afdeling strafrecht parketnummer: 23-002594-20 datum uitspraak: 6 oktober 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 november 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-870285-18 tegen de betrokkene [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, adres: [adres] . Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 29.895,
- De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 november 2020 veroordeeld ter zake van diefstal met valse sleutels. Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 11 november 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting vastgesteld op een bedrag van € 29.895,
- De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 oktober 2022 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – diefstal met een valse sleutel tot een bedrag van € 29.894,
- Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 29.894,13 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierbij heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat de drie bedragen van [BV] B.V. in mindering dienen te worden gebracht op het op de bankrekening van de betrokkene gestorte bedrag van € 30.061,
- Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair gesteld dat de betrokkene in de strafzaak dient te worden vrijgesproken en dat aansluitend hierop het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering. Subsidiair verzoekt de verdediging de ontnemingsvordering te matigen. Uit het dossier volgt immers dat toestemming bestond voor het pinnen van tenminste € 59.500,
- Oordeel van het hof In de strafzaak is bewezen verklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met een valse sleutel van een bedrag van € 29.894,
- De betrokkene heeft met de pinpassen van het slachtoffer grote geldbedragen contant opgenomen, die zij vervolgens op haar eigen rekening heeft gestort. Op grond van de inhoud van het arrest in de strafzaak is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het feit zoals bewezenverklaard. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op het bewezenverklaarde bedrag. Verplichting tot betaling aan de Staat Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 29.894,
- Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 29.894,13 (negenentwintigduizend achthonderdvierennegentig euro en dertien cent). Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 29.894,13 (negenentwintigduizend achthonderdvierennegentig euro en dertien cent). Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 597 dagen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P. Greve en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 oktober
- mr. Greve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […] […] Arrest in de hoofdzaak van het gerechtshof Amsterdam van 6 oktober 2022.