GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 21/00573 tot en met 21/01123, 21/01159 tot en met 21/01226, 21/01227, 21/01228 tot en met 21/01232 10 november 2022 uitspraken van de tweede meervoudige belastingkamer op de (incidenteel) hoger beroepen van [belanghebbende] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven alsmede van de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, tegen uitspraken van 30 juli 2021 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- Belanghebbende heeft in 2017, 2018 en 2019 ter zake van de kentekenregistratie van 551 door haar ingevoerde personenauto’s de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) op aangifte voldaan. 1.
- Tegen deze voldoeningen heeft belanghebbende steeds bezwaar gemaakt, waarna de inspecteur in 2019 uitspraken op bezwaar heeft gedaan. 1.
- Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 30 juli 2021 in een groot aantal afzonderlijke uitspraken op de beroepen beslist. 1.
- Belanghebbende en de inspecteur hebben beiden tegen deze uitspraken van de rechtbank (incidentele) hoger beroepen ingesteld en over en weer verweerschriften ingediend. 1.
- De door de inspecteur ingestelde hoger beroepen zijn geregistreerd onder de kenmerken 21/00573 tot en met 21/
- De door belanghebbende ingestelde principale hoger beroepen zijn – met uitzondering van de in de onderhavige in één geschrift vervatte uitspraken behandelde hoger beroepen met de kenmerken 21/01159 tot en met 21/01226, 21/01227 en 21/01228 tot en met 21/01232 – op 8 januari 2022 met toepassing van artikel 8:54 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet, niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet is betaald. Het daartegen ingestelde verzet is door het Hof op 23 juni 2022 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft cassatieberoep ingesteld tegen deze in één geschrift vervatte uitspraken op verzet. Belanghebbende heeft (tijdig) incidenteel hoger beroep ingesteld in alle zaken waarin haar principaal hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het niet betalen van het griffierecht. 1.
- Van belanghebbende is op 16 augustus 2022 een nader stuk ontvangen. 1.
- Van belanghebbende is op 12 september 2022 een pleitnota ontvangen en op 15 september 2022 een aanvullende pleitnota. Van de inspecteur is op 16 september 2022 een pleitnota ontvangen. Belanghebbende heeft diezelfde dag per mailbericht op de pleitnota van de inspecteur gereageerd. 1.
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september
- Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze in één geschrift vervatte uitspraken wordt meegezonden. 2Feiten Belanghebbende heeft in de jaren 2017, 2018 en 2019 bpm op aangifte voldaan ter zake van de registratie van 551 personenauto’s. Voor de feitenvaststelling ter zake verwijst het Hof naar de uitspraken van de rechtbank. 3Geschil in hoger beroep 3.
- Beide partijen betwisten de door de rechtbank toegepaste verminderingen die verband houden met de CO2-uitstootwaarde. Daarnaast voeren zij een aantal grieven van formeelrechtelijke en procedurele aard aan. 3.
- Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Beoordeling van het geschil Taalgebruik gemachtigde; waarschuwing belanghebbende 4.
- De gemachtigde van belanghebbende is eerder door dit Hof (en andere gerechten) in zaken waarin belanghebbende partij was, geweigerd als gemachtigde wegens diens grievende en grensoverschrijdende taalgebruik. In zijn uitspraak van 31 augustus 2021, nrs. 19/01573, 19/01578 t/m 19/01586, 19/01587, 19/01661 en 19/01738, ECLI:NL:GHAMS:2021:2763, heeft het Hof het volgende overwogen: “
- De gemachtigde van belanghebbende is in het verleden door een reeks van gerechten herhaaldelijk gewaarschuwd en op de voet van art. 8:25 Awb als gemachtigde geweigerd wegens zijn onaanvaardbaar taalgebruik en zijn onacceptabele bejegening van ambtenaren, rechters, rechterlijke instanties en Nederland (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6596, en Hof Amsterdam 23 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1634). In voren gemelde tussenuitspraak van 23 juni 2020 heeft het Hof onder meer en voor zover hier van belang overwogen: “2.
- Het Hof voegt daaraan toe dat deze uitspraak als waarschuwing heeft te gelden voor alle processtukken die in de toekomst door Verhoeven, (…), worden ingediend en voor alle proceshandelingen die in de toekomst door Verhoeven, (…), worden verricht (daaronder begrepen het optreden ter zitting). Deze waarschuwing beperkt zich niet tot de onderhavige procedures, maar heeft betrekking op alle procedures die thans bij het Hof aanhangig zijn of in de toekomst aanhangig zullen worden. Indien Verhoeven (…) in nieuw in te dienen stukken of ter zitting onbetamelijk taalgebruik bezigt, zal het Hof Verhoeven (…) zonder nadere waarschuwing of herstelmogelijkheid in de desbetreffende zaak weigeren (…).”
- De waarschuwingen en weigeringen hebben er kennelijk niet toe geleid dat de gemachtigde zijn intimiderend, grievend en beledigend gedrag heeft bijgesteld. Integendeel, de door hem ingediende stukken staan vol van dergelijke uitlatingen die voor een deel ernstig grievend en grof beledigend zijn in de richting van ambtenaren, rechters, rechterlijke instanties, de rechtsstaat Nederland en Nederland in het algemeen. Een en ander levert een ernstige verstoring op van de goede procesorde reeds gelet op de impact die dergelijke uitlatingen hebben op degenen die als inspecteur, rechter of juridisch medewerker bij de zaak betrokken zijn.
- Het ondanks de waarschuwingen en de weigeringen doorgaan met het indienen van stukken die telkenmale en zelfs in steeds ernstiger mate doorspekt zijn met uitlatingen die (zeer) grievend zijn en (deels zeer grove) beledigingen inhouden, vormt een dermate ernstige verstoring van de goede procesorde dat het Hof de stukken waarin dergelijke uitlatingen voorkomen in zijn geheel buiten beschouwing zal laten, en Verhoeven als de gemachtigde van belanghebbende als zodanig zal weigeren.
- Het Hof draagt de griffier op deze beslissing te sturen aan Verhoeven alsmede naar belanghebbende, teneinde hen in kennis te stellen van de weigeringsbeslissing. Belanghebbende zal in de gelegenheid worden gesteld om, desgewenst, binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen.” 4.
- In de pleitnota met dagtekening 12 september 2022 die door de gemachtigde van belanghebbende in de thans voorliggende zaken is toegezonden, is onder meer het volgende vermeld: “Verweerder heeft uw aangetoond en bewezen kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke gerechtshof in Amsterdam een aantal Unierechtelijke vragen voorgelegd. Ik heb dat ook gedaan middels incidenteel hoger beroep. Uw kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke gerechtshof in Amsterdam (welk gebouw er uit ziet als een graftombe) is kennelijk onbevoegd om antwoord te geven op die vragen van Unierecht. Dat types als [raadsheer] menen dat dat anders is, speelt geen rol. [raadsheer] heeft aangetoond en bewezen gevoelig te zijn voor externe factoren (evenals zijn 'collegae' in Amsterdam bij het 'gerechtshof'), in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en, derhalve, ertoe kunnen leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken en er alles aan is gelegen een interne rechtsorde te creëren en te handhaven die kennelijk niet strookt met het recht van de Unie, hetgeen apert verboden is, maar aan wettelijke verplichtingen heeft [raadsheer] c.s. nu eenmaal maling, zo lang de burger maar ontdaan kan worden van zijn Unierechtelijke aanspraken, dat is het credo in de Nederlandse rechtspraak!! Bewezen en aangetoond, dus geen belediging of anderszins, de naakte waarheid. In mijn conclusie van repliek heb ik al aangetoond dat geen enkel arrest van de Hoge Raad de Nederlanden, het sluitstuk van de mogelijk grootste criminele organisatie van deze wereld, rechtspraak.nl, van de afgelopen 25 jaar voldoet aan de vereisten die de hoogste rechter stelt aan de zelfstandige oplossing van vragen van Unierecht die worden voorgelegd aan de nationale rechter. Dat de Hoge Raad (en uiteraard uw kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke gerechtshof) onbevoegd zijn uitlegging te geven over bepalingen van Unierecht (…) Ja, wat wilt u nog meer? Mij weigeren, omdat ik de kennelijk onrechtmatige rechtspraak van de Hoge Raad niet aanvaard, eenvoudigweg omdat de Hoge Raad kennelijk onbevoegd is? Omdat vaststaat dat de Hoge Raad der Nederlanden gebleken is geen rechter is in de zin van artikel 47 Handvest van de grondrechten, evenals Uw gerechtshof en alle andere nationale rechterlijke instanties?” 4.
