← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2022:3192

beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000750-22 (530 Sv) en 000751-22 (533 Sv) parketnummer in eerste aanleg: 13-186703-21 Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2022 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker01] , geboren op [geboortedatum01] 1971 te [geboorteplaats01] , domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. T.W. Gijsberts, Herengracht 478, 1017 CB te Amsterdam. 1 Procesverloop Het hoger beroep is op 19 juli 2022 ingesteld door de verzoeker (hierna de appellant). Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer en heeft op 25 oktober 2022 de advocaat-generaal, de appellant en de advocaat van de appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. 2 Inhoud van het verzoek Het verzoek - zoals gewijzigd in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die de appellant stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 17.160,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,

  1. 3 Beoordeling Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het inleidende verzoek is tijdig ingediend. Ad a en ad b De rechtbank heeft de verzochte vergoeding ex artikel 533 en 530 Sv afgewezen en dit als volgt gemotiveerd: Verzoeker is gedagvaard voor twee feiten: een poging tot brandstichting dan wel het teweegbrengen van een ontploffing en het bezit van verdovende middelen. Verzoeker is op 14 januari 2022 door de meervoudige kamer van deze rechtbank vrijgesproken van poging tot brandstichting en veroordeeld tot een geldboete van € 750,- voor het opzettelijk aanwezig hebben van 13 MDMA-tabletten, 1 gram van een materiaal bevattende MDMA en 0,89 gram van een materiaal bevattende amfetamine en 1,45 gram van een materiaal bevattende metamfetamine. Deze zaak is geëindigd met een straf voor het bezit van verdovende middelen (art. 2 Opiumwet (OW). Een vergoeding op grond van art. 533 Sv kan in dit geval alleen worden toegekend als een straf is opgelegd voor een feit waar geen voorlopige hechtenis voor is toegelaten. Voor overtreding van art. 2 OW is voorlopige hechtenis toegelaten, tenzij het gaat om het aanwezig hebben van een gebruikershoeveelheid (art. 10 lid 6 OW) De rechtbank is van oordeel dat de hoeveelheid verdovende middelen waarvoor verzoeker is veroordeeld, een gebruikershoeveelheid te boven gaat. De officier van justitie heeft verwezen naar hetgeen hierover is opgeschreven in de Aanwijzing Opiumwet. De rechtbank sluit daarbij aan. Nu het bepaalde van art. 10 lid 6 OW niet van toepassing is in deze zaak, is de conclusie dat voorlopige hechtenis wel is toegelaten. Hoewel verzoeker van het eerste feit is vrijgesproken, is de zaak in zijn geheel geëindigd met de oplegging van een straf. De rechtbank overweegt hierbij dat de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:200l:AB1502) heeft geoordeeld dat bij “de zaak” moet worden gekeken naar al datgene waar het rechtsgeding op ziet in het geval van cumulatief tenlastegelegde feiten. In dit geval dus beide feiten. Ook in het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt de maatstaf dat indien meerdere feiten gevoegd zijn behandeld, deze als één zaak worden aangemerkt in het kader van art. 533 Sv. Hieraan zal worden toegevoegd: “tenzij er tussen deze feiten in redelijkheid geen verband bestaat”. Als deze toevoeging nu reeds zou gelden, kan dat naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak ook geen toekenning van een schadevergoeding tot gevolg hebben nu beide feiten in de zaak van verzoeker wel met elkaar in verband staan. In het vonnis valt te lezen dat verzoeker op 11 juli 2021 verdovende middelen had gebruikt — hij wilde een overdosis nemen — en dat die dag ook de gaskraan is open blijven staan. De verdovende middelen van feit 2 zijn die dag in de woning van verdachte, waar brand was ontstaan, aangetroffen. Nu de zaak is geëindigd met een straf en voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zal verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de rechtbank de appellant op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het hoger beroep dan ook moet worden afgewezen. Namens de appellant is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een gebruikershoeveelheid. De appellant was immers afhankelijk van harddrugs en kocht daarom ‘voorraad’ in. Uit het dossier is niet gebleken dat de middelen die zijn aangetroffen niet voor eigen gebruik waren. Bovendien heeft de appellant enkel voor de tenlastegelegde brandstichting waarvoor hij is vrijgesproken in voorlopige hechtenis gezeten en niet voor het bezit van de verdovende middelen. Het is dan ook alleszins redelijk de appellant schadevergoeding toe te kennen, temeer nu de appellant flinke financiële schade heeft opgelopen ten gevolge van de detentie. Het onderzoek in raadkamer in hoger beroep heeft het hof niet tot nieuwe inzichten gebracht. Het hof is van oordeel dat beslissing van de rechtbank juist is en op goede gronden berust en verenigt zich met de beschikking waarvan beroep. Het hof acht -net zoals de rechtbank- de appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Ad c Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep tot een bedrag van € 340,
  2. 4 Beslissing Het hof: Wijst het hoger beroep af en bevestigt de beschikking waarvan beroep. Kent op de voet van artikel 530 Sv aan de verzoeker een vergoeding toe van € 340,00 (driehonderdveertig euro). Wijst het meer of anders verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. F.A. Hartsuiker, P.F.E. Geerlings en R. Oude Breuil, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 8 november
  3. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 340,00 (driehonderdveertig euro) op bankrekeningnummer [iban_nummer01] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Meijers Canatan advocaten o.v.v. [verzoeker01] / schade. Amsterdam, 8 november 2022, mr. F.A. Hartsuiker, voorzitter.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.