GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.304.449/01 SKG zaaknummer/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/708921/ KG ZA 21-868 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 oktober 2022 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats 1] , appellant, advocaat: mr. S.F. Puijk te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats 2] , geïntimeerde, advocaat: mr. E.T. van Dalen te Groningen. Partijen worden hierna weer [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. 1Verder verloop van het geding in hoger beroep In deze zaak heeft het hof op 11 januari 2022 en 15 maart 2022 tussenarresten gewezen. Bij eerstgenoemd tussenarrest heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Die zitting heeft niet plaatsgevonden. Bij het tussenarrest van 15 maart 2022 heeft het hof beslist op een door [appellant] ingestelde incidentele vordering. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest. [appellant] had op de voet van artikel 223 Rv gevorderd dat het hof bij wege van voorlopige voorziening voor de duur van de appelprocedure [geïntimeerde] zou verbieden om over te gaan tot ontruiming van de [adres 1] te [plaats] , totdat in deze procedure zou zijn bepaald dat [geïntimeerde] daartoe gerechtigd zou zijn. Bij het tussenarrest van 15 maart 2022 heeft het hof deze incidentele vordering afgewezen en de beslissing over de proceskosten aangehouden totdat in de hoofdzaak eindarrest zou worden gewezen. [geïntimeerde] heeft vervolgens een memorie van antwoord genomen. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd, zo begrijpt het hof, dat het hof het bestreden tussenvonnis en eindvonnis zal vernietigen en alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van beide bestreden vonnissen met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten. 2Feiten 2.1 De door de voorzieningenrechter in het bestreden eindvonnis onder 2.1 tot en met 2.15 opgesomde feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, met uitzondering van het onder 2.14 opgesomde feit. Daarmee zal het hof in het navolgende rekening houden. Voor zover in hoger beroep nog van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die voldoende aannemelijk zijn geworden, zijn die feiten de volgende. 2.2 In februari 2007 heeft [appellant] de eigendom verworven van een aantal panden aan de [straat 1] te [plaats] , te weten de nummers [adres 2] en [adres 3] (samen destijds bekend onder kadastraal nummer [nummer 4] ) en de nummers [adres 4] , [adres 1] en [adres 5] (samen destijds bekend onder kadastraal nummer [nummer 1] ). Op de begane grond van nummers [adres 2] en [adres 4] werd destijds onder de naam [X] een eetgelegenheid geëxploiteerd. Dit onroerend goed wordt hierna steeds aangeduid met het desbetreffende nummer. 2.3 Op 25 juli 2007 heeft de Officier van Justitie op verzoek van de Belgische autoriteiten conservatoir beslag gelegd op alle hiervoor genoemde panden (en twee panden aan de [straat 2] in [plaats] ). De beslaglegging hield verband met een strafrechtelijk onderzoek dat in België tegen [appellant] en anderen liep. De beslaglegging had tot doel uiteindelijk te kunnen komen tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat werd geschat op € 42.656.250,- per persoon. 2.4 [appellant] is bij vonnis van 17 juni 2010 door de Belgische rechter veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. In dat vonnis is het onroerend goed aan de [adres 2] - [adres 4] verbeurd verklaard. In het vonnis staat achter de huisnummers ”( [X] )”. 2.5 Nadien is overleg gevoerd met de beslaglegger over gedeeltelijke opheffing van het beslag. Gaandeweg was duidelijk geworden dat het pand op nummer [adres 5] (hierna: [adres 5] ) geen of nauwelijks verhaal zou bieden, gelet op de waarde van dat pand van destijds ongeveer € 80.000,- en de hoogte van de toenmalige hypotheekschuld van ongeveer € 78.000,-. 2.6 Op 16 november 2016 is een landmeetkundige van het Kadaster naar perceelnummer [nummer 1] gegaan om daar de kadastrale grens tussen [adres 4] en [adres 5] aan te wijzen. Daarbij is aan [adres 4] het nieuwe kadastrale nummer [nummer 2] gegeven en aan [adres 5] het nieuwe nummer [nummer 3] . In een relaas van bevindingen dat door het Kadaster is opgemaakt, staat dat dit is gebeurd naar aanleiding van ”splitsing, aangevraagd door De heer [appellant] (…)”. 2.7 Op 24 augustus 2017 heeft [appellant] een koopovereenkomst getekend voor de verkoop van [adres 5] voor € 80.000,- aan een derde. 