- In het hogerberoepschrift van de gemachtigde van belanghebbende van 9 september 2021 (Hofnr. 21/1227) is onder meer het volgende vermeld: “(…) Wetende dat het doorgaans voor Uw gerechtshof niet anders is, daar is misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht en het terzijde stellen van alle fundamentele beginselen van de rechtsstaat teneinde burger te ontdoen van onverschuldigde belasting, ook een kernwaarde, zal ik nog nader grieven (…) [blz. 11] Dat is precies wat er structureel gebeurd als de Hoge Raad der Nederlanden vragen voorgelegd krijgt! De heer Verhoeven heeft de Hoge Raad ontmasktert!!! Daar ben ik beretrots op, mijn klanten idem en wij gaan het faillissement voor de lidstaat Nederland aanvragen… De rechtspraak hanteert een stelsel waarin net zo lang geredeneerd wordt tot de staatskas – onrechtmatig – gevuld wordt. (…) Net zo lang lullen en redeneren tot de justitiabele benadeeld wordt en dat het er leuk en interessant uitziet dat dat de justitiabele zou kunnen gaan denken dat echt nog sprake is van onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak in lidstaat Nederland… Het tegendeel is genoegzaam bewezen. Alles voor de staatskas is het motto!! Lekker met zijn allen aan dezelfde koffieautomaat. [blz. 17] (…) Ja, als je dan niet ongekend kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk bent… Kenmerkend natuurlijk voor de rechtbank en voor deze dienstdoend rechter in het bijzonder. Hij zou zo bij de Hoge Raad kunnen komen werken, hij voldoet aan alle voorwaarden die in lidstaat Nederland gesteld worden aan een rechter, aangetoond en bewezen kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk, met oog voor de staatskas!!! (…)” [blz. 22] Het is niet gebeurd, het recht in deze lidstaat is een utopie. (…). [blz 26] 4.
- Het Hof is van oordeel dat de opgenoemde citaten onaanvaardbaar zijn. De gemachtigde schrijft nog steeds op intimiderende, grievende en beledigende wijze. De door hem ingediende stukken zijn beledigend in de richting van rechters, rechterlijke instanties, de rechtsstaat Nederland en Nederland in het algemeen. In deze zaak zal het Hof daaraan geen gevolgen verbinden behoudens hetgeen hierna wordt overwogen. 4.
- Belanghebbende zelf is meerdere malen, onder andere door middel van de onder 4.1 aangehaalde tussenuitspraak, door het Hof rechtstreeks op de hoogte gesteld van het structureel grievende taalgebruik van haar gemachtigde. Belanghebbende heeft daarin geen aanleiding gezien om een andere (onafhankelijk van Verhoeven opererende) gemachtigde aan te stellen of er op adequate wijze op toe te zien dat haar gemachtigde niet in herhaling zou vallen, zoals thans wederom is gebeurd. Kennelijk accepteert belanghebbende het intimiderende, grievende en beledigende taalgebruik van haar gemachtigde en kan zij zich daarin vinden. De gevolgen van die keuze dienen voortaan voor haar rekening te blijven. Dit houdt in dat zij in voorkomend geval niet meer in de gelegenheid zal worden gesteld om grievende stukken aan te passen, noch om een nieuwe gemachtigde aan te stellen. De desbetreffende stukken zullen dan direct – zonder mogelijkheid tot herstel – buiten beschouwing worden gelaten door het Hof, met als mogelijke consequentie dat het ingestelde rechtsmiddel niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Grieven van de zijde van belanghebbende 4.
- Belanghebbende heeft in de onderhavige (incidentele) hogerberoepen een aantal grieven aangevoerd die door de Hoge Raad reeds zijn verworpen. Het betreft de volgende punten: Oordeel Hoge Raad Vindplaats
- Er kan alleen aanspraak op in een koerslijst voorziene vermindering vanwege een huurverleden (‘ex rental’) worden gemaakt indien de importauto daadwerkelijk een huurverleden heeft. HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331
- Het Unierecht staat niet in de weg aan interne compensatie, ook niet indien de belastingplichtige een fout heeft gemaakt in zijn nadeel als gevolg van een miskenning van het Unierecht. HR 27 mei 2022, nr. 21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752
- De toegang tot de rechter wordt niet ontoelaatbaar beperkt door de heffing van griffierecht. Het arrest Kantarev, C‑571/16 brengt niet met zich dat het griffierecht moet worden beperkt tot maximaal 4 procent van de in geding zijnde vordering. HR 11 oktober 2019, nr. 18/04973, ECLI:NL:HR:2019:1579
- Een verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure hoeft niet te worden behandeld door andere rechters. HR 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623
- Kentekengegevens behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb indien de inspecteur niet over deze gegevens beschikt en daar ook niet over heeft beschikt. HR 15 juli 2022, nr. 21/02565 ECLI:NL:HR:2022:1087
- Het bepaalde in artikel 28c Invorderingswet is niet in strijd met het Unierecht. HR 28 september 2018 nr. 17/01724 ECLI:NL:HR:2018:1790
- Indien een belastingplichtige zich beroept op een vermindering van belasting rust op hem de bewijslast, zowel bij een voldoening op aangifte als bij een naheffingsaanslag. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. HR 17 januari 2020, nr. 18/03802 ECLI:NL:HR:2020:63 HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640
- De forfaitaire regeling voor de vergoeding van proceskosten is niet in strijd met het Unierecht. Hoge Raad 3 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833 Hoge Raad 17 december 2004, C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810 De gemachtigde van belanghebbende blijft deze oordelen van de Hoge Raad telkenmale bestrijden, omdat hij meent dat de Hoge Raad over deze kwesties niet had mogen beslissen zonder eerst op de voet van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Het betoog van belanghebbende, inhoudende dat de Nederlandse rechter – en dus ook de Hoge Raad – niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen, miskent de werking van het Unierecht en de rol die het stellen van prejudiciële vragen daarin speelt. De nationale rechter is juist gehouden het Unierecht zelf toe te passen. Het standpunt dat de Nederlandse belastingrechters in dezen in strijd handelen met het verbod op uitleg van het Unierecht berust op een onjuiste lezing van het CILFIT-arrest (HvJ 6 oktober 1982, Srl CILFIT e.a., 283/91, ECLI:EU:C:1982:335). In al hetgeen belanghebbende in de loop van de procedures over voormelde kwesties heeft aangevoerd ziet het Hof geen aanleiding om anders te oordelen dan de Hoge Raad en evenmin om daarover prejudiciële vragen te stellen op de voet van artikel 267 VWEU. Heffings- en betalingsmodaliteiten 4.
- Het standpunt van belanghebbende dat de heffings- en betalingsmodaliteiten voor importvoertuigen ongunstiger zijn dan voor binnenlandse voertuigen is onjuist. Van strijdigheid met artikel 110 VWEU is geen sprake (Hoge Raad 23 september 2022, 21/02358, ECLI:NL:HR:2022:1277), r.o. 3.3 tot en met 3.4.7). Hoorgesprekken 4.
- Voor een deel van de zaken betoogt belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het hoorrecht niet is geschonden. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Blijkens de stukken van het geding zijn over de onderwerpelijke 551 auto’s diverse hoorgesprekken gevoerd, onder meer op 17 april 2018, 21 maart 2019, 30 april 2019, 28 juni 2019 en 10 juli
- De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 1 mei 2019 aan belanghebbende medegedeeld dat haar gemachtigde Verhoeven met ingang van 1 mei 2019 voor de duur van zes maanden als gemachtigde van belanghebbende werd geweigerd vanwege aanhoudend wangedrag. Daarop is een kantoorgenoot van Verhoeven, A. Zorko, aangewezen als vervanger van Verhoeven, met gebruikmaking van het recht van substitutie zoals opgenomen in de door belanghebbende aan Verhoeven verstrekte volmacht. Dat de nieuwe gemachtigde Zorko er voor heeft gekozen om tijdens het hoorgesprek van 28 juni 2019, niet alle dossiers in te zien, is een keuze die voor rekening van belanghebbende komt. Die keuze heeft niet tot gevolg dat het hoorrecht is geschonden. Dat zou anders zijn als belanghebbende als gevolg van een omstandigheid die voor rekening van de inspecteur moet blijven, niet gebruik kon maken van de aan haar geboden gelegenheid om te worden gehoord. Het bestaan van een dergelijke voor rekening van de inspecteur komende omstandigheid is echter gesteld noch gebleken. Uit de stukken volgt dat de gemachtigde van belanghebbende is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 7 mei
- Zorko heeft op 2 mei 2019 met de inspecteur gebeld en gevraagd om verdaging van die hoorzitting wegens vakantie van [A] . Omdat [A] gemachtigde noch een partij is, heeft de inspecteur in de verhindering van [A] geen aanleiding gezien om het verdagingsverzoek te honoreren. Dat Zorko, die zelf niet verhinderd was op 7 mei 2019, er vervolgens voor heeft gekozen om – hoewel zijn verdagingsverzoek niet was gehonoreerd – niet te verschijnen, is een keuze die voor rekening van belanghebbende komt. Aan het vorenoverwogene doet niet af dat de inspecteur aan Zorko heeft geschreven: ‘Ik heb dan ook besloten uw afzegging te beschouwen als het afzien van het recht gehoord te worden’. Deze (onjuiste) mededeling plaatst het Hof in de context van het telefoongesprek van 2 mei 2019, waarin Zorko zonder voorbehoud heeft verklaard dat – als er niet zou worden verdaagd – hij niet zou verschijnen. Deze keuze van Zorko doet er naar ’s Hofs oordeel niet aan af dat de inspecteur belanghebbende, ook op 7 mei 2019, in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Gelet op de generieke aard van de door belanghebbende aangevoerde grieven en gelet op de omstandigheid dat over de van belang zijnde feiten tussen partijen geen verschil van inzicht bestaat en heeft bestaan, vermag het Hof overigens niet in te zien waarom belanghebbende op verschillende data over telkens dezelfde grieven gehoord zou moeten worden. Voor zover in de serie gevoerde hoorgesprekken auto’s tussen de wal en het schip zijn gevallen – hetgeen het Hof niet is gebleken – dient daar, waar nodig met toepassing van artikel 6:22 Awb, aan voorbij te worden gegaan, nu belanghebbende daardoor niet is benadeeld. De (incidentele) hoger beroepen van belanghebbende falen ook in zoverre. CO2-uitstootwaarde 4.
