel 235 Rv, ingediend. Partijen hebben daarna nog de volgende stukken ingediend: conclusie van antwoord in het incident, met producties 1 t/m 9, van de zijde van [geïntimeerde] ; producties 3A t/m 9A van de zijde van [appellant] ; producties 10 t/m 13 van de zijde van [geïntimeerde] ; productie 10D van de zijde van [geïntimeerde] ; brief, gedateerd 10 november 2021, met bijlagen 1 t/m 6, van de zijde van [appellant] ; [appellant] is recent, na het instellen van onderhavige incidentele vordering, overleden. Het hof begrijpt dat de erven van [appellant] de procedure op naam van [appellant] hebben voortgezet, waarbij zij uitdrukkelijk hebben aangegeven dat zij zich nog beraden over de aanvaarding of verwerping. De mondelinge behandeling van het incident heeft plaatsgevonden op 12 november 2021. Bij die gelegenheid is namens [appellant] verschenen mr. [notaris] , notaris te [plaats] , in zijn hoedanigheid van executeur afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [appellant] , bijgestaan door mr. A.M. den Hollander, advocaat te Amsterdam, die het standpunt van [appellant] nader heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Voorts is [geïntimeerde] verschenen, bijgestaan door mr. Koekkoek voornoemd, die het standpunt van [geïntimeerde] nader heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Ten slotte is arrest gevraagd. In het incident heeft [appellant] - naar het hof begrijpt - geconcludeerd tot, uitvoerbaar bij voorraad, primair schorsing van de tenuitvoerlegging van het eindvonnis en subsidiair zekerheidstelling ter hoogte van het bedrag waartoe [appellant] bij het eindvonnis is veroordeeld, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot, uitvoerbaar bij voorraad, afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident. 2Beoordeling in het incident 2.1 Het gaat hier - samengevat en voor zover voor de beoordeling van de vordering in het incident van belang - om het volgende. [geïntimeerde] heeft in conventie, kort gezegd, van [appellant] betaling van een aantal geldbedragen gevorderd uit hoofde van een leningsovereenkomst (€ 115.000,=), een plaatsgevonden geldwissel (€ 15.000,=) en buitengerechtelijke kosten (€ 1.925,=), vermeerderd met over de verschillende bedragen verschuldigde rente. [appellant] heeft in reconventie gevorderd dat [geïntimeerde] - op grond van de bepalingen van een legaat - overgaat tot levering aan hem van het pand aan de [adres] (hierna: het pand). Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank, kort samengevat, in conventie [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 131.925,=, vermeerderd met contractuele en wettelijke rente. Verder heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, het vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft in reconventie de vorderingen afgewezen, [appellant] in de proceskosten veroordeeld en het vonnis wat betreft die uitgesproken proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft zowel in conventie als in reconventie [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeeld in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 2.2 Ter onderbouwing van zijn vordering tot schorsing ex artikel 351 Rv heeft [appellant] , kort gezegd, het volgende aangevoerd. Het belang van [appellant] bij schorsing weegt zwaarder dan het belang van [geïntimeerde] bij directe tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis. [geïntimeerde] heeft beslag gelegd op panden van [appellant] die - hoewel de kadastrale percelen afzonderlijk zijn aangeduid - deel uitmaken van een groot kamerverhuurcomplex. Ook het pand maakt deel uit van dat complex. Voor de waarde van de panden bij verkoop speelt de integriteit van het complex als geheel een rol, die - inclusief het pand - voor meerwaarde zorgt en groter is dan de som der delen. [appellant] en ook zijn onderneming - die via de beslagen panden en het pand wordt gedreven - raken zeer gedupeerd als onderdelen van het complex gedwongen afzonderlijk moeten worden verkocht. Bovendien heeft [appellant] inmiddels een tweede bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarbij hij afgifte van het legaat, in de vorm van overdracht van het pand, vordert. [geïntimeerde] is schadeplichtig, omdat zij ondanks sommatie haar verplichting tot afgifte van het legaat niet nakomt. [appellant] wil voorkomen dat hij financieel wordt ‘kaalgeplukt’ voordat in voornoemd geschil is beslist. Daarnaast spelen ook andere elementen een rol bij de belangenafweging. [appellant] betwist dat hij de schuldbekentenis heeft ondertekend en naar zijn mening heeft de rechtbank de hoofdregel van artikel 150 Rv verkeerd toegepast. Voorts stelt [appellant] dat hij uitdrukkelijk een verjaringsverweer heeft gevoerd dat de rechtbank ongemotiveerd heeft gepasseerd en is het bestreden vonnis op verzoek van [geïntimeerde] uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder dat [geïntimeerde] die vordering had onderbouwd. Verder stelt [appellant] dat [geïntimeerde] door het overlijden van [appellant] geen belang meer bij afwijzing van de vordering tot schorsing heeft aangezien het voor de hand ligt dat de nalatenschap beneficiair wordt aanvaard. Daarnaast berust het bestreden eindvonnis op verschillende misslagen. Hoewel artikel 4:4 BW leidt tot nietigheid van afspraken terzake niet-opengevallen nalatenschappen heeft de rechtbank de nietigheid van de veronderstelde afspraken niet onderzocht. Verder is onbegrijpelijk dat de rechtbank een onderscheid heeft aangebracht tussen levering van het pand en afgifte van het legaat en dat de conventionele vorderingen zijn toegewezen. Er vindt feitelijk witwassen op gezag van de rechter plaats. Ook is sprake van een restitutierisico, waarvan de rechter in eerste aanleg zich niet heeft vergewist. Tot slot zijn er nog andere omstandigheden - terzake enerzijds de afgifte van een legaat en de levering van het pand en anderzijds de aansprakelijkheidstelling als gevolg van het niet nakomen daarvan - van belang. 2.3 [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan. 2.4 Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging in beginsel gegeven. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.