GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.299.151/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/13/8974694 / CV EXPL 21-985 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 februari 2022 inzake D-FRA B.V., gevestigd te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. K. Horstman te Epe, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] , wonend te [woonplaats] ,
- [geïntimeerde sub 2], wonend te [woonplaats] , geïntimeerden in de hoofdzaak, eisers in het incident, advocaat: mr. [X] te [plaats] . Partijen worden hierna D-fra en [geïntimeerden] – afzonderlijk: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] – genoemd. 1Het geding in hoger beroep D-fra is bij dagvaarding van 8 juli 2021 in hoger beroep gekomen van een mondeling vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) dat op 7 juni 2021 onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen D-fra als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met een productie; - incidentele conclusie van [geïntimeerden] tot oproeping in vrijwaring; - antwoordconclusie in het incident van D-fra. In het incident hebben [geïntimeerden] gevorderd hun toe te staan mr. [curator] , in zijn hoedanigheid van curator van [A] , te dagvaarden tegen een door het hof te bepalen datum teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen. D-fra heeft geconcludeerd dat het hof [geïntimeerden] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun incidentele vordering, althans die zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident. Vervolgens is arrest gevraagd in het incident. 2Beoordeling in het incident: 2.
- Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. D-fra heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerden] op grond van onverschuldigde betaling hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot (terug)betaling aan D-fra van een bedrag van € 23.641,26, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 18.722,33 met ingang van 1 januari 2021 tot de dag der voldoening. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van D-fra afgewezen. 2.
- Ter toelichting op hun incidentele vordering hebben [geïntimeerden] , kort samengevat, het volgende aangevoerd. De betalingen waarover het in deze zaak gaat zijn voor en in opdracht van [A] door D-fra gedaan ter zake van door [geïntimeerden] verrichte werkzaamheden. In hoger beroep baseert D-fra haar vordering tot terugbetaling op de door [A] – die geen procespartij is – ingeroepen (buitengerechtelijke) ontbinding en vernietiging van de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst van opdracht tussen hem en [geïntimeerde sub 1] . Bij toewijzing van die vordering in hoger beroep zal (aan D-fra) moeten worden terugbetaald. [geïntimeerden] wijzen erop dat het gelden van de failliet verklaarde [A] zelf betreft en dat daarbij niet valt uit te sluiten dat het gelden zijn die aan de boedel toekomen. Volgens [geïntimeerden] hebben zij er dan ook recht en belang bij om de curator van [A] in vrijwaring op te roepen. 2.
- D-fra heeft tegen de incidentele vordering verweer gevoerd op gronden die, zo nodig, bij de beoordeling zullen worden weergegeven. 2.
- Volgens vaste rechtspraak is het niet mogelijk om in hoger beroep een incidentele vordering tot vrijwaring in te stellen (vgl. laatstelijk Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012: BT7496). Indien de vrijwaring thans zou worden toegestaan, zou immers aan de curator van [A] een instantie worden ontnomen zonder dat daarvoor een voldoende rechtvaardiging bestaat. [geïntimeerden] kunnen dan ook niet worden ontvangen in hun incidentele vordering. 2.
- [geïntimeerden] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, bij eindarrest in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident. in de hoofdzaak: 2.
- De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden] 3Beslissing Het hof: in het incident: verklaart [geïntimeerden] niet-ontvankelijk in hun vordering; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 22 maart 2022 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden] ; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, W.A.H. Melissen en G.C.C. Lewin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2022.