- De rechtbank heeft voor een groot aantal auto’s geoordeeld dat de CO2-uitstootwaarde die ten grondslag ligt aan de berekening van het bpm-bedrag dat belanghebbende op aangifte heeft voldaan, dient te worden verminderd met 6 gram per kilometer, omdat zonder deze vermindering niet is uitgesloten dat over deze importauto’s meer bpm wordt geheven dan het bpm-bedrag dat nog drukt op een vergelijkbare binnenlandse auto, hetgeen strijdig is met het bepaalde in artikel 110 VWEU. De rechtbank heeft dit oordeel onderbouwd met een verwijzing naar wijzigingen die in 2017 en 2018 zijn doorgevoerd in de methode waarmee de CO2-uitstoot van auto’s wordt vastgesteld. De inspecteur betoogt in hoger beroep dat dit oordeel van de rechtbank onjuist is, omdat de door de rechtbank genoemde wijzigingen in de gebruikte methode voor de vaststelling van de CO2-uitstoot enkel van belang zijn voor de registratie van nieuwe auto’s en geen invloed hebben op de reeds vastgestelde CO2-uitstoot van gebruikte auto’s, zoals de importauto’s in geding. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat het oordeel van de rechtbank dat artikel 110 VWEU is geschonden juist is, maar dat daarom per auto een vermindering van de uitstootwaarde met 45 gram per kilometer had moeten plaatsvinden en niet een vermindering met slechts 6 gram per kilometer. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. 4.
- De rechtbank heeft in de bestreden uitspraken geoordeeld dat “op de belastingplichtige die zich beroept op vermindering van de door hem op aangifte voldane BPM, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien eiseres [Hof: belanghebbende] erin is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat – die feiten in aanmerking genomen – de geheven belasting niet in strijd is met de in artikel 110 VWEU.” Op de inspecteur rust volgens de rechtbank alsdan de bewijslast om aannemelijk te maken dat van de door belanghebbende ingevoerde auto’s niet meer bpm is geheven dan nog rust op een vergelijkbare binnenlandse auto (d.w.z. een vergelijkbare auto die, op de datum waarop de importauto in de desbetreffende lidstaat is geregistreerd, in Nederland is geregistreerd). Het Hof volgt de rechtbank niet in deze bewijslastverdeling. De heffing van bpm vindt plaats door middel van voldoening op aangifte. Dit betekent dat de belastingplichtige zelf verantwoordelijk is voor de berekening van het verschuldigde bedrag aan bpm dat hij op aangifte voldoet. In het geval van een geschil over een op aangifte voldaan bedrag aan bpm rust op de belastingplichtige de plicht om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat minder bpm is verschuldigd dan hij op aangifte heeft voldaan. Deze verdeling van de bewijslast is niet in strijd met het Unierecht, waaronder artikel 110 VWEU. Dit is slechts anders indien het voor de belastingplichtige onmogelijk of uiterst moeilijk is om het vereiste bewijs te leveren (vgl. Hoge Raad 15 juli 2022, nr. 21/02565, ECLI:NL:HR:2022:1087, r.o. 3.1.4 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Anders dan waar de rechtbank vanuit is gegaan rust de stelplicht en bewijslast dat van de importauto’s meer bpm is geheven dan nog rust op vergelijkbare binnenlandse auto’s derhalve op belanghebbende en niet op de inspecteur. 4.
- In artikel 9 van de Wet bpm is bepaald dat bpm wordt geheven per gram CO2 die door het desbetreffende voertuig (hierna: auto) wordt uitgestoten. In artikel 9, lid 11, van de Wet bpm is bepaald op welke wijze de CO2-uitstoot voor de toepassing van de Wet bpm wordt vastgesteld. Deze meetmethode is met ingang van 1 juli 2020 gewijzigd: Tot 1 juli 2020 werd de grondslag voor de heffing van bpm gevormd door de CO2-uitstootwaarde die is vastgesteld overeenkomstig bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli
- Dit is de methode die wordt aangeduid als de ‘New European Driving Cycle’ (hierna: NEDC). Met ingang van 1 juli 2020 wordt de grondslag voor de heffing van bpm gevormd door de CO2-uitstootwaarde die is vastgesteld overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni
- Dit is de methode die wordt aangeduid als de ‘Worldwide harmonised Light-duty vehicles Test Procedures’-methode (hierna: WLTP). De WLTP leidt doorgaans tot een hogere uitstootwaarde dan de NEDC. Om te voorkomen dat de overgang van de NEDC naar de WLTP de bpm-druk verhoogt, is eveneens per 1 juli 2020 in artikel 9 van de Wet bpm het tarief per gram per kilometer verlaagd en de lengte van de tariefschijven aangepast. 4.
- Artikel 6a, lid 2, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling bpm bepaalt dat de voormelde CO2-uitstootwaarde (primair) blijkt uit de voor het desbetreffende type auto afgegeven typegoedkeuring, dan wel het daarop gebaseerde ‘certificaat van overeenstemming’. Ook voor typegoedkeuringen is de wijze waarop de CO2-uitstoot wordt vastgesteld gewijzigd van de NEDC in de WLTP. De datum waarop voor de typegoedkeuring van auto’s de overstap is gemaakt van de NEDC naar de WLTP is echter niet gelijk aan de datum waarop voor de heffing van bpm deze overstap is gemaakt (1 juli 2020). Voor vaststelling van de CO2-uitstoot ten behoeve van de EU-typegoedkeuring kunnen de volgende perioden worden onderscheiden: Periode Methode Vindplaats
- tot 1 september 2017 NEDC
- van 1 september 2017 tot 1 september 2018 WLTP, maar enkel voor nieuwe typen auto’s; op 1 september 2017 bestaande typegoedkeuringen op basis van de NEDC blijven in deze periode geldig Verordening 2017/1151, artikel 15, lid 2
- vanaf 1 september 2018 WLTP Verordening 2017/1151, artikel 15, lid 3 4.
- Toepassing van de WLTP leidt doorgaans tot een hogere uitstootwaarde dan de NEDC. Om te voorkomen dat de gewijzigde meetmethode in de periode van 1 september 2017 tot 1 juli 2020 zou leiden tot een hogere bpm-druk, werd in deze periode de WLTP-waarde omgerekend naar een (veelal lagere) waarde die (bij benadering) overeenkomt met de CO2-uitstoot die zou zijn bevonden bij gebruik van de NEDC. Artikel 9, lid 12, Wet bpm bepaalde daartoe van 27 juni 2017 tot en met 30 juni 2020 het volgende: “
- Indien de CO2-uitstoot niet is gemeten overeenkomstig de [NEDC] maar is gemeten overeenkomstig [de WLTP], wordt voor de toepassing van dit artikel de aldus gemeten CO2-uitstoot herrekend overeenkomstig de correlatiemethode bedoeld in de Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 van de Commissie van 2 juni 2017 tot vaststelling van een methode voor het bepalen van de correlatieparameters die nodig zijn om veranderingen in de regelgevende testprocedure weer te geven, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1014/2010 (PbEU 2017, L 175).” De uitkomst van deze omrekening van een WLTP-uitstootwaarde naar een NEDC-uitstootwaarde wordt in de uitvoeringspraktijk veelal aangeduid met de term ‘NEDC-2’. Deze NEDC-2-waarde vormde – in alle gevallen waarin bij de typegoedkeuring van de desbetreffende auto de WLTP was toegepast voor de vaststelling van de CO2-uitstootwaarde – tot 1 juli 2020 de grondslag waarop het tarief van artikel 9 Wet bpm werd toegepast. 4.
