beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.306.218/01 NOT nummer eerste aanleg : SHE/2021/27 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 25 oktober 2022 inzake mr. [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, tegen mr. [geïntimeerde] , notaris te [vestigingsplaats] , geïntimeerde. Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd. 1De zaak in het kort De notaris heeft opgetreden als veilingnotaris bij de executoriale (internet)veiling van een kantoorgebouw van klager. Klager heeft het kantoorgebouw destijds voor bijna 11 miljoen euro gekocht. Het kantoorgebouw is uiteindelijk ingezet voor 4,25 miljoen euro en gegund voor 2,45 miljoen euro. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Klager heeft op 17 januari 2022 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort 's-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 3 januari 2022 (ECLI:NL:TNORSHE:2022:2). 2.2. De notaris heeft op 25 mei 2022 een verweerschrift bij het hof ingediend. 2.3. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen. 2.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 september 2022. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s. 3Feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Klager heeft tegen de vaststelling van die feiten bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee (voor zover voor de beslissing van belang) bij de beoordeling rekening houden De klacht gaat over de executoriale veiling van een kantoorgebouw. Voor de beoordeling van de klacht vindt het hof de volgende feiten van belang. 3.1. Klager is in 2005 eigenaar geworden van een kantoorgebouw aan de [adres 1] in [plaats 1] (hierna: het pand). De koopprijs bedroeg destijds € 10.358.793,17. Tot zekerheid voor de terugbetaling van een hypothecaire geldlening is een recht van hypotheek op het pand gevestigd ten gunste van FGH Bank N.V. Klager is in verzuim geraakt met de nakoming van zijn verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst. 3.2. In verband daarmee heeft [bedrijf 1] B.V. (rechtsopvolger van FGH Bank N.V., hierna: de hypotheekhouder) [bedrijf 2] B.V. opdracht gegeven het pand te taxeren. Deze taxateur heeft de marktwaarde van het pand op 20 november 2018 bepaald op € 4.004.913,00. 3.3. Daarna heeft klager [bedrijf 3] opdracht gegeven om het pand te taxeren. Deze taxateur heeft de marktwaarde van het pand op 11 december 2018 bepaald op € 8.070.000,00. In het taxatierapport is een WOZ-waarde vermeld van € 6.995.000,00. 3.4. Op 18 december 2018 heeft de hypotheekhouder de executie van het pand doen aanzeggen en klager tot 15 april 2019 de gelegenheid geboden om het pand onderhands te verkopen. Klager heeft de hypotheekhouder op laatstgenoemde datum bericht dat hij het pand voor € 6.500.000,00 kosten koper had verkocht aan de heer [naam 1] , althans diens vennootschap(pen) Genius Capital Global en/of Genius Group of Companies Ltd. (hierna samen: [naam 1] ) en dat was overeengekomen dat het pand uiterlijk 1 mei 2019 zou worden geleverd. Deze levering heeft echter niet plaatsgevonden, waarna het pand op 11 juni 2019 executoriaal zou worden geveild. Vervolgens heeft klager de hypotheekhouder in kort geding gedagvaard en – samengevat – gevorderd de executie te schorsen tot 1 augustus 2019 om hem in de gelegenheid te stellen het pand alsnog onderhands aan [naam 1] te verkopen en leveren. Door dit kort geding is de veiling op 11 juni 2019 niet doorgegaan en vervolgens bepaald op 9 juli 2019. De voorzieningenrechter bij de rechtbank Limburg heeft de vorderingen van klager afgewezen bij vonnis van 3 juli 2019. 3.5. Voorafgaand aan de executoriale veiling hebben drie verschillende partijen onderhandse biedingen uitgebracht als bedoeld in artikel 547 lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) van respectievelijk € 1.025.000,00, € 1.300.000,00 en € 1.813.000,00. De hypotheekhouder heeft geen van deze biedingen geaccepteerd. 