. De benadeelde is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering. De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1 verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen
vergoeding indien deze ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. De benadeelde heeft als gevolg van het door de verdachte gepleegde misdrijf lichamelijk letsel opgelopen, te weten blauwe plekken en een snee in de pols. Daarnaast is het hof van oordeel dat de benadeelde op andere wijze in de persoon is aangetast. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de nog jonge benadeelde (destijds zeventien jaar oud), zoals die blijken uit de bewijsmiddelen en uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding, welke nadelige gevolgen voor de benadeelde in dit geval ook zeer voor de hand liggen, is het hof van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106, eerste lid aanhef en onder b, BW. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. Tijdens de overval, die gepleegd werd door twee mannen met bivakmutsen op, is de benadeelde bedreigd met een vuurwapen en vastgebonden met tie-wraps. De benadeelde heeft gevreesd voor zijn leven. Na de overval had de benadeelde last van herbelevingen en sliep hij slecht. De benadeelde heeft op zijn werk last gehad van schrikgevoelens en gevoelens van onveiligheid en heeft op school concentratieproblemen ervaren. Er is ernstig inbreuk gemaakt op het zelfbeschikkingsrecht en de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de benadeelde. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks
heeft geleden als hiervoor bedoeld. Het hof zal de omvang van de
naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 2.700,00. De verdachte en zijn mededader zijn hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.016,03, bestaande uit € 516,03 aan materiële schade en € 3.500,00 aan
. De benadeelde is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering. De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1 verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 516,03. De verdachte en zijn mededader zijn hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen
vergoeding indien deze ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. De benadeelde heeft lichamelijk letsel opgelopen, te weten een hoofdwond op het achterhoofd. Daarnaast is het hof van oordeel dat de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast, nu hij geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de bij het schade onderbouwingsformulier gevoegde brief van een arts van 7 januari 2020 volgt dat de benadeelde als gevolg van de overval veel last heeft gekregen van PTSS-achtige klachten, zoals slaapproblemen, intrusies, nachtmerries, ernstige concentratiestoornissen, emotioneel kwetsbaar voelen, prikkelbaarheid, vermoeidheid, vermijdingsgedrag en lichamelijke klachten en dat is besloten om gerichte traumabehandeling middels EMDR-therapie te gaan opstarten. Uiteindelijk hebben acht EMDR-sessies plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks
heeft geleden als hiervoor bedoeld. Het hof zal de omvang van de
naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 3.500,00. De verdachte en zijn mededader zijn hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.455,63, bestaande uit € 455,63 aan materiële schade en € 5.000,00 aan
. De benadeelde is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering. De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1 verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 455,63. De verdachte en zijn mededader zijn hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen
vergoeding indien deze ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. De benadeelde heeft lichamelijk letsel opgelopen, te weten verwondingen aan de polsen en knie. Daarnaast is het hof van oordeel dat de nog jonge benadeelde (destijds zeventien jaar oud) op andere wijze in haar persoon is aangetast, nu zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de bij het schade onderbouwingsformulier gevoegde brief van de psychotherapeut tevens klinisch psycholoog van 2 juli 2020 leidt het hof af dat bij de benadeelde sprake is geweest van PTTS en dat zij door middel van EMDR-therapie succesvol is behandeld. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks
heeft geleden als hiervoor bedoeld. Het hof zal de omvang van de
naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 4.000,00. De verdachte en zijn mededader zijn hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering tot vergoeding van
afwijzen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 56, 63, 312 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) als vergoeding voor
, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de
op 28 december 2019. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.016,03 (vierduizend zestien euro en drie cent) bestaande uit € 516,03 (vijfhonderdzestien euro en drie cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro)
, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.016,03 (vierduizend zestien euro en drie cent) bestaande uit € 516,03 (vijfhonderdzestien euro en drie cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro)
, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de
op 28 december 2019. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.455,63 (vierduizend vierhonderdvijfenvijftig euro en drieënzestig cent) bestaande uit € 455,63 (vierhonderdvijfenvijftig euro en drieënzestig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro)
, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.455,63 (vierduizend vierhonderdvijfenvijftig euro en drieënzestig cent) bestaande uit € 455,63 (vierhonderdvijfenvijftig euro en drieënzestig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro)
, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de
op 28 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.