- Belanghebbende heeft in eerste aanleg betoogd dat voor voertuigen met een datum van eerste toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020, als gevolg van de overgang van de NEDC naar de WLTP, structureel teveel bmp is geheven van importauto’s uit andere EU-lidstaten. Zij heeft in dit verband verwezen naar een artikel in het weekblad Autoweek en het in dat artikel aan de orde gestelde rapport van KPMG, opgesteld in opdracht van de BOVAG en de RAI Vereniging. Ook heeft zij verwezen naar de uitkomsten van een onderzoek van TNO dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Financiën. Uit de rapporten van KPMG en TNO volgt dat de WLTP-uitstootwaarde, na omrekening tot een NEDC-2-uitstootwaarde, gemiddeld 7,3 gr/km (KPMG) respectievelijk 5,8 gr/km (TNO) hoger is dan de ‘oude’ NEDC-waarde. De rechtbank heeft geoordeeld dat de grief van belanghebbende slaagt en heeft voor een groot aantal auto’s de op aangifte voldane bpm verlaagd. De rechtbank is daarbij, in goede justitie, uitgegaan van een verlaging van de uitstootwaarde met 6 gram per kilometer. Voor zover het hoger beroep van de inspecteur en het principaal dan wel incidenteel hoger beroep van belanghebbende zich richt tegen dit oordeel van de rechtbank overweegt het Hof als volgt. 4.
- De in overweging 4.12 genoemde veranderingen betreffen de wijze waarop de CO2-uitstoot wordt vastgesteld bij de typegoedkeuring van nieuwe auto’s. Deze wijzigingen hebben geen invloed op de reeds vastgestelde CO2-uitstootwaarde van gebruikte auto’s, ook niet indien deze worden geïmporteerd uit andere lidstaten van de Europese Unie. Voor gebruikte auto’s is de CO2-uitstoot in het verleden vastgesteld en geregistreerd aan de hand van de op dat moment geldende typgoedkeuring en het daarop gebaseerde certificaat van overeenstemming. De door belanghebbende genoemde rapportages van KPMG en TNO betreffen een andere kwestie, namelijk de vraag of in de overgangsperiode van 1 september 2017 tot 1 juli 2020 bij de registratie van nieuwe auto’s sprake was van een hogere bpm-druk dan vóór 1 september
- De bevindingen van KPMG en TNO bieden reeds daarom geen steun voor het standpunt van belanghebbende dat in genoemde periode teveel bpm is geheven over gebruikte auto’s uit andere EU-lidstaten. 4.
- Van de onderhavige 551 auto’s hebben er 442 een datum van eerste toelating (in een andere EU-lidstaat) die is gelegen vóór 1 september
- Voor deze auto’s is de CO2-uitstoot op de datum van eerste toelating in de desbetreffende lidstaat vastgesteld aan de hand van het certificaat van overeenstemming. In het certificaat van overeenstemming verklaart de fabrikant dat de auto overeenstemt met de aan hem verleende typegoedkeuring. De CO2-uitstootwaarde van deze auto’s, vastgesteld conform de NEDC, is daarmee een vaststaand gegeven, dat niet wijzigt bij export naar Nederland. Bij registratie van deze auto’s in Nederland is derhalve dezelfde CO2-uitstootwaarde als heffingsmaatstaf gehanteerd als voor auto’s die met dezelfde datum van eerste toelating in Nederland zijn geregistreerd. 4.
- Van de 551 auto’s hebben er 106 een datum van eerste toelating (in een andere EU-lidstaat) die is gelegen tussen 1 september 2017 en 1 september
- Ook voor deze auto’s is de CO2-uitstoot op de datum van eerste toelating in de desbetreffende lidstaat vastgesteld aan de hand van het certificaat van overeenstemming. De CO2-uitstoot van deze auto’s is dus vastgesteld conform de NEDC, tenzij het een nieuw type auto betreft waarvoor tussen 1 september 2017 en 1 september 2018 voor het eerst een typegoedkeuring is afgegeven: dan is de CO2-uitstoot vastgesteld conform de WLTP (zie 4.12) en is deze WLTP-waarde voor de heffing van bpm omgerekend naar een NEDC-2-waarde. Zowel de voor de NEDC-auto’s als de WLTP-auto’s is de bij eerste toelating geregistreerde CO2-uitstootwaarde een vaststaand gegeven, dat niet wijzigt bij export naar Nederland. Bij registratie van deze auto’s in Nederland is derhalve dezelfde CO2-uitstootwaarde als heffingsmaatstaf gehanteerd als voor vergelijkbare auto’s die met dezelfde datum van eerste toelating in Nederland zijn geregistreerd. 4.
- Drie van de 551 auto’s (rechtbanknrs. 19/4549, 19/4297 en 19/4290) hebben een datum van eerste toelating (in een andere EU-lidstaat) na 1 september 2018, maar voor 1 september
- Uitsluitend voor deze drie auto’s zou de door de rechtbank in haar overwegingen genoemde “restantvoorraadregeling” van artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2007/46/EG van belang kunnen zijn, doch alleen als voor die drie auto’s
(1)in de lidstaat van eerste toelating geen gebruik is gemaakt van de restantvoorraadregeling en
(2)er op de Nederlandse markt voor gebruikte auto’s vergelijkbare auto’s worden aangeboden waarvoor wel gebruik is gemaakt van deze regeling. Belanghebbende dient te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat op het tijdstip van de registratie van de importauto in Nederland gebruikte motorrijtuigen in de handel waren die gelijksoortig zijn aan de importauto en waarvan, op of omstreeks de datum van eerste toelating van de importauto in de desbetreffende EU-lidstaat, in Nederland bpm is geheven op basis van een ‘oude’ NEDC-uitstootwaarde (vgl. mutatis mutandis Hoge Raad 9 april 2021, nr. 20/00708, ECLI:NL:HR:2021:517). Belanghebbende heeft niet aan deze stelplicht voldaan. Het dient er daarom ook voor meergenoemde drie auto’s voor te worden gehouden dat er voor de berekening van de verschuldigde bpm geen andere CO2-uitstootwaarde is gehanteerd dan voor vergelijkbare auto’s die met dezelfde datum van eerste toelating in Nederland zijn geregistreerd. 4.
- Gelet op het vorenoverwogene is voor geen van de 551 auto’s aannemelijk gemaakt dat er een hogere CO2-uitstootwaarde als heffingsgrondslag is gehanteerd dan de CO2-uitstootwaarde die is toegepast bij de registratie van vergelijkbare Nederlandse auto’s. Derhalve slaagt de grief van de inspecteur betreffende de CO2-uitstoot: de rechtbank heeft in voorkomend geval de uitstootwaarde ten onrechte met 6 gram per kilometer verminderd. Het standpunt van belanghebbende dat voor alle auto’s de uitstootwaarde dient te worden verminderd met 45 gram per kilometer wordt, gelet op het vorenoverwogene, verworpen. Bij deze stand van het geding behoeft het standpunt van belanghebbende dat de rechtbank de door haar bepaalde vermindering van de bruto-bpm vanwege de vermindering van de uitstootwaarde met 6 gr/km voor de berekening van de afschrijving in voorkomend geval ten onrechte heeft doorberekend in de nieuwprijs, geen behandeling. 4.
- Uit het vorenoverwogene volgt dat de uitspraken van de rechtbank waarin zij een teruggaaf heeft verleend vanwege meergenoemde vermindering van de CO2-uitstootwaarde met 6 gram per kilometer, (in zoverre) dienen te worden vernietigd. 4.20.
- Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende, in voorkomend geval na interne compensatie, wél in aanmerking komt voor de door de rechtbank toegekende teruggaven vanwege extra leeftijdskorting, een lager tussenliggend tarief en/of de toepassing van artikel 16a Wet bpm (overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020, nr. 18/02168, ECLI:NL:HR:2020:821). In een 12-tal gevallen is de door de rechtbank toegekende teruggaaf uitsluitend gebaseerd op voornoemde gronden (zie bijlage 1). In 58 gevallen is de door de rechtbank verleende teruggaaf zowel gebaseerd op voornoemde gronden als op de verlaging van de CO2-uitstootwaarde met 6 gr/km en resteert er daarom na het schrappen van de CO2-correctie (en in voorkomend geval na interne compensatie) nog een aan belanghebbende te verlenen teruggaaf (zie bijlage 2). 4.20.
- Voor de zaken vermeld in bijlage 3 resteert na het schrappen van de door de rechtbank toegepaste CO2-correctie geen terug te geven bedrag. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg dient in deze zaken (voor zover van toepassing) de door de rechtbank toegekende vergoeding van het griffierecht in stand te blijven. De in deze uitspraken toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 54,50 dient te worden vernietigd, omdat overschrijding van de redelijke termijn van berechting geen aanleiding vormt voor het toekennen van een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. 4.20.
- In de overige uitspraken heeft de rechtbank geen CO2-correctie toegepast en de desbetreffende beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard (zie eveneens bijlage 1). Vergoeding van immateriële schade 4.
