afdeling strafrecht parketnummer: 23-001928-19 datum uitspraak: 18 maart 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-872074-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, (GBA)adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een in hoger beroep gevoerd verweer bespreekt. Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer De verdediging heeft – zakelijk weergegeven - met een beroep op de Vidgen jurisprudentie betoogd dat de verklaring van getuige [getuige] niet voor het bewijs mag worden gebruikt (en bij gebreke hiervan dit moet leiden tot een vrijspraak). Het hof overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Het beroep van de verdediging op de uitgangspunten die gelden voor het gebruik van verklaringen van getuigen voor het bewijs in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet worden verworpen nu in hoger beroep geen verzoek is gedaan tot het opnieuw horen van de litigieuze getuige ([getuige]). Het moeten treffen van maatregelen ter compensatie – zoals door de verdediging is betoogd – voor het niet behoorlijk en effectief kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht is daarmee evenmin aan de orde. Van strijd met het ondervragingsrecht zoals bedoeld in art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is dan ook geen sprake. Het hof verwerpt het gevoerde verweer. Oplegging van straffen Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank met betrekking tot de straf heeft overwogen in paragraaf 7 ‘motivering van de hoofdstraffen’ van het vonnis en neemt deze strafmotivering over. Het hof vult de strafmotivering aan met een overweging met betrekking tot de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof acht in beginsel de straffen zoals opgelegd door de rechtbank passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat tevens in hoger beroep de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Immers, het hoger beroep is ingesteld op 15 mei 2019, terwijl het hof arrest wijst op 18 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.