afdeling strafrecht parketnummer: 23-004163-19 datum uitspraak: 10 februari 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-251632-18 en 13-669042-18, alsmede 13-183819-16 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, thans gedetineerd in PI Vught - [adres]. Procesverloop en onderzoek van de zaak Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. De zaak is behandeld op de terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2020. Het hof heeft bij tussenarrest van 28 augustus 2020 reeds besloten tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten in zaak A primair en zaak B en heeft het bewezenverklaarde en de verdachte strafbaar geacht. Het hof achtte zich evenwel onvoldoende voorgelicht over de mogelijkheden tot oplegging van een passende sanctie en heeft bij tussenarrest van 28 augustus 2020 het op 14 augustus 2020 gesloten onderzoek heropend, geschorst en de hervatting daarvan gelast op een nader te bepalen terechtzitting. De inhoudelijke behandeling is hervat ter terechtzitting van 6 april 2021 en voortgezet op 27 januari 2022. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2020, 6 april 2021 en 27 januari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep; beslissingen tussenarrest van 28 augustus 2020 Het vonnis waarvan beroep is reeds bij tussenarrest van dit hof van 28 augustus 2020 vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt. Het tussenarrest van 28 augustus 2020 dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd en in samenhang met de beslissingen uit dit arrest te worden gelezen. In onderstaand dictum zullen de beslissingen uit beide arresten worden opgenomen. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren met aftrek van voorarrest en heeft aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (verder te noemen: TBS) met dwangverpleging opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank met betrekking tot het beslag de teruggave gelast aan [benadeelde] van Apple Airpods en van een Huawei telefoon de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende. Standpunt openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 3 jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en dat aan de verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging zal worden opgelegd. Zowel het algemene recidiverisico als het recidiverisico op gewelds- en zedenfeiten wordt als hoog ingeschat door de gedragsdeskundigen. Tijdens de detentie van de verdachte hebben zich verschillende geweldsincidenten voorgedaan, waaruit blijkt dat het recidiverisico zich al heeft verwezenlijkt. Daarnaast laat de verdachte een sterk wisselende motivatie zien, wat een contra-indicatie is voor een TBS-maatregel met voorwaarden. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich verzet tegen het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging. Het opleggen van een TBS-maatregel met voorwaarden is haalbaar. De psychiater en psycholoog hebben daartoe ook geadviseerd. De verdachte is uiterst gemotiveerd en hij moet de kans krijgen te bewijzen dat hij zich aan de voorwaarden kan houden. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Terbeschikkingstelling Rapporten en adviezen van deskundigen Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de navolgende rapportages betreffende de verdachte: een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 19 april 2019, opgemaakt door [naam 1] (psychiater in opleiding) onder supervisie van [naam 2] (psychiater); een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 10 april 2019, opgemaakt door [naam 3] (psycholoog in opleiding) onder supervisie van [naam 4] (psycholoog); een maatregelenrapport van de reclassering in verband met terbeschikkingstelling met voorwaarden d.d. 3 juli 2019, opgemaakt door [naam 5]; een reactie van psycholoog [naam 4] d.d. 18 oktober 2019 op voormeld maatregelenrapport van de reclassering; een reactie van psychiater [naam 2] d.d. 22 oktober 2019 op voormeld maatregelenrapport van de reclassering; een maatregelenrapport van de reclassering in verband met terbeschikkingstelling met voorwaarden d.d. 23 maart 2021, opgemaakt door [naam 6]; een maatregelenrapport van de reclassering in verband met terbeschikkingstelling met voorwaarden d.d. 18 januari 2022, opgemaakt door [naam 6]. Hoewel voormelde Pro Justitia rapportages ten tijde van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep ouder dan een jaar zijn, hebben de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep ingestemd met het gebruik daarvan. Uit het psychiatrisch onderzoek van 19 april 2019 volgt dat bij de verdachte sprake is van een hechtingsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en misbruik van cannabis. De hechtingsstoornis en de antisociale persoonlijkheidsstoornis waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. De verdachte wordt door de psychiater als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. Gezien de opbouw