3.6. Het pand is op 9 juli 2019 executoriaal geveild via [website] . Op deze veiling zijn de “Algemene veilingvoorwaarden met internetbieden 2015” (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Notaris mr. [naam 2] , gevestigd in [plaats 2] , is bij deze veiling betrokken geweest als zogeheten platformnotaris en de notaris is daarbij betrokken geweest als veilingnotaris. 3.7. De veiling heeft eerst plaatsgevonden bij inzet en daarna bij afslag. De hoogste bieding bij inzet heeft € 2.250.000,00 bedragen. De veiling bij afslag is begonnen bij € 4.250.000,00 en de afmijner heeft afgemijnd op een bedrag van € 200.000,00, zodat de veiling heeft geresulteerd in een bieding van € 2.450.000,00. 3.8. De platformnotaris heeft op 9 juli 2019 een “proces-verbaal toezicht op biedingen internetveiling” opgesteld. Daarin staat onder meer vermeld dat de betreffende bieding is uitgebracht door een bieder die bij registratie als gegadigde heeft verklaard op te treden namens: “ [bedrijf 4] VASTGOED B.V., een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, ten tijde van de afgifte van voormelde verklaring gezeteld te [plaats 3] en ingeschreven in het handelsregister onder nummer [nummer 1] , volgens voormelde verklaring kantoor houdende [adres 2] te [plaats 3] ”. 3.9. Op 11 juli 2019 heeft de notaris een “proces-verbaal inzet en afslag” opgesteld. In dit proces-verbaal staat Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. vermeld als inzetter en afmijner, waarbij is vermeld dat Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. kantoor houdt aan de [adres 2] in [plaats 3] en bij het handelsregister is geregistreerd onder nummer [nummer 1] . De notaris heeft op 11 juli 2019 ook een “proces-verbaal van gunning” opgesteld waarin is vermeld dat de hypotheekhouder het pand voor een koopprijs van € 2.450.000,00 heeft gegund aan Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. In de door de notaris opgestelde “verklaring van betaling koopprijs” van 16 juli 2019 staat vermeld dat Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. de koopprijs aan de notaris heeft voldaan. Op 17 juli 2019 heeft de notaris de afschriften van alle veilingakten ingeschreven in de openbare registers om de eigendomsoverdracht van het pand aan Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. te voltooien. 3.10. De notaris heeft klager op 18 juli 2019 telefonisch meegedeeld dat het pand inmiddels was geleverd, waarna hij dit bij brief van 19 juli 2019 schriftelijk aan klager heeft bevestigd. 3.11. Bij handgeschreven faxbericht van 26 november 2020 heeft klager de notaris onder meer verweten dat hij het bestaan heeft om het pand: “in te zetten voor de prijs van 4.5 miljoen euro terwijl U wist dat er een taxatie was van 8 miljoen euro, een WOZ-waarde van bijna 7 miljoen euro en een koper voor 6.5 miljoen euro. (…) U heeft mij hiermee opzettelijk benadeeld voor een miljoenenbedrag waarvoor ik U hierbij aansprakelijk stel.” Klager heeft de notaris bij handgeschreven faxbericht van 1 december 2020 gevraagd alsnog per omgaande op zijn eerdere bericht te reageren. 3.12. De notaris heeft bij brief van 2 december 2020 gereageerd op de vragen van klager over de gang van zaken bij de veiling. Daarbij heeft de notaris iedere aansprakelijkheid voor de door klager gestelde schade van de hand gewezen. 3.13. Op 5 en 7 december 2020 heeft klager de notaris meerdere handgeschreven faxberichten met bijlagen gestuurd. 3.14. De notaris heeft de ontvangst van de laatstgenoemde faxberichten bij aangetekende brief van 7 december 2020 aan klager bevestigd en daarbij meegedeeld: “Helaas is de handgeschreven tekst op deze faxen niet goed leesbaar. Omdat ik graag adequaat en volledig op uw faxen wil reageren, verzoek ik u deze faxen te sturen met getypte tekst of in goed leesbare blokletters.” De notaris heeft deze brief retour ontvangen van PostNL met de mededeling dat geen brievenbus aanwezig was. 3.15. Bij e-mail van 8 december 2020 heeft de notaris de platformnotaris als volgt bericht: “Ik heb een discussie met een geëxecuteerde over de hoedanigheid van de geregistreerde die de hoogste bieder is conform het bijgevoegde proces-verbaal. Blijkens de registratiestukken (bijlagen bij het gevoegde proces-verbaal) heeft de registratie plaatsgevonden