afdeling strafrecht parketnummer: 23-002917-19 datum uitspraak: 12 augustus 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-729031-17 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1973, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juli 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte in beginsel dezelfde straf wordt opgelegd als door de rechter in eerste aanleg. Nu echter de redelijke termijn met bijna twee jaren is overschreden, vordert de advocaat-generaal de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte, gezien zijn persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het leven van de verdachte en zijn naasten ontwrichten. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een volledig bekennende verklaring afgelegd en gezegd veel spijt te hebben van de gepleegde feiten. De verdachte werkt momenteel niet en zorgt fulltime voor zijn achtjarige dochtertje waarmee hij een hechte band heeft opgebouwd. Zijn vriendin is de kostwinnaar van het gezin en werkt fulltime als [beroep01] . Nu niemand anders voor het kind kan zorgen ingeval een gevangenisstraf van enkele maanden wordt opgelegd - er is geen sociaal netwerk waarop hij en zijn vriendin kunnen terugvallen - heeft de verdachte het hof gevraagd de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf. Hoewel het hof zich verenigt met de strafmotivering van de rechtbank, vormen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte reden om af te wijken van de conclusie van de rechtbank. Mede gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, het strafblad van de verdachte en de ernst van de feiten, ziet het hof redenen de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van drie maanden. Daarnaast vindt het hof in beginsel een taakstraf van 240 uren passend en geboden. Voorts neemt het hof echter in aanmerking dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. De rechtbank heeft op 27 september 2018 het vonnis uitgesproken en op 31 juli 2019 is er namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 augustus 2022 uitspraak. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt daarmee ruim twaalf maanden. Het hof zal deze overschrijding in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de strafmaat en een taakstraf opleggen voor de duur van 210 uren, subsidiair 105 dagen hechtenis. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 326a en 343 van het Wetboek van Strafrecht. Vordering van de benadeelde partij van de [benadeelde01] N.V. In het dossier bevinden zich twee vorderingen van de benadeelde partij tot schadevergoeding. De eerste vordering dateert van 28 december 2017 en bedraagt € 66.144,58, bestaande uit materiële schade. De tweede vordering van 12 september 2018 bedraagt € 72.094,03 en bestaat ook uit materiële schade. Het hof gaat ervan uit dat deze vordering ter terechtzitting in eerste aanleg is ingediend ter vervanging van de eerdere vordering. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 70.894,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.