van de delicten in ernst en frequentie en de diversiteit daarvan wordt het recidiverisico als hoog ingeschat. Een gestructureerd en langdurig kader zou noodzakelijk zijn om verandering teweeg te brengen bij de verdachte. Een klinische setting om een start met de behandeling te maken en daarna een intensief ambulant traject met een stok achter de deur lijkt passend, gezien de daardoor geboden structuur die de verdachte nodig heeft en het gegeven dat eerdere ambulante trajecten zeer moeizaam zijn verlopen. Gezien de opbouw van ernst van de delicten en de frequentie van de delicten wordt door de psychiater een TBS-maatregel met voorwaarden geadviseerd, mits de verdachte open staat voor behandeling, anders wordt een TBS-maatregel met dwangverpleging geadviseerd. Uit het psychologisch onderzoek van 10 april 2019 volgt dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een reactieve hechtingsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken. Deze stoornissen waren ook ten tijde van de bewezenverklaarde poging tot doodslag aanwezig en de verdachte wordt dienaangaande verminderd toerekeningsvatbaar geacht; wat betreft de doorwerking ten aanzien van de aanranding kan de psycholoog geen uitspraak doen. Ten aanzien van de poging tot doodslag wordt het recidiverisico als hoog ingeschat; ten aanzien van de aanranding kan hierover geen uitspraak worden gedaan. Gegeven de beoordeling van het recidiverisico wordt het noodzakelijk geacht dat de verdachte behandeld wordt. Gegeven het gebrekkig probleembesef, de afwezigheid van enig inzicht in zijn problematiek, de intense en massale loochening van agressieve gevoelens en de mate van externe structuur die hij nog nodig heeft om enigszins stabiel te functioneren, wordt daarbij gedacht aan een relatief langdurige klinische behandeling in een FPA (Forensische Psychiatrische Afdeling), ook omdat een ambulante behandeling de verdachte teveel vrijheid en verantwoordelijkheid geeft (waarmee hij niet kan omgaan) en te weinig structuur. De intensiteit van een behandeling in het juridisch kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf is te beperkt, de kans dat de verdachte afhaakt en zich onttrekt aan begeleiding en ervoor kiest het voorwaardelijk strafdeel uit te zitten, is te groot, en daarmee zijn de risico’s voor de maatschappelijke veiligheid te groot. Om die reden wordt geadviseerd om de verdachte te behandelen in het kader van een TBS-maatregel met voorwaarden, mits de strafmaat dat toelaat. In het maatregelenrapport van de reclassering van 3 juli 2019 is negatief geadviseerd over de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van een TBS-maatregel met voorwaarden, gelet op de ongemotiveerde houding van de verdachte en het gegeven dat hij zich tijdens eerder toezicht niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. In het daaropvolgende maatregelenrapport van de reclassering van 23 maart 2021 heeft de reclassering opgemerkt dat men thans meer mogelijkheden zag met betrekking tot de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van een TBS-maatregel met voorwaarden. De verdachte leek gemotiveerd te zijn om zijn leven op orde te krijgen en leek open te staan voor behandeling. De reclassering heeft daarbij het voorbehoud gemaakt dat op langere termijn moet blijken in welke mate de verdachte deze motivatie kan vasthouden en dat niet kan worden ingeschat in hoeverre dit sociaal wenselijk gedrag is. De reclassering heeft toen dan ook met terughoudendheid positief geadviseerd over het opleggen van een TBS-maatregel met voorwaarden. In het laatste maatregelenrapport van de reclassering van 18 januari 2022 - dat is opgesteld ten behoeve van de zitting van 27 januari 2022 – heeft de reclassering tenslotte negatief geadviseerd over het opleggen van een TBS-maatregel met voorwaarden. De wens van de verdachte tot zelfstandigheid past niet bij de regels die horen bij een TBS-maatregel met voorwaarden, waardoor het risico op onttrekking als hoog wordt ingeschat. Daarnaast kwam de verdachte tijdens gesprekken beduidend minder gemotiveerd over dan in maart 2021. De verdachte leek nog altijd wel te beseffen dat hij behandeling en begeleiding nodig had, maar hij leek met name gericht op het verkrijgen van vrijheden in een voor hem zo gunstig mogelijke situatie. De reclassering heeft daarbij opgemerkt zich niet aan de indruk te kunnen onttrekken dat de verdachte de welwillende houding aanneemt vanuit sociale wenselijkheid en opportunisme. De deskundige [naam 7] heeft ter terechtzitting van 27 januari 2022 deze indrukken en conclusies toegelicht en heeft daarbij gepersisteerd. Het hof neemt de conclusies van de psychiater ten aanzien van de psychiatrische problematiek van de verdachte en de doorwerking daarvan in de bewezenverklaarde feiten over. Met de psychiater acht het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van de onder 1, primair en 2 bewezenverklaarde feiten, nu aannemelijk is dat