- De inspecteur betoogt in hoger beroep dat de rechtbank in haar uitspraak met nummer HAA 19/3551 ten onrechte (voor alle beroepen tezamen) een vergoeding van immateriële schade (van € 10.000) heeft toegekend aan belanghebbende, wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Belanghebbende voldoet weliswaar de bpm op aangifte en vraagt het kenteken aan, maar zij verricht deze handelingen in haar rol van serviceverlener bij de import van auto’s. Omdat belanghebbende de bpm afwentelt op haar cliënten is van spanning en frustratie bij belanghebbende geen sprake, aldus de inspecteur. Naar ’s Hofs oordeel vindt voormeld standpunt geen steun in het door de inspecteur genoemde arrest Hoge Raad 5 november 2021, nr. 21/00392, ECLI:NL:HR:2021:
- Uit genoemd arrest volgt dat een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting achterwege kan blijven indien redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat degene die bezwaar heeft gemaakt niet behoort tot degenen die op grond van artikel 26a AWR in samenhang gelezen met artikel 7:1 Awb bezwaar kunnen maken. Indien in een dergelijk geval degene die niet gerechtigd is een rechtsmiddel aan te wenden toch dat rechtsmiddel aanwendt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij diegene heeft veroorzaakt, aldus de Hoge Raad. In casu staat vast dat belanghebbende wél degene is die het recht van bezwaar toekomt: zij heeft immers de bpm op aangifte voldaan. Genoemd arrest mist daarom toepassing. Vergoeding griffierecht 4.
- De inspecteur betoogt in hoger beroep dat hij in de zaken HAA 19/2490, HAA 19/2602, HAA 19/2632, HAA 19/3955, HAA 19/4308, HAA 19/4382, HAA 19/4959 en HAA19/2500 ten onrechte door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. Deze grief faalt. Zoals door de rechtbank in genoemde uitspraken met juistheid is overwogen brengt de omstandigheid dat zij (in haar uitspraak in zaak HAA 19/3551 voor alle beroepen tezamen) een vergoeding van immateriële schade heeft toegekend vanwege overschrijding van de redelijke behandeltermijn, met zich dat het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, van de Awb door de inspecteur aan belanghebbende dient te worden vergoed (Hoge Raad 30 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.1). Proceskostenvergoeding rechtbank 4.
- Belanghebbende betoogt dat de rechtbank de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase op een te laag bedrag heeft vastgesteld. De voor de bezwaarfase toegekende vergoeding van € 54,50 per gegrond beroep, is niet in geschil. De rechtbank heeft in de zaak met rechtbanknummer HAA 19/3551 voor alle 551 beroepen tezamen één vergoeding vastgesteld voor de kosten van de beroepsfase en heeft in alle overige uitspraken naar deze (moeder)uitspraak verwezen. Artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van de forfaitaire vergoedingsregels van artikel 2, lid 1, BPB af te wijken. De rechtbank heeft, deugdelijk gemotiveerd, van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Zij heeft wel aansluiting gezocht bij de reguliere berekeningswijze van de forfaitaire proceskostenvergoeding, maar heeft – met toepassing van het bepaalde in artikel 2, lid 3, BPB – een afwijkende (hogere) puntentelling toegepast, waardoor het puntentotaal optelt tot 8,
- Op basis van deze puntentelling heeft de rechtbank de vergoeding voor de beroepsfase voor alle beroepen tezamen berekend op 8,5 x € 534 x 1 (= wegingsfactor) = € 4.
- 4.
- Belanghebbende betoogt in het principaal hoger beroep dat zij heeft ingesteld tegen voormelde uitspraak HAA 19/3551 (zaaknummer Hof: 21/1227) dat in het BPB per 1 juli 2021 voor bpm-zaken ten onrechte een lagere puntwaarde (€ 534) wordt gehanteerd dan voor andere belastingen (€ 748). Nu de rechtbank zich bij de toepassing van artikel 2, lid 3, van het BPB heeft gebaseerd op de lagere puntwaarde is de vergoeding te laag vastgesteld, aldus belanghebbende. Deze grief slaagt. In zijn arrest van 27 mei 2022, nr. 21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voornoemd tariefverschil in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar betoog dat de wegingsfactor dient te worden verhoogd tot 2, omdat sprake zou zijn van “complexe, moeilijke, gespecialiseerde, Unierechtelijke geschillen”, nu van dergelijke geschillen naar ’s Hofs oordeel geen sprake is. Het Hof zal de door de rechtbank met toepassing van artikel 2, lid 3, BPB gemaakte berekening in stand laten, met dien verstande dat de reguliere puntwaarde (thans: € 759) wordt gehanteerd. De vergoeding voor het beroep in eerste aanleg komt daarmee op 8,5 x € 759 x 1 = € 6.451,
- Slotsom 4.
- De slotsom is dat de hoger beroepen van de inspecteur gegrond zijn voor zover zij zich richten tegen de door de rechtbank toegepaste vermindering van de CO2-uitstootwaarden met 6 gr/km (zie r.o. 4.20) en dat het principaal hoger beroep van belanghebbende met nummer 21/1227 gegrond is voor zover daarin wordt opgekomen tegen de in de uitspraak met nummer HAA 19/3551 door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepen in eerste aanleg (zie r.o. 4.23 en 4.24). 5Proceskosten Het Hof vindt, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.24, ter zake van het principaal hoger beroep van belanghebbende met nummer 21/1227 aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het BPB stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het BPB opgenomen tarief op: 2 [hogerberoepschrift + zitting] x € 759 x 0,5 (wegingsfactor) = €
- 6Beslissing Uitspraak HAA 19/3551 (HB inspecteur nr. 21/00619 en HB belanghebbende nr. 21/1227): Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade (€ 10.000, voor alle beroepen tezamen); - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor het beroep bij de rechtbank (voor alle beroepen tezamen) tot een bedrag van € 6.451,50 (zie 4.24); - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep tot een bedrag van € 759; - gelast de inspecteur aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht ad € 541 te vergoeden; - beslist dat, indien voormelde bedragen aan proceskosten, immateriële schade en vergoeding van griffierecht niet tijdig worden vergoed, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening. Uitspraken vermeld in bijlage 1: Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Uitspraken vermeld in bijlage 2: Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft het daarin vermelde terug te geven bedrag; - draagt de inspecteur op aan belanghebbende teruggaaf te verlenen