namens Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V., maar in het proces-verbaal staat dat geboden is namens [bedrijf 4] Vastgoed B.V.. In verband met de discussie met de geëxecuteerde zou ik graag van jou een mail ontvangen waarin je inderdaad bevestigt dat de registratie heeft plaatsgevonden namens Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. en dat zodoende in het proces-verbaal Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. gelezen moet worden in [bedrijf 4] Vastgoed B.V..” 3.16. De platformnotaris heeft bij e-mail van 8 december 2020 als volgt op die e-mail van de notaris gereageerd: “Ik denk dat dit juist is: de registratieverklaring is weliswaar enigszins onduidelijk, maar bij nader inzien moet dit ook wat mij betreft zo gelezen worden dat de [zwartgemaakt] de bieder is en dat hij dat doet namens Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. Mijn excuses voor de verwarring die door mijn proces-verbaal kennelijk is ontstaan.” 3.17. Op 17 december 2020 heeft klager de notaris meerdere handgeschreven faxberichten met bijlagen gestuurd. 3.18. Bij brief van 21 december 2020 heeft de notaris de ontvangst van de faxberichten van 17 december 2020 bevestigd met het hiervoor onder 3.14. geciteerde verzoek. 3.19. Op 25 en 28 december 2020 heeft klager handgeschreven faxberichten met bijlagen aan de notaris gestuurd, waarna de notaris de ontvangst van die faxberichten heeft bevestigd bij brief van 29 december 2020 en het hiervoor geciteerde verzoek heeft herhaald. 3.20. Klager heeft de notaris op 2 januari 2021 opnieuw een handgeschreven faxbericht gestuurd, waarna de notaris zijn eerdere verzoek bij brief van 5 januari 2021 wederom heeft herhaald. 3.21. Klager heeft de notaris op 6 januari 2021 een getypt faxbericht met bijlagen gestuurd. De notaris heeft bij brief van 7 januari 2021 op de inhoud van dat faxbericht gereageerd en wederom iedere aansprakelijkheid voor de door klager gestelde schade van de hand gewezen. 3.22. Op 11 januari 2021 heeft klager een getypt faxbericht met een bijlage aan de notaris gestuurd. In reactie daarop heeft de notaris klager bij brief van 12 januari 2021 als volgt bericht: “In uw faxberichten van 11 januari jl. staan geen nieuwe vragen of opmerkingen waarop ik inhoudelijk kan reageren. Alle door u tot nu toe gestelde vragen en opmerkingen zijn naar mijn mening beantwoord in eerdere brieven aan u. Mocht u nog nieuwe vragen en/of opmerkingen hebben, dan verneem ik dat graag en zal ik deze beantwoorden c.q. daarop reageren. Ik zal daarentegen niet meer reageren op (fax) berichten van u als daarin geen nieuwe vragen en/of opmerkingen staan.” 3.23. Klager heeft de notaris bij getypt faxbericht van 16 januari 2021, voorzien van handgeschreven toevoegingen en bijlagen, verantwoordelijk en aansprakelijk gesteld voor een bedrag van minimaal € 1.550.000,00 en hem verzocht en zo nodig gesommeerd dit bedrag binnen 8 dagen aan hem te betalen. De notaris heeft niet op dit bericht gereageerd. 3.24. Nadat klager op 20 januari 2021 een handgeschreven faxbericht met bijlagen had gestuurd aan de heer [naam 3] , een medewerker van de notaris, heeft de notaris klager bij brief van 21 januari 2021 gevraagd zijn berichten uitsluitend aan hem te sturen, waarbij nogmaals is gevraagd om te zorgen voor goed leesbare berichten. 3.25. Op 24 januari 2021 heeft klager de notaris twee, deels in blokletters geschreven, faxberichten met bijlagen gestuurd. De notaris heeft bij brief van 26 januari 2021 gereageerd op de vragen en opmerkingen die in blokletters waren geschreven. Daarbij heeft de notaris meegedeeld dat hij in verband met zijn geheimhoudingsplicht en de verplichtingen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming geen “ongelakt” exemplaar van het proces-verbaal van de platformnotaris aan klager kan verstrekken. De notaris heeft klager verder als volgt bericht: “Ik ben met u eens dat in het proces verbaal van notaris [naam 2] een Kvk nummer wordt genoemd dat niet het KvK nummer is van [bedrijf 4] Vastgoed B.V. Het vermelde KvK nummer is namelijk het KvK nummer van Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. Het KvK