afdeling strafrecht parketnummer: 23-002461-20 datum uitspraak: 14 februari 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 23 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-253826-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zaanstad te Westzaan. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 21 oktober 2019 te Purmerend, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn (boven)lichaam en/of de hals te steken; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal, gelet op de gewijzigde proceshouding van de verdachte, om proceseconomische redenen worden vernietigd. Vrijspraak moord Conform de vordering van de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van voorbedachten rade. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte impliciet primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De bewijsmiddelen Nu de verdachte een bekennende verdachte is als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en door de verdediging ten aanzien van het tenlastegelegde geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. Deze komen te luiden als volgt: - Een proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer 210120.0900.05825 van 20 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ; - een proces-verbaal van bevindingen met nummer PLU00-2019203390-6 van 21 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s ZD 65-ZD 67; - een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2019203390 van 23 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s ZD 90-ZD 92; - een verslag van een deskundige, te weten een rapport ‘Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood’, gedateerd 30 oktober 2019 van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), opgesteld door dr. [arts] , arts en patholoog, doorgenummerde pagina’s FO 151-ZD 166. Naar het oordeel van het hof volgt uit het samenstel van de bovengenoemde bewijsmiddelen, dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft begaan. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 21 oktober 2019 te Purmerend [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meermalen met een mes in zijn bovenlichaam te steken. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: doodslag. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en tot de maatregel ter beschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de bekennende verklaring van de verdachte, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en de inwerkingtreding van de nieuwe VI-regeling die op het moment van de behandeling in hoger beroep ten nadele van de verdachte doorwerkt in de duur van de totale netto gevangenisstraf. Tevens bepleit de raadsman geen TBS-maatregel aan de verdachte op te leggen, nu geen sprake was van doorwerking van de psychische stoornis in het tenlastegelegde feit en bovendien niet aan het vereiste gevaarscriterium is voldaan. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Gevangenisstraf De verdachte heeft op 21 oktober 2019 [slachtoffer] op zeer gewelddadige wijze van het leven beroofd, door het slachtoffer met meerdere messen vele malen in de borst en nek te steken. Na het overlijden van het slachtoffer heeft de verdachte het slachtoffer ook nog gruwelijk verminkt door met een mes in zijn gezicht te snijden en zijn geslachtsdelen af te snijden. Het menselijk leven is het hoogste in het recht te beschermen goed. Dat heeft verdachte het destijds 30-jarige slachtoffer op een mensonterende wijze ontnomen. Het motief daarvoor is het hof niet duidelijk geworden. Onder meer omdat de verdachte telkens en gedurende lange tijd blijkt te hebben gelogen, is het hof er niet van overtuigd dat zijn eerst op 19 januari 2021 afgelegde verklaring omtrent de aanleiding voor het bewezenverklaarde nu conform de waarheid is. Ook als het hof wel uitgaat van de door de verdachte geschetste aanleiding, dan blijft nog steeds onduidelijk waarom dit voor de verdachte reden zou zijn geweest om te komen tot zijn gruwelijke daad. Het behoeft geen betoog dat deze gruwelijke daad voor de nabestaanden en dierbaren van het slachtoffer onbegrijpelijk en onverteerbaar is, te meer nu de verdachte en het slachtoffer al geruime tijd bevriend waren en met elkaar tot en met de bewuste avond vrijwel dagelijks omgingen. In de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen, aangrijpende slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer weerklinkt het onbegrip dat de verdachte, als vriend van het slachtoffer, hem dit heeft aangedaan. Ook weerklinkt in deze verklaring het grote gemis en verdriet dat het handelen van de verdachte bij de naasten van het slachtoffer heeft teweeggebracht. Voor de nabestaanden is het onverteerbaar dat de verdachte niet daadwerkelijk inzicht heeft gegeven in waarom hij tot zijn gruwelijke daad is gekomen. Ook de rechtsorde is door dit misdrijf ernstig geschokt. Afschuw, angst en gevoelens van onveiligheid onder burgers worden erdoor in de hand gewerkt. Dit alles acht het hof buitengewoon ernstig en zij rekent dit de verdachte zwaar aan. Vanwege de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit komt naar het oordeel van het hof slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur als passende straf in aanmerking. Het hof heeft kennis genomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 januari 2022 waaruit blijkt dat de verdachte al eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, zij het voor minder ernstige feiten. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof enerzijds rekening gehouden met de gruwelijke aard van de onderhavige doodslag. Anderzijds heeft het hof in strafmatigende zin in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens de Pro Justitia rapportages verminderd toerekeningsvatbaar is en dat aan hem – zoals hierna zal worden overwogen – een TBS-maatregel zal worden opgelegd. Het hof ziet in het gewijzigde regime van de voorwaardelijke invrijheidstelling geen aanleiding om tot het opleggen van een lagere gevangenisstraf over te gaan. Alles afwegende – en met inachtneming van straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd – acht het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, een gevangenisstraf van acht jaren passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Maatregel Het hof acht oplegging van de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging mogelijk en noodzakelijk op grond van het volgende. Het hof neemt de bevindingen en conclusies van [naam 1] , GZ-psycholoog (Pro Justitia rapportages van 23 januari 2020, 13 augustus 2020 en 27 juli 2021) en [naam 2] , psychiater (Pro Justitia rapportages van 28 januari 2020, 19 augustus 2020 en 23 augustus 2021) over en concludeert dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zijnde een licht verstandelijke beperking, antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne. Hiermee staat vast dat is voldaan aan het gelijktijdigheidsvereiste waaraan moet zijn voldaan voor oplegging van een TBS-maatregel. Blijkens vaste jurisprudentie is, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet vereist dat de geconstateerde stoornis moet hebben doorgewerkt in het tenlastegelegde feit. Het hof acht het onaanvaardbaar om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de samenleving. Daarbij houdt het hof rekening met de gruwelijke wijze waarop de verdachte het onderhavige feit heeft gepleegd en hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd over het gevaar dat thans nog van de verdachte uitgaat. [naam 2] , psychiater, heeft overwogen dat de klinische inschatting van het recidiverisico zonder gepaste maatregelen als hoog wordt ingeschat, gezien de voorgeschiedenis van de verdachte en het huidige psychiatrische beeld. De psychiater vindt in dat kader de combinatie van een verstandelijke beperking, antisociale persoonlijkheidsproblematiek en het gebrek aan inzicht bij de verdachte met betrekking tot zijn beperkingen zorgelijk. De psychiater adviseert om een klinische behandeling op te leggen in het kader van TBS met dwangverpleging, onder meer gelet op de benodigde lange behandelduur. [naam 1] , psycholoog, heeft geconcludeerd dat risicotaxatie wijst op een hoge kans op gewelddadige recidive: “Zonder langdurige en nauwlettende controle, bescherming, sturing en begeleiding zal betrokkene binnen de kortste keren terugvallen in problematisch gedrag. Ambulante begeleiding heeft geen enkele zin. De problemen zijn daarvoor te groot. De kans op recidive is groot. TBS met voorwaarden geeft onvoldoende garantie het recidivegevaar terug te dringen.” De psycholoog overweegt voorts dat behandeling in het kader van de TBS met dwangverpleging de enige realistische mogelijkheid biedt om het recidiverisico blijvend te verlagen. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat aan alle wettelijke vereisten voor oplegging van de TBS-maatregel is voldaan en dat de verdachte ter beschikking gesteld moet worden en van overheidswege moet worden verpleegd, nu de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel vereist. Het hof acht het voorts, gelet op het voorgaande en het feit dat het bewezenverklaarde een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, geboden de maatregel ongemaximeerd op leggen. Beslag Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hieronder vermelde in beslag genomen en nog niet teruggegeven messen. Het hof overweegt dat de verdachte het bewezenverklaarde feit met deze messen heeft gepleegd. De voorwerpen zullen aldus aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] (moeder van het slachtoffer [slachtoffer] ) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces, door tussenkomst van mr. D.J. Klock als haar gemachtigde, gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 47.500,- wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van € 30.000,- wegens shockschade en een bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade. Daarnaast wordt een bedrag van € 153,67 (€ 144,77 + € 8,90) aan proceskosten (reis- en parkeerkosten) gevorderd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 37.500,00,-, bestaande uit € 20.000,- aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade. Ook is het bedrag aan proceskosten van € 153,67 toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering. De raadsman van de verdachte heeft verzocht de door de benadeelde partij gevorderde shockschade af te wijzen. Daartoe voert de raadsman aan dat niet is voldaan aan het confrontatievereiste, nu de benadeelde partij niet direct is geconfronteerd met het delict en er ook geen onverhoedse confrontatie met het stoffelijk overschot heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de affectieschade heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt. De reis- en parkeerkosten van de benadeelde partij komen volgens de raadsman op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet als proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Het hof overweegt als volgt. shockschade Shockschade - psychische schade die optreedt bij een ander dan het directe slachtoffer van (in dit geval) een misdrijf- komt in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.