← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2022:3063

GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer : 200.302.950/03 beslissing van de wrakingskamer van 1 april 2022 inzake het op 18 maart 2022 gedane verzoek door [naam] , wonende te [woonplaats] , hierna: verzoeker. 1Het geding In de civiele procedure met de zaaknummers 200.302.950/01 en 200.302.950/02 (hierna: de hoofdzaak) heeft verzoeker op 18 maart 2022 ter griffie van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het gerechtshof) een verzoek ingediend tot wraking. Het verzoek strekt tot wraking van ‘de rechtbank’, waaruit het hof afleidt: de raadsheren die de hoofdzaak hebben behandeld, namelijk mr. G.W. Brands-Bottema, mr. A.N. van de Beek en mr. J.A. van Keulen (hierna gezamenlijk te noemen: de raadsheren). 2De feiten en het procesverloop De mondelinge behandeling in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 7 februari 2022. Verzoeker was daarbij niet aanwezig. Vervolgens hebben de betreffende raadsheren een beschikking gegeven, die op 15 maart 2022 in het openbaar is uitgesproken. 3Het wrakingsverzoek Blijkens de brief van 17 maart 2022, ingekomen op 18 maart 2022, houdt het verzoek tot wraking, voor zover van belang, het volgende in: in de hoofdzaak is er een partijdige, vooringenomen uitspraak gedaan met verstrekkende gevolgen, waarbij doelbewust doorslaggevende informatie is genegeerd. 4Het oordeel van de wrakingskamer 4.1 Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, waarbij vermeld dient te worden dat zo’n verzoek op grond van artikel 37 Rv tijdig dient te worden gedaan. 4.2 De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek te laat is ingediend: de einduitspraak, in de vorm van de beschikking, was al uitgesproken. Op het moment van het indienen van het wrakingsverzoek was er daarom niet langer sprake van ‘rechters die een zaak behandelen’ in de zin van artikel 36 Rv. Een wrakingsverzoek dat na de einduitspraak wordt gedaan, is tardief. 4.3 Omdat het verzoek tot wraking te laat is gedaan, zal de wrakingskamer het verzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid buiten behandeling stellen. Aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek komt de wrakingskamer dan ook niet toe. 4.4 Dit leidt tot de volgende beslissing. 5De beslissing Het hof: verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking. Deze beslissing is op 1 april 2022 gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. S.M.M. Bordenga en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier. Mr. P.F.E. Geerlings en mr. A.N. Biersteker zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.