nummer van [bedrijf 4] Vastgoed B.V. is [nummer 2] . Uit nader onderzoek ten tijde van de veiling is destijds naar boven gekomen dat in het proces verbaal Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. als biedende partij genoemd had moeten worden, omdat Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. de partij was die zich had geregistreerd onder de gebruikersnaam waarmee het hoogste bod is uitgebracht. Conclusie is zodoende dat het KvK nummer in het proces verbaal wel juist is, maar de verkeerde rechtspersoon in het proces verbaal wordt genoemd. Om die reden is in de veilingakten van ons kantoor Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. genoemd als partij die het hoogste bod heeft uitgebracht, als partij aan wie gegund is en als partij die de koopprijs heeft voldaan. Bijgevoegd treft u een mail aan van notaris [naam 2] waarin zij bevestigt dat de bieding is uitgebracht namens Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V. en dat verwarring is ontstaan door het proces verbaal.” 3.26. Klager heeft de notaris en de heer [naam 3] op 10 respectievelijk 12 februari 2021 twee handgeschreven faxberichten met bijlagen gestuurd. 3.27. Op 10 maart 2021 heeft klager de heer [naam 3] een getypt faxbericht met bijlagen gestuurd. De notaris heeft op de inhoud daarvan gereageerd bij brief van 11 maart 2021. 3.28. Op 12, 13 en 16 maart 2021 heeft klager getypte faxberichten met bijlagen aan de notaris gestuurd. De notaris heeft op de inhoud daarvan gereageerd bij brief van 18 maart 2021. 4Standpunt van klager Klager verwijt de notaris (samengevat) dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en hem enorme schade heeft toegebracht omdat hij: 1. geen enkele moeite heeft gedaan om een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst voor het pand te realiseren, terwijl de notaris wist dat er een koper was die het pand voor € 6.500.000,00 kosten koper gekocht had en dit uiterlijk op 1 augustus 2019 zou afnemen en omdat hij het startbedrag voor de afslagveiling op basis van het gebrekkige en ongeldige taxatierapport van 20 november 2018 op een veel te laag bedrag van € 4.250.000,00 heeft bepaald, terwijl er een gedegen en geldig taxatierapport beschikbaar was van 11 december 2018 waarbij de marktwaarde was bepaald op € 8.070.000,00 ten gevolge waarvan het vervolgens op de afslagveiling tot veel te lage biedingen/afslagen gekomen was omdat de bieders erachter gekomen waren dat de notaris de werkelijke marktwaarde van het pand tot ieders verbazing kort voor de veiling zo goed als gehalveerd had hetgeen voor de bieders een teken aan de wand was dat het pand aanzienlijk goedkoper was geworden en zij daarom konden volstaan met een veel lagere bieding; 2) ten onrechte uiterst geheimzinnig heeft gedaan over de identiteit van de bieder en in strijd met het proces-verbaal van de platformnotaris, waarin [bedrijf 4] Vastgoed B.V. als bieder was vermeld, hals over kop zijn medewerking heeft verleend aan gunning van het pand aan Beleggingsmaatschappij [bedrijf 4] B.V., terwijl die vennootschap geen partij was geweest bij de veiling; 3) niet heeft gereageerd op diverse faxberichten die klager aan de notaris heeft gestuurd. 5Beoordeling 5.1. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard. Klachtonderdeel 1: hoogte verkoopopbrengst 5.2. In de kern verwijt klager de notaris dat het pand, dat hem in 2005 bijna 11 miljoen euro had gekost, bij de veiling in juli 2019 nog geen 2,5 miljoen euro heeft opgebracht. De notaris had volgens klager een inspanningsverplichting om een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst voor het pand te realiseren. Daarnaast heeft klager gesteld dat het niet tot een veiling had hoeven komen omdat [naam 1] het pand uiterlijk 1 augustus 2019 voor een bedrag van 6,5 miljoen euro kosten koper wilde afnemen. 5.3. Zoals hiervoor onder de feiten is omschreven, heeft klager de hypotheekhouder in verband met dat bod in kort geding gedagvaard en onder meer gevorderd de executie te schorsen tot 1 augustus 2019. De voorzieningenrechter heeft de vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.