afdeling strafrecht parketnummer: 23-001734-22 datum uitspraak: 3 november 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (locatie Amsterdam) van 29 juni 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-331797-21 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 2003, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober
- Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 16 februari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een bromfiets (voorzien van kenteken [kenteken01] ), daarmee rijdende op Hobbemakade gaande in de richting van de Stadhouderskade, ter hoogte van de brandweerkazerne op de Hobbemakade en/of op het kruispunt met de Stadhouderskade, een rood verkeerslicht heeft genegeerd, en/of rijdende op de Hobbemakade, gaande in de richting van de Stadhouderskade een ander voertuig rechts in heeft gehaald, en/of rijdende op de Weteringschans gaande in de richting van het Frederiksplein, een stopteken als bedoeld in artikel 83 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft genegeerd, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 16 februari 2021 te Amsterdam, als bestuurder van een bromfiets (voorzien van kenteken [kenteken01] ), daarmee rijdende op de Hobbemakade ter hoogte van de brandweerkazerne en op het kruispunt met de Stadhouderskade, een rood verkeerslicht heeft genegeerd, en rijdende op de Hobbemakade, gaande in de richting van de Stadhouderskade een ander voertuig rechts in heeft gehaald en rijdende op de Weteringschans gaande in de richting van het Frederiksplein, een stopteken als bedoeld in artikel 83 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft genegeerd, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00, waarvan € 300,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg zijn opgelegd. De raadsman heeft, gelet op het tijdsverloop en de jonge leeftijd en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht de door de kantonrechter opgelegde straf te matigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet door tweemaal een rood verkeerslicht te negeren, een ander voertuig rechts in te halen en een stopteken te negeren. Tijdens de daaropvolgende achtervolging heeft de verdachte bijna een aanrijding met een tram veroorzaakt. Nadat de verdachte door twee toegesnelde politievoertuigen werd klem gereden en desondanks wist te ontsnappen, kregen de achtervolgende verbalisanten de mededeling de achtervolging, gelet op de risico’s die de verdachte nam, te staken. De verdachte, die op dat moment op het trottoir reed, kon uiteindelijk met behulp van een omstander worden aangehouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen zijn eigen veiligheid, maar ook die van anderen ernstig in gevaar gebracht. Dat er geen medeweggebruikers of omstanders gewond zijn geraakt, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte te danken is. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 oktober 2022 is hij eerder ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet onherroepelijk veroordeeld. Het hof is van oordeel dat de ernst van het feit, zoals hiervoor omschreven, in elk geval een (deels) onvoorwaardelijke geldboete, zoals opgelegd door de kantonrechter, rechtvaardigt. Daarnaast is het hof van oordeel dat, gelet op het gevaar dat de verdachte op de weg heeft veroorzaakt en in het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijk rijgedrag, niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke oplegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. De door de raadsman aangevoerde omstandigheden, waaronder het tijdsverloop in deze zaak, geven geen aanleiding tot een ander oordeel. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring over waarom hij zijn rijbewijs nodig zou hebben evenmin. Het hof acht, alles afwegende en rekening houdend met de draagkracht van de verdachte en het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een deels voorwaardelijke geldboete en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden hoogte dan wel duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77l, 77r, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet
- BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Ten aanzien van het bewezenverklaarde Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen jeugddetentie . Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 300,00 , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen jeugddetentie , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. E. van Die en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november
- ========================================================================= […]