van het bedrag vermeld in de voorlaatste kolom van bijlage 2; - bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. Uitspraken genoemde in bijlage 3: Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens (voor zover van toepassing) de beslissing inzake de vergoeding van het griffierecht en de wettelijke rente daarover; - verklaart het beroep ongegrond. De uitspraken zijn gedaan door mrs. B.A. van Brummelen , voorzitter, F.J.P.M. Haas en C.J. Hummel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 10 november 2022 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Bijlage 1: Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. HB insp. Principaal HB belangh. Nummer Rechtbank Dictum Rechtbank Teruggaaf Rechtbank 1 21/00577 HAA 19/3291 gegrond € 6,00 2 21/00578 HAA 19/3292 ongegrond 3 21/00579 HAA 19/3293 ongegrond 4 21/00583 HAA 19/3355 ongegrond 5 21/00586 HAA 19/3358 ongegrond 6 21/00589 HAA 19/3361 ongegrond 7 21/00590 HAA 19/3362 ongegrond 8 21/00596 HAA 19/3369 ongegrond 9 21/00601 HAA 19/3374 ongegrond 10 21/00602 HAA 19/3517 ongegrond 11 21/00606 HAA 19/3521 ongegrond 12 21/00610 HAA 19/3531 ongegrond 13 21/00611 HAA 19/3532 ongegrond 14 21/00613 HAA 19/3534 ongegrond 15 21/00614 HAA 19/3535 ongegrond 16 21/00623 HAA 19/3555 ongegrond 17 21/00626 HAA 19/3558 ongegrond 18 21/00627 HAA 19/3559 ongegrond 19 21/00631 HAA 19/3563 ongegrond 20 21/00632 HAA 19/3638 ongegrond 21 21/00634 HAA 19/3640 ongegrond 22 21/00635 HAA 19/3641 ongegrond 23 21/00638 HAA 19/3644 gegrond € 169,00 24 21/00640 HAA 19/3646 gegrond € 795,00 25 21/00642 HAA 19/3648 ongegrond 26 21/00644 HAA 19/3652 ongegrond 27 21/00653 21/01232 HAA 19/3684 ongegrond 28 21/00658 HAA 19/3696 ongegrond 29 21/00663 HAA 19/3702 ongegrond 30 21/00666 HAA 19/3718 ongegrond 31 21/00672 HAA 19/3743 ongegrond 32 21/00677 HAA 19/3748 ongegrond 33 21/00678 HAA 19/3749 ongegrond 34 21/00680 HAA 19/3751 gegrond € 115,00 35 21/00692 HAA 19/3763 ongegrond 36 21/00698 HAA 19/3859 ongegrond 37 21/00699 HAA 19/3860 ongegrond 38 21/00708 HAA 19/3869 ongegrond 39 21/00711 HAA 19/3872 ongegrond 40 21/00714 HAA 19/3875 ongegrond 41 21/00722 HAA 19/3884 ongegrond 42 21/00725 HAA 19/3954 gegrond € 2.198,00 43 21/00726 HAA 19/3955 ongegrond 44 21/00727 HAA 19/4001 ongegrond 45 21/00737 HAA 19/4012 ongegrond 46 21/00739 HAA 19/4382 ongegrond 47 21/00740 HAA 19/4541 ongegrond 48 21/00744 HAA 19/4627 gegrond € 172,00 49 21/00746 HAA 19/4629 ongegrond 50 21/00748 HAA 19/4913 gegrond € 582,00 51 21/00749 HAA 19/4959 ongegrond 52 21/00752 HAA 19/2336 ongegrond 53 21/00753 HAA 19/2337 ongegrond 54 21/00760 HAA 19/2345 ongegrond 55 21/00779 HAA 19/2490 ongegrond 56 21/00781 HAA 19/2500 gegrond n.v.t. 57 21/00783 HAA 19/2602 ongegrond 58 21/00785 HAA 19/2632 ongegrond 59 21/00789 HAA 19/2636 ongegrond 60 21/00796 HAA 19/2646 ongegrond 61 21/00799 HAA 19/2650 ongegrond 62 21/00831 HAA 19/2700 ongegrond 63 21/00835 HAA 19/2704 ongegrond 64 21/00837 HAA 19/2706 ongegrond 65 21/00842 HAA 19/2711 gegrond € 383,00 66 21/00845 HAA 19/2718 ongegrond 67 21/00856 HAA 19/2729 ongegrond 68 21/00859 HAA 19/2733 ongegrond 69 21/00863 HAA 19/2753 ongegrond 70 21/00871 HAA 19/2768 ongegrond 71 21/00878 HAA 19/2775 ongegrond 72 21/00892 HAA 19/2789 gegrond € 181,00 73 21/00893 HAA 19/2790 ongegrond 74 21/00894 HAA 19/2791 ongegrond 75 21/00897 HAA 19/2794 ongegrond 76 21/00898 HAA 19/2795 ongegrond 77 21/00904 HAA 19/2836 ongegrond 78 21/00908 HAA 19/2847 gegrond € 1.799,00 79 21/00912 21/01160 HAA 19/4233 ongegrond 80 21/00915 21/01163 HAA 19/4236 ongegrond 81 21/00916 21/01164 HAA 19/4237 ongegrond 82 21/00918 21/01166 HAA 19/4239 ongegrond 83 21/00919 21/01167 HAA 19/4240 ongegrond 84 21/00920 21/01168 HAA 19/4241 ongegrond 85 21/00924 21/01172 HAA 19/4245 ongegrond 86 21/00927 21/01175 HAA 19/4248 ongegrond 87 21/00928 21/01176 HAA 19/4249 ongegrond 88 21/00929 21/01177 HAA 19/4250 ongegrond 89 21/00932 21/01180 HAA 19/4253 ongegrond 90 21/00938 21/01186 HAA 19/4259 ongegrond 91 21/00941 21/01189 HAA 19/4262 ongegrond 92 21/00942 21/01190 HAA 19/4263 ongegrond 93 21/00945 21/01193 HAA 19/4266 ongegrond 94 21/00949 21/01197 HAA 19/4270 ongegrond 95 21/00957 21/01205 HAA 19/4278 ongegrond 96 21/00960 21/01208 HAA 19/4281 ongegrond 97 21/00962 21/01210 HAA 19/4283 ongegrond 98 21/00965 21/01213 HAA 19/4286 ongegrond 99 21/00966 21/01214 HAA 19/4287 ongegrond 100 21/00969 21/01217 HAA 19/4290 ongegrond 101 21/00970 21/01218 HAA 19/4291 ongegrond 102 21/00971 21/01219 HAA 19/4292 ongegrond 103 21/00974 21/01222 HAA 19/4295 ongegrond 104 21/00976 21/01224 HAA 19/4297 ongegrond 105 21/00977 21/01225 HAA 19/4298 ongegrond 106 21/00978 21/01226 HAA 19/4299 ongegrond 107 21/00980 HAA 19/4308 ongegrond 108 21/00983 HAA 19/4403 gegrond € 44,00 109 21/00985 HAA 19/4406 ongegrond 110 21/00998 HAA 19/4419 ongegrond 111 21/01000 HAA 19/4421 ongegrond 112 21/01004 HAA 19/4425 ongegrond 113 21/01005 HAA 19/4426 ongegrond 114 21/01006 HAA 19/4427 ongegrond 115 21/01007 HAA 19/4428 ongegrond 116 21/01008 HAA 19/4429 ongegrond 117 21/01009 HAA 19/4430 ongegrond 118 21/01011 HAA 19/4432 gegrond € 853,00 119 21/01012 HAA 19/4433 ongegrond 120 21/01014 HAA 19/4435 ongegrond 121 21/01019 HAA 19/4510 ongegrond 122 21/01031 HAA 19/4549 ongegrond 123 21/01036 HAA 19/4554 ongegrond 124 21/01038 HAA 19/4556 ongegrond 125 21/01059 HAA 19/4577 ongegrond 126 21/01063 HAA 19/4581 ongegrond 127 21/01077 HAA 19/4596 ongegrond 128 21/01084 HAA 19/4603 ongegrond 129 21/01102 HAA 19/4648 ongegrond 130 21/01108 HAA 19/2400 ongegrond 131 21/01110 HAA 19/2717 ongegrond 132 21/01113 HAA 19/2838 ongegrond 133 21/01114 HAA 19/2843 ongegrond 134 21/01115 HAA 19/3288 ongegrond 135 21/01121 HAA 19/3795 ongegrond € 7.297 Proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase die door rechtbank is toegekend blijft in stand: 13 x € 54,50 = € 708,
