GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.280.394/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/656504 / HA ZA 18-1116 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 februari 2022 inzake de vennootschap naar buitenlands recht A.Z. IWANICCY S.J. MEBLE TAPICEROWANE ANDRZEJ IWANICKI, gevestigd te Gubin (Polen), appellante, advocaat: mr. B. Sujecki te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap KARINTRAD NEDERLAND B.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. M. Kartal te Amsterdam. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Partijen worden hierna wederom aangeduid als Iwaniccy en Karintrad. Het hof verwijst naar zijn arrest van 12 oktober 2021 voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding. Iwaniccy heeft vervolgens een akte genomen, waarop door Karintrad van antwoord-akte is gediend. Ten slotte is andermaal arrest gevraagd. 2De verdere beoordeling van het hoger beroep 2.1 Bij tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorlopig oordeel van het hof dat Iwaniccy ontvankelijk is in haar hoger beroep. Daartoe heeft het hof overwogen dat uit de in rov. 3.2 van het tussenarrest genoemde aanwijzingen volgt dat de aanduiding ‘Karintrad B.V.’ in het vonnis en de processtukken in eerste aanleg een verschrijving betreft, in die zin dat daar waar Karintrad B.V. is vermeld, Karintrad Nederland B.V. moest staan. 2.2 Iwaniccy bevestigt in haar akte na tussenarrest, samengevat, dat het voorlopig oordeel van het hof juist is. 2.3 Karintrad stelt in haar akte na tussenarrest dat geen van de als zodanig in met name de inleidende dagvaarding en eindvonnis in eerste aanleg aangeduide partijen stonden ingeschreven in de respectievelijke handelsregisters in Nederland en Polen, dat daarom sprake is van procederende partijen die niet bestaan en dat dit reeds bij de rechtbank in eerste aanleg al of niet ambtshalve tot niet ontvankelijkheid van beide partijen had moeten leiden. Hieromtrent oordeelt het hof als volgt. 2.4 Voor zover dit betoog van Karintrad Iwaniccy betreft, wordt het gepasseerd. Het ontbeert een voldoende onderbouwing en ook gelet op het verloop van deze procedure, de processtukken in eerste aanleg en de rechtsstrijd tussen partijen kan het niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. 2.5 Voor zover het betoog van Karintrad een reactie is op het tussenarrest, overweegt het hof als volgt. Karintrad heeft de in rov. 3.2 van het tussenarrest genoemde aanwijzingen die aan het hiervoor in 2.1 bedoelde voorlopig oordeel van het hof ten grondslag zijn gelegd onbesproken gelaten. Karintrad heeft ook overigens onvoldoende gesteld om dit voorlopig oordeel van het hof te ontzenuwen. Het hof ziet evenmin ambtshalve aanleiding om van dit voorlopig oordeel terug te komen. Dat betekent dat als vaststaand moet worden beschouwd dat Karintrad B.V. een verschrijving betreft, in die zin dat daarmee Karintrad Nederland B.V. is bedoeld. In hoger beroep heeft Iwaniccy de dagvaarding uitgebracht aan Karintrad Nederland B.V. en daarmee aan de juiste partij. Iwaniccy is dus ontvankelijk in haar hoger beroep. 2.6 Het hof zal het hoger beroep thans inhoudelijk beoordelen. 3Feiten 3.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief 1 bestrijdt de feitenvaststelling onder 2.2 en 2.3, althans de volledigheid daarvan, waarmee hieronder rekening zal worden gehouden. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 3.2 Iwaniccy is een Pools bedrijf dat meubels produceert en verkoopt. 3.3 Karintrad exploiteert een groothandel in meubels, gevestigd in Amsterdam. 3.4 Partijen deden enige tijd zaken met elkaar, waarbij Iwaniccy meubels produceerde en leverde aan Karintrad. 3.5 Partijen hebben hun samenwerking op 13 februari 2017 in een overeenkomst vastgelegd (hierna: de Overeenkomst). 3.6 Karintrad heeft ingevolge de Overeenkomst verscheidene bestellingen gedaan bij Iwaniccy. 3.7 Iwaniccy heeft Karintrad meerdere keren aangeschreven tot betaling van openstaande facturen, waarna zij de Overeenkomst per 31 december 2017 heeft beëindigd. 