2.8 Op 4 mei 2018 heeft het Functioneel Parket de deurwaarder bericht dat het beslag op (de twee panden aan de [straat 2] en) de [adres 1] en [adres 5] (beide met kadastraal nummer [nummer 1] ) was opgeheven en kon worden doorgehaald in de openbare registers, maar dat het beslag op de nummers [adres 2] en [adres 4] moest worden gehandhaafd. In het proces-verbaal van de deurwaarder van 7 mei 2018 staat onder meer het volgende: GEDEELTELIJKE DOORHALING (…) voor zover dit betrekking heeft op de percelen staande en gelegen te (…) [adres 1] te [plaats] , kadastraal bekend [nummer 1] [adres 5] te [plaats] , kadastraal bekend [nummer 1] en aldus met IN STAND HOUDING van het conservatoir beslag op de registergoederen staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 2] en [adres 4] (…). 2.9 Op 7 mei 2018 heeft de deurwaarder het proces-verbaal aangeboden bij het Kadaster. Het proces-verbaal is nog diezelfde datum ingeschreven, met daarbij de opmerking “niet (volledig) verwerkt stuk”. De dag erna heeft de deurwaarder het proces-verbaal gecorrigeerd en aan [adres 2] en [adres 4] , waarop het beslag nog moest blijven liggen, de kadastrale nummers [nummer 4] respectievelijk [nummer 1] toegevoegd. 2.10 Vervolgens heeft het Kadaster aan de deurwaarder een verzoek tot verbetering verzonden, met als reden: Fout in de kadastrale aanduiding (…) [plaats] [nummer 1] is niet meer actueel. (…) Verder is het niet duidelijk welke percelen beslagen blijven en bij welke percelen het beslag doorgehaald mag worden. 2.11 Op 8 augustus 2018 heeft [appellant] [adres 5] , [nummer 3] (“afkomstig van het oude [nummer 1] ”) ter uitvoering van de koopovereenkomst van 24 augustus 2017 geleverd aan een derde. 2.12 Bij notariële (royements)akte van 14 februari 2019 is onder meer opgenomen (onder H) dat namens de Officier van Justitie afstand werd gedaan van: (…) het hierna sub H onder b gemelde beslag, zulks voorzover rustend op het hierna onder sub H onder b gemelde registergoed (…) dat het conservatoire beslag, ingeschreven (…) op 25 juli tweeduizend zeven (…) ten laste van [appellant] , voornoemd , GEDEELTELIJK IS VERVALLEN en wel voor zover die inschrijving rust op het woonhuis met bijbehorende grond, plaatselijk bekend te (…) [plaats] , [adres 5] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , [nummer 3] , (…), BLIJVENDE GEMELDE INSCHRIJVING OVERIGENS VAN VOLLE KRACHT EN WAARDE. 2.13 Bij brief van 2 oktober 2020 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau [appellant] geïnformeerd dat de confiscatiebeslissing van de Belgische rechtbank ten uitvoer zal worden gelegd door verhaal op de beslagen voorwerpen, waaronder op: “onroerend goed, zijnde [adres 2] en [adres 3] (kadastraal [nummer 4] ) en [adres 4] (kadastraal [nummer 1] ) te [plaats] ”. Vervolgens is op 15 oktober 2020 aan [appellant] betekend de kennisgeving dat de gelegde conservatoire beslagen zijn overgegaan in executoriale beslagen. 2.14 Uit een proces-verbaal van veiling van 28 juli 2021 en een akte van gunning van diezelfde datum blijkt dat voor een koopprijs van € 645.000,- aan [geïntimeerde] zijn gegund: het perceel grond met bedrijfspand en bovenwoning en verder toebehoren, plaatselijk bekend (…) [plaats] , [adres 2] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , [nummer 4] , (…) (140m2); het perceel grond met bedrijfspand en bovenwoning en verder toebehoren, plaatselijk bekend (…) [plaats] , [adres 4] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , [nummer 2] , (…) (130 m2). 2.15 Bij exploot van 13 oktober 2021 heeft [geïntimeerde] het proces-verbaal van veiling, de akte van gunning en het proces-verbaal van betaling laten betekenen aan onder meer [appellant] en is onder meer hij bevolen de percelen op nummers [adres 2] en [adres 4] binnen drie dagen te ontruimen en ter beschikking van [geïntimeerde] te stellen. Daarbij is [appellant] aangezegd dat, als hij niet aan het gegeven bevel zou voldoen, de percelen gedwongen zouden worden ontruimd. 2.16 Op 5 november 2021 heeft de deurwaarder op verzoek van de Officier van Justitie bij het Kadaster een rectificatie-akte ingediend ter verbetering van de op 7 en 8 mei 2018 ingeschreven stukken, waarbij de op 25 juli 2007 door de Officier van Justitie gelegde beslagen gedeeltelijk waren doorgehaald. In deze rectificatie-akte staat onder meer: Dat voornoemd kadastraal perceel gemeente [plaats] [nummer 1] , blijkens raadpleging van de Openbare Registers is omgenummerd naar de volgende twee kadastrale percelen en zodoende het conservatoir beslag voornoemd, is komen rusten op deze nieuwe kadastrale percelen, welke zich als volgt laten duiden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.