de psychiatrische problematiek van de verdachte ook ten tijde van die bewezenverklaarde feiten van invloed is geweest. Het hof heeft hiervoor reeds aangegeven dat dergelijke feiten, naast ernstige inbreuken op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers, bovendien gevoelens van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken en is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een TBS-maatregel vereisen. Het hof is, anders dan de psycholoog en de psychiater, van oordeel dat in casu niet kan worden volstaan met oplegging van een TBS-maatregel met voorwaarden. Het hof overweegt in dit verband dat de verdachte een zeer ernstig geweldsdelict en een agressief zedendelict heeft gepleegd en dat het recidiverisico door de gedragsdeskundigen als hoog wordt ingeschat. Gelet op de vastgestelde stoornissen van de verdachte is een langdurige klinische behandeling in een gesloten klinische setting vereist om het gevaar voor recidive terug te dringen. Dit recidivegevaar heeft zich inmiddels verwezenlijkt, nu uit het reclasseringsrapport van 18 januari 2022 volgt dat zich een aantal geweldsincidenten heeft voorgedaan in detentie. Het hof heeft er dan ook onvoldoende vertrouwen in dat het recidiverisico voldoende kan worden ingeperkt door oplegging van een TBS-maatregel met voorwaarden. Het hof betrekt daarbij tevens dat bij de verdachte sprake is van een cannabis-verslaving, welke verslaving - getuige de positieve urinecontroles – ook in detentie niet in remissie is; de verdachte heeft ook aangegeven hiermee niet te willen stoppen. Daarenboven acht het hof van belang dat de opvolgende maatregelrapporten van de reclassering een wisselende motivatie van de verdachte laten zien: in het eerste rapport (van 3 juli 2019) is vermeld dat de verdachte een ongemotiveerde indruk maakt, in het tweede rapport (van 23 maart 2021) is de reclassering gematigd positief over de motivatie van de verdachte en in het derde rapport (van 18 januari 2022) geeft de reclassering aan dat de wens van de verdachte tot zelfstandigheid niet past bij de regels die horen bij een TBS met voorwaarden. Ter terechtzitting van 27 januari 2022 heeft de reclasseringsmedewerker dit beeld bevestigd. Het hof oordeelt daarbij, met de rechtbank, de uitgesproken bereidheid van de verdachte ter terechtzitting onvoldoende betrouwbaar. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden niet haalbaar en niet uitvoerbaar acht. Het hof stelt vast dat de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het hof is van oordeel dat de vastgestelde stoornissen, mede gelet op de ernst van de gepleegde feiten, zodanig zijn dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is de verdachte zonder intensieve en langdurige behandelingen terug te laten keren in de maatschappij. Het hof zal daarom de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, omdat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist. Gelet op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt het hof vast dat de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van 4 jaar. Gevangenisstraf Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-vriendin [benadeelde] door haar een fors aantal bloedende snij- dan wel steekwonden toe te brengen aan hoofd, handen en pols. Bij het slachtoffer is een hypovolemische shock ontstaan door het vele bloedverlies. Ook heeft de verdachte het slachtoffer op dan wel tegen het hoofd gestompt. Door zijn handelen heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij haar in een levensbedreigende situatie gebracht. Dat het slachtoffer dit heeft overleefd, is niet aan de verdachte te danken. Zij kampt daardoor op jonge leeftijd met blijvende lichamelijke gevolgen en psychische klachten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan aanranding van een ander slachtoffer. Ook met dit feit heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten veroorzaken, naast inbreuk op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers, bovendien gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Het hof neemt dit de verdachte zeer kwalijk. Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 januari 2022 is de verdachte eerder veroordeeld voor geweldsfeiten in de relationele sfeer. Het hof houdt rekening met de jonge leeftijd van de verdachte. Het voorgaande leidt tot het hof tot de slotsom dat in het onderhavige geval niet kan worden volstaan met een andere straf dan oplegging van een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf naast de TBS-maatregel met dwangverpleging. Conclusie Het hof acht, gelet op al het vorenoverwogene, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest, alsmede oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich, conform het bepaalde in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 51.495,60 en bestaat uit de volgende posten: - immateriële schade (totaal) € 45.000,00
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.