4Beoordeling Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 In deze procedure heeft Karintrad in eerste aanleg – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – in conventie gevorderd dat Iwaniccy wordt veroordeeld tot nakoming van haar verplichtingen uit de Overeenkomst en tot levering van de door Karintrad bestelde meubels, alsook tot betaling van een bedrag van € 68.000,- ter vergoeding van door Karintrad gemaakte herstelkosten. Daarnaast strekte haar vordering ertoe dat Iwaniccy “aansprakelijk zal blijven” voor toekomstige herstelkosten. Iwaniccy heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat Karintrad wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 147.791,13, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag van € 147.791,13 omvat de volgens Iwaniccy nog openstaande facturen (van in hoofdsom € 132.317,50), de wettelijke handelsrente tot en met 13 februari 2019 (van € 13.375,46) en de buitengerechtelijke incassokosten (van € 2.098,17). 4.2 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen in conventie van Karintrad afgewezen en haar, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten veroordeeld. De rechtbank heeft (tevens) de vordering in reconventie van Iwaniccy afgewezen en Iwaniccy veroordeeld in de kosten aan de zijde van Karintrad, begroot op nihil. 4.3 Karintrad heeft niet tijdig van memorie van antwoord gediend waarna haar op 9 februari 2021 verval is verleend van het recht een memorie van antwoord te nemen (zie rov. 1 tussenarrest). Zij heeft aldus (ook) niet bij wege van incidenteel appel grieven gericht tegen de afwijzing van de conventionele vorderingen. De beslissingen in het tussen partijen op 1 april 2020 in conventie gewezen vonnis maken derhalve geen onderdeel uit van dit hoger beroep. 4.4 In hoger beroep heeft Iwaniccy drie grieven geformuleerd tegen het vonnis van de rechtbank. Grief 1 is hiervoor bij de vaststelling van de feiten reeds aan de orde gekomen. De grieven 2 en 3 richten zich tegen de afwijzing van de rechtbank van de reconventionele vordering en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, alsook tegen de proceskostenveroordeling. Het Weens Koopverdrag is van toepassing 4.5 Zoals de rechtbank terecht heeft vooropgesteld, is op de tussen partijen gesloten koopovereenkomst het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (het Weens Koopverdrag) van toepassing. Het gaat in deze zaak immers om een koopovereenkomst betreffende roerende zaken tussen partijen die gevestigd zijn in twee verschillende landen die bij het Weens Koopverdrag aangesloten zijn, terwijl de uitzonderingen op de toepasselijkheid van dat verdrag in dit geding niet aan de orde zijn. Grief 2 slaagt 4.6 Grief 2 van Iwaniccy, die in een aantal subgrieven is onderverdeeld, richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de reconventionele vordering van Iwaniccy tot betaling van haar facturen, met rente en kosten. De rechtbank heeft, samengevat, als volgt geoordeeld. Karintrad heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij de facturen waarvan betaling wordt gevorderd contant heeft (aan)betaald. Karintrad heeft deze stelling onderbouwd met betaalbewijzen voor een totaalbedrag van € 136.062,-, welk bedrag de volgens Iwaniccy openstaande facturen overtreft. Iwaniccy heeft dit gemotiveerde verweer van Karintrad niet bestreden, zodat haar reconventionele vordering moet worden afgewezen, aldus de rechtbank. 4.7 Het hof ziet aanleiding om eerst de subgrief te bespreken waarmee Iwaniccy opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de door Karintrad overgelegde betaalbewijzen volgt dat de door Iwaniccy aan haar vordering ten grondslag gelegde facturen contant zijn betaald. Daarbij stelt het hof voorop dat het verweer van Karintrad dat zij de desbetreffende facturen contant heeft betaald een bevrijdend verweer betreft waarvoor zij de stelplicht en bewijslast draagt. 4.8 Karintrad heeft ter onderbouwing van haar verweer stukken overgelegd die zij als de relevante betaalbewijzen aanmerkt. Deze tellen op tot een totaalbedrag van € 136.062,-. Iwaniccy heeft in hoger beroep daartegenover, samengevat, gesteld dat uit niets blijkt dat de facturen waarvan zij in deze procedure betaling vordert contant zijn betaald. Daartoe voert zij onder meer aan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.