- Bijlage 2: Hof vernietigt uitspraak van de rechtbank en stelt de teruggaaf vast op een lager bedrag. ELK = extra leeftijdskorting TLT = tussenliggend tarief Art. 16a = geslaagd beroep op Hoge Raad 1 mei 2020, nr. 18/02168, ECLI:NL:HR:2020:821 nr. HB insp. Principaal HB belangh. Rb-nummer Chassisnummer Terug- gaaf Reden 1 21/00574 HAA 19/3282 WBA1A110X0E925889 € 15 ELK 2 21/00580 HAA 19/3294 SJNFCAJ11U1319349 € 71 16a 3 21/00582 HAA 19/3354 ZAMTP56B001178151 € 135 ELK 4 21/00595 HAA 19/3368 SALLAAAG6EA700791 € 994 16a 5 21/00616 HAA 19/3537 YV1DZARCDG2875900 € 280 16a 6 21/00618 HAA 19/3550 WBAZW61020L579267 € 444 16a 7 21/00628 HAA 19/3560 WDD2183681A177551 € 1.071 16a 8 21/00636 HAA 19/3642 WBA3H11000KV73282 € 58 ELK 9 21/00637 HAA 19/3643 WVWZZZ3CZGE162738 € 286 16a 10 21/00656 HAA 19/3694 WDD2073261F243519 € 43 ELK 11 21/00659 HAA 19/3697 ZAMTP56B001078989 € 118 16a 12 21/00665 HAA 19/3704 WAUZZZ4M9HD039170 € 1.182 16a 13 21/00682 HAA 19/3753 WAUZZZ4G1GN142103 € 245 16a 14 21/00715 HAA 19/3876 WBAWZ510300U78938 € 131 ELK 15 21/00729 HAA 19/4004 WBAHS910X05H66725 € 198 16a 16 21/00734 HAA 19/4009 WAUZZZ8T6GA034252 € 287 16a 17 21/00742 HAA 19/4543 VF34J5FU8BP006438 € 23 ELK 18 21/00743 HAA 19/4544 SALWA2KF4EA304897 € 710 16a 19 21/00745 HAA 19/4628 TMBJF75L6G6050830 € 539 16a 20 21/00754 HAA 19/2338 WBA3K31070F672512 € 128 16a 21 21/00758 HAA 19/2343 WBA2D310205C65521 € 29 ELK 22 21/00762 HAA 19/2347 WBA5D31090GV81626 € 78 ELK 23 21/00763 HAA 19/2348 WDD2462431J438556 € 357 16a 24 21/00769 HAA 19/2354 WAUZZZF48GA030926 € 222 16a 25 21/00773 HAA 19/2358 SALCA2BC8FH521452 € 1.141 16a 26 21/00786 HAA 19/2633 VF7XCAHZ4DZ057804 € 371 ELK + 16a 27 21/00792 HAA 19/2642 TMBLD7NS3J8052696 € 717 16a 28 21/00811 HAA 19/2674 WDD2130041A152272 € 246 ELK + 16a 29 21/00813 HAA 19/2676 WBA1C71050J948002 € 123 ELK + 16a 30 21/00814 HAA 19/2677 WAUZZZ4G3DN027174 € 1.118 ELK + 16a 31 21/00825 HAA 19/2690 WAUZZZ8U3ER057785 € 166 16a 32 21/00830 HAA 19/2699 TMBJK7NE8E0134757 € 66 ELK 33 21/00833 HAA 19/2702 WDD2052641F602618 € 225 ELK 34 21/00834 HAA 19/2703 WBAXB31030DW51900 € 173 ELK 35 21/00838 HAA 19/2707 WBSDX91030E371343 € 3.571 16a 36 21/00841 HAA 19/2710 WP0ZZZ99ZES113014 € 539 16a 37 21/00843 HAA 19/2715 WP0ZZZ98ZFS130240 € 97 ELK 38 21/00844 HAA 19/2716 WAUZZZ8U3ER119301 € 38 16a 39 21/00849 HAA 19/2722 WDC2539461F211447 € 187 16a 40 21/00867 HAA 19/2757 WAUZZZ8U2FR012872 € 221 16a 41 21/00883 HAA 19/2780 WDC2539461F221347 € 220 16a 42 21/00900 HAA 19/2797 WBA1C31080P545945 € 175 16a 43 21/00901 HAA 19/2812 WUAZZZ4227N000272 € 44 ELK 44 21/00909 HAA 19/2848 WAUZZZ8R1HA051451 € 241 16a 45 21/00955 21/01203 HAA 19/4276 WBSKT610600S99911 € 398 ELK 46 21/00988 HAA 19/4409 JMZGL696601500116 € 273 ELK 47 21/00989 HAA 19/4410 1FA6P8CF9F5410639 € 362 ELK 48 21/00990 HAA 19/4411 WAUZZZ8V9HA141167 € 42 ELK 49 21/00991 HAA 19/4412 WP1ZZZ92ZGLA71372 € 208 ELK 50 21/00993 HAA 19/4414 WBA3V11040P963250 € 48 ELK 51 21/01016 HAA 19/4507 WDC1660241A520532 € 1.255 16a 52 21/01017 HAA 19/4508 WDC2533051F207490 € 409 16a 53 21/01026 HAA 19/4517 WVWZZZ3CZHE125963 € 245 16a 54 21/01051 HAA 19/4569 WDD2122941B148878 € 84 16a 55 21/01060 HAA 19/4578 WF0UXXWPGUGS32269 € 225 ELK + 16a 56 21/01092 HAA 19/4638 SALWA2KF4FA519911 € 912 16a 57 21/01105 HAA 19/897 WAUZZZFY3H2003857 € 499 16a 58 21/01106 HAA 19/898 WAUZZZFY3H2005446 € 527 16a € 22.810 Proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase die door rechtbank is toegekend blijft in stand: 58 x € 54,50 = € 3.161 Bijlage 3: Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, beroep ongegrond. nr. HB insp. HB belangh. Rechtbanknr 1 21/00573 HAA 19/3281 2 21/00575 HAA 19/3289 3 21/00576 HAA 19/3290 4 21/00581 HAA 19/3353 5 21/00584 HAA 19/3356 6 21/00585 HAA 19/3357 7 21/00587 HAA 19/3359 8 21/00588 HAA 19/3360 9 21/00591 HAA 19/3363 10 21/00592 HAA 19/3365 11 21/00593 HAA 19/336 12 21/00594 HAA 19/3367 13 21/00597 HAA 19/3370 14 21/00598 HAA 19/3371 15 21/00599 HAA 19/3372 16 21/00600 HAA 19/3373 17 21/00603 HAA 19/3518 18 21/00604 HAA 19/3519 19 21/00605 HAA 19/3520 20 21/00607 HAA 19/3528 21 21/00608 HAA 19/3529 22 21/00609 HAA 19/3530 23 21/00612 HAA 19/3533 24 21/00615 HAA 19/3536 25 21/00617 HAA 19/3549 26 21/00620 HAA 19/3552 27 21/00621 HAA 19/3553 28 21/00622 HAA 19/3554 29 21/00624 HAA 19/3556 30 21/00625 HAA 19/3557 31 21/00629 HAA 19/3561 32 21/00630 HAA 19/3562 33 21/00633 HAA 19/3639 34 21/00639 HAA 19/3645 35 21/00641 HAA 19/3647 36 21/00643 HAA 19/3651 37 21/00645 HAA 19/3653 38 21/00646 HAA 19/3654 39 21/00647 HAA 19/3655 40 21/00648 HAA 19/3656 41 21/00649 21/01228 HAA 19/3680 42 21/00650 21/01229 HAA 19/3681 43 21/00651 21/01230 HAA 19/3682 44 21/00652 21/01231 HAA 19/3683 45 21/00654 HAA 19/3692 46 21/00655 HAA 19/3693 47 21/00657 HAA 19/3695 48 21/00660 HAA 19/3699 49 21/00661 HAA 19/3700 50 21/00662 HAA 19/3701 51 21/00664 HAA 19/3703 52 21/00667 HAA 19/3719 53 21/00668 HAA 19/3720 54 21/00669 HAA 19/3740 55 21/00670 HAA 19/3741 56 21/00671 HAA 19/3742 57 21/00673 HAA 19/3744 58 21/00674 HAA 19/3745 59 21/00675 HAA 19/3746 60 21/00676 HAA 19/3747 61 21/00679 HAA 19/3750 62 21/00681 HAA 19/3752 63 21/00683 HAA 19/3754 64 21/00684 HAA 19/3755 65 21/00685 HAA 19/3756 66 21/00686 HAA 19/3757 67 21/00687 HAA 19/3758 68 21/00688 HAA 19/3759 69 21/00689 HAA 19/3760 70 21/00690 HAA 19/3761 71 21/00691 HAA 19/3762 72 21/00693 HAA 19/3764 73 21/00694 HAA 19/3855 74 21/00695 HAA 19/3856 75 21/00696 HAA 19/3857 76 21/00697 HAA 19/3858 77 21/00700 HAA 19/3861 78 21/00701 HAA 19/3862 79 21/00702 HAA 19/3863 80 21/00703 HAA 19/3864 81 21/00704 HAA 19/3865 82 21/00705 HAA 19/3866 83 21/00706 HAA 19/3867 84 21/00707 HAA 19/3868 85 21/00709 HAA 19/3870 86 21/00710 HAA 19/3871 87 21/00712 HAA 19/3873 88 21/00713 HAA 19/3874 89 21/00716 HAA 19/3877 90 21/00717 HAA 19/3878 91 21/00718 HAA 19/3879 92 21/00719 HAA 19/3880 93 21/00720 HAA 19/3881 94 21/00721 HAA 19/3882 95 21/00723 HAA 19/3885 96 21/00724 HAA 19/3886 97 21/00728 HAA 19/4002 98 21/00730 HAA 19/4005 99 21/00731 HAA 19/4006 100 21/00732 HAA 19/4007 101 21/00733 HAA 19/4008 102 21/00735 HAA 19/4010 103 21/00736 HAA 19/4011 104 21/00738 HAA 19/4013 105 21/00741 HAA 19/4542 106 21/00747 HAA 19/4911 107 21/00750 HAA 19/2334 108 21/00751 HAA 19/2335 109 21/00755 HAA 19/2339 110 21/00756 HAA 19/2341 111 21/00757 HAA 19/2342 112 21/00759 HAA 19/2344 113 21/00761 HAA 19/2346 114 21/00764 HAA 19/2349 115 21/00765 HAA 19/2350 116 21/00766 HAA 19/2351 117 21/00767 HAA 19/2352 118 21/00768 HAA 19/2353 119 21/00770 HAA 19/2355 120 21/00771 HAA 19/2356 121 21/00772 HAA 19/2357 122 21/00773 HAA 19/2358 123 21/00775 HAA 19/2397 124 21/00776 HAA 19/2398 125 21/00777 HAA 19/2399 126 21/00778 HAA 19/2401 127 21/00780 HAA 19/2497 128 21/00782 HAA 19/2595 129 21/00784 HAA 19/2631 130 21/00787 HAA 19/2634 131 21/00788 HAA 19/2635 132 21/00790 HAA 19/2637 133 21/00791 HAA 19/2639 134 21/00793 HAA 19/2643 135 21/00794 HAA 19/2644 136 21/00795 HAA 19/2645 137 21/00797 HAA 19/2647 138 21/00798 HAA 19/2649 139 21/00800 HAA 19/2651 140 21/00801 HAA 19/2656 141 21/00802 HAA 19/2657 142 21/00803 HAA 19/2658 