GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.307.095/01 zaaknummer rechtbank: 9610589 \ EB VERZ 21-15884 beschikking van de meervoudige kamer van 30 augustus 2022 inzake [de betrokkene] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de betrokkene, advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher te Amsterdam, Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt: - [de zus 1] (hierna te noemen: de zus); - [de zus 2] (hierna te noemen: de zus); - [de zus 3] (hierna te noemen: de zus); - [de broer 1] (hierna te noemen: de broer); - [de broer 2] (hierna te noemen: de broer); - [de moeder] (hierna te noemen: de moeder); - Stichting Centrale Administratie voor Voorzieningen op het Gebied van de Gezondheids-en Welzijnszorg (hierna te noemen: CAV of de bewindvoerder). 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna te noemen: de kantonrechter) van 4 januari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De betrokkene is op 22 februari 2022 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. 2.2 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een bericht van de bewindvoerder van 12 april 2022, met bijlagen; - een bericht van de betrokkene van 24 mei 2022, met bijlagen. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 13 juli 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat; - [X] , waarnemer voor [Y] die namens CAV het bewind uitvoert. 3De feiten 3.1 De betrokkene is geboren [in] 1970. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene onder bewind gesteld voor de duur van vijf jaar wegens verkwisting / het hebben van problematische schulden, met benoeming van CAV tot bewindvoerder. 4.2 De betrokkene verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende onder bewind dienen te worden gesteld als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals de kantonrechter heeft gedaan. De standpunten 5.2 De betrokkene stelt dat geen sprake is van verkwisting, dan wel van problematische schulden die een onderbewindstelling noodzakelijk maken. De betrokkene geeft toe dat er schulden zijn, maar is van mening dat zij minder schulden heeft dan de € 15.000,- á € 20.000,- die in het inleidende verzoek worden genoemd. Zij is altijd bereid geweest via een vrijwillig hulpverleningstraject te werken aan haar financiële problemen, maar in de praktijk is er telkens een andere hulpverlener die zonder behoorlijke overdracht verder gaat. Daarnaast stelt betrokkene dat zij haar handtekening op een document heeft geplaatst, waarvan achteraf bleek dat dit een verzoek tot onderbewindstelling was. De betrokkene was zich hiervan niet bewust. De vervanger van haar begeleider bij het buurtteam kon niet lang blijven en daarom was er geen tijd om het stuk te lezen. [Y] van CAV was aanwezig via het beeldscherm van de computer en haar rol was voor betrokkene niet duidelijk. 5.3 De waarnemer van de bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij niet aanwezig was bij de intake en daarom niet inhoudelijk kan reageren op de gestelde gang van zaken met betrekking tot het plaatsen van de handtekening van betrokkene op het formulier voor het verzoek tot onderbewindstelling. Wel is het zo dat vanwege Coronamaatregelen, de intake via de laptop plaatsgevonden zou kunnen hebben. Feit blijft dat sprake is van schulden. In de bewindvoering wordt een plan van aanpak gemaakt om de schulden af te lossen. De beoordeling 5.4 Het hof dient allereerst te beoordelen of sprake is van een rechtsgeldige aanvraag van bewind door betrokkene. Zij stelt dat zij niet begreep waarmee zij akkoord ging en met welke reden zij haar handtekening op het formulier plaatste. Daarmee doet de betrokkene kennelijk een beroep op artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin staat dat een rechtshandeling vereist (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.