143 21/00804 HAA 19/2667 144 21/00805 HAA 19/2668 145 21/00806 HAA 19/2669 146 21/00807 HAA 19/2670 147 21/00808 HAA 19/2671 148 21/00809 HAA 19/2672 149 21/00810 HAA 19/2673 150 21/00812 HAA 19/2675 151 21/00815 HAA 19/2678 152 21/00816 HAA 19/2679 153 21/00817 HAA 19/2680 154 21/00818 HAA 19/2682 155 21/00819 HAA 19/2683 156 21/00820 HAA 19/2685 157 21/00821 HAA 19/2686 158 21/00822 HAA 19/2687 159 21/00823 HAA 19/2688 160 21/00824 HAA 19/2689 161 21/00826 HAA 19/2695 162 21/00827 HAA 19/2696 163 21/00828 HAA 19/2697 164 21/00829 HAA 19/2698 165 21/00832 HAA 19/2701 166 21/00836 HAA 19/2705 167 21/00839 HAA 19/2708 168 21/00840 HAA 19/2709 169 21/00846 HAA 19/2719 170 21/00847 HAA 19/2720 171 21/00848 HAA 19/2721 172 21/00850 HAA 19/2723 173 21/00851 HAA 19/2724 174 21/00852 HAA 19/2725 175 21/00853 HAA 19/2726 176 21/00854 HAA 19/2727 177 21/00855 HAA 19/2728 178 21/00857 HAA 19/2731 179 21/00858 HAA 19/2732 180 21/00860 HAA 19/2750 181 21/00861 HAA 19/2751 182 21/00862 HAA 19/2752 183 21/00864 HAA 19/2754 184 21/00865 HAA 19/2755 185 21/00866 HAA 19/2756 186 21/00868 HAA 19/2758 187 21/00869 HAA 19/2759 188 21/00870 HAA 19/2767 189 21/00872 HAA 19/2769 190 21/00873 HAA 19/2770 191 21/00874 HAA 19/2771 192 21/00875 HAA 19/2772 193 21/00876 HAA 19/2773 194 21/00877 HAA 19/2774 195 21/00879 HAA 19/2776 196 21/00880 HAA 19/2777 197 21/00881 HAA 19/2778 198 21/00882 HAA 19/2779 199 21/00884 HAA 19/2781 200 21/00885 HAA 19/2782 201 21/00886 HAA 19/2783 202 21/00887 HAA 19/2784 203 21/00888 HAA 19/2785 204 21/00889 HAA 19/2786 205 21/00890 HAA 19/2787 206 21/00891 HAA 19/2788 207 21/00895 HAA 19/2792 208 21/00896 HAA 19/2793 209 21/00899 HAA 19/2796 210 21/00902 HAA 19/2830 211 21/00903 HAA 19/2831 212 21/00905 HAA 19/2844 213 21/00906 HAA 19/2845 214 21/00907 HAA 19/2846 215 21/00910 HAA 19/2849 216 21/00911 21/01159 HAA 19/4232 217 21/00913 21/01161 HAA 19/4234 218 21/00914 21/01162 HAA 19/4235 219 21/00917 21/01165 HAA 19/4238 220 21/00921 21/01169 HAA 19/4242 221 21/00922 21/01170 HAA 19/4243 222 21/00923 21/01171 HAA 19/4244 223 21/00925 21/01173 HAA 19/4246 224 21/00926 21/01174 HAA 19/4247 225 21/00930 21/01178 HAA 19/4251 226 21/00931 21/01179 HAA 19/4252 227 21/00933 21/01181 HAA 19/4254 228 21/00934 21/01182 HAA 19/4255 229 21/00935 21/01183 HAA 19/4256 230 21/00936 21/01184 HAA 19/4257 231 21/00937 21/01185 HAA 19/4258 232 21/00939 21/01187 HAA 19/4260 233 21/00940 21/01188 HAA 19/4261 234 21/00943 21/01191 HAA 19/4264 235 21/00944 21/01192 HAA 19/4265 236 21/00946 21/01194 HAA 19/4267 237 21/00947 21/01195 HAA 19/4268 238 21/00948 21/01196 HAA 19/4269 239 21/00950 21/01198 HAA 19/4271 240 21/00951 21/01199 HAA 19/4272 241 21/00952 21/01200 HAA 19/4273 242 21/00953 21/01201 HAA 19/4274 243 21/00954 21/01202 HAA 19/4275 244 21/00956 21/01204 HAA 19/4277 245 21/00957 21/01206 HAA 19/4279 246 21/00959 21/01207 HAA 19/4280 247 21/00961 21/01209 HAA 19/4282 248 21/00963 21/01211 HAA 19/4284 249 21/00964 21/01212 HAA 19/4285 250 21/00967 21/01215 HAA 19/4288 251 21/00968 21/01216 HAA 19/4289 252 21/00972 21/01220 HAA 19/4293 253 21/00973 21/01221 HAA 19/4294 254 21/00975 21/01223 HAA 19/4296 255 21/00979 HAA 19/4301 256 21/00981 HAA 19/4311 257 21/00982 HAA 19/4380 258 21/00984 HAA 19/4405 259 21/00986 HAA 19/4407 260 21/00987 HAA 19/4408 261 21/00992 HAA 19/4413 262 21/00994 HAA 19/4415 263 21/00995 HAA 19/4416 264 21/00996 HAA 19/4417 265 21/00997 HAA 19/4418 266 21/00999 HAA 19/4420 267 21/01001 HAA 19/4422 268 21/01002 HAA 19/4423 269 21/01003 HAA 19/4424 270 21/01010 HAA 19/4431 271 21/01013 HAA 19/4434 272 21/01015 HAA 19/4506 273 21/01018 HAA 19/4509 274 21/01020 HAA 19/4511 275 21/01021 HAA 19/4512 276 21/01022 HAA 19/4513 277 21/01023 HAA 19/4514 278 21/01024 HAA 19/4515 279 21/01025 HAA 19/4516 280 21/01027 HAA 19/4545 281 21/01028 HAA 19/4546 282 21/01029 HAA 19/4547 283 21/01030 HAA 19/4548 284 21/01032 HAA 19/4550 285 21/01033 HAA 19/4551 286 21/01034 HAA 19/4552 287 21/01035 HAA 19/4553 288 21/01037 HAA 19/4555 289 21/01039 HAA 19/4557 290 21/01040 HAA 19/4558 291 21/01041 HAA 19/4559 292 21/01042 HAA 19/4560 293 21/01043 HAA 19/4561 294 21/01044 HAA 19/4562 295 21/01045 HAA 19/4563 296 21/01046 HAA 19/4564 297 21/01047 HAA 19/4565 298 21/01048 HAA 19/4566 299 21/01049 HAA 19/4567 300 21/01050 HAA 19/4568 301 21/01052 HAA 19/4570 302 21/01053 HAA 19/4571 303 21/01054 HAA 19/4572 304 21/01055 HAA 19/4573 305 21/01056 HAA 19/4574 306 21/01057 HAA 19/4575 307 21/01058 HAA 19/4576 308 21/01061 HAA 19/4579 309 21/01062 HAA 19/4580 310 21/01064 HAA 19/4582 311 21/01065 HAA 19/4583 312 21/01066 HAA 19/4584 313 21/01067 HAA 19/4585 314 21/01068 HAA 19/4586 315 21/01069 HAA 19/4587 316 21/01070 HAA 19/4588 317 21/01071 HAA 19/4589 318 21/01072 HAA 19/4590 319 21/01073 HAA 19/4591 320 21/01074 HAA 19/4593 321 21/01075 HAA 19/4594 322 21/01076 HAA 19/4595 323 21/01078 HAA 19/4597 324 21/01079 HAA 19/4598 325 21/01080 HAA 19/4599 326 21/01081 HAA 19/4600 327 21/01082 HAA 19/4601 328 21/01083 HAA 19/4602 329 21/01085 HAA 19/4631 330 21/01086 HAA 19/4632 331 21/01087 HAA 19/4633 332 21/01088 HAA 19/4634 333 21/01089 HAA 19/4635 334 21/01090 HAA 19/4636 335 21/01091 HAA 19/4637 336 21/01093 HAA 19/4639 337 21/01094 HAA 19/4640 338 21/01095 HAA 19/4641 339 21/01096 HAA 19/4642 340 21/01097 HAA 19/4643 341 21/01098 HAA 19/4644 342 21/01099 HAA 19/4645 343 21/01100 HAA 19/4646 344 21/01101 HAA 19/4647 345 21/01103 HAA 19/4649 346 21/01104 HAA 19/896 347 21/01107 HAA 19/899 348 21/01109 HAA 19/2570 349 21/01111 HAA 19/2813 350 21/01112 HAA 19/2837 351 21/01116 HAA 19/3545 352 21/01117 HAA 19/3546 353 21/01118 HAA 19/3547 354 21/01119 HAA 19/3548 355 21/01120 HAA 19/3698 356 21/01122 HAA 19/3883 357 21/01123 HAA 19/4592 “
- Met ingang van 1 september 2017 (…) weigeren de nationale instanties EG-typegoedkeuring (…) te verlenen voor nieuwe voertuigen die niet aan de voorschriften van deze verordening voldoen, om redenen die verband houden met emissies of brandstofverbruik.” “
- Met ingang van 1 september 2018 (…) beschouwen de nationale instanties de conformiteitscertificaten van nieuwe voertuigen die niet aan de voorschriften van deze verordening voldoen als niet langer geldig voor de toepassing van artikel 26 van Richtlijn 2007/46/EG en verbieden zij de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen, om redenen die verband houden met emissies of brandstofgebruik.” https://www.autoweek.nl/autonieuws/artikel/honderden-miljoenen-te-veel-bpm-door-wltp/