afdeling strafrecht parketnummer eerste aanleg : 15-143266-20 parketnummer hoger beroep : 23-001810-20 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 16 november 2022 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 augustus 2020 in de zaak tegen de verdachte: naam: [verdachte] voornamen: [verdachte] geboren: op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] adres: [adres]. Kwalificatie van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: wederspannigheid. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Gepleegdfeit 1:op 28 mei 2020 te Purmerend;feit 2:op 28 mei 2020 te Purmerend;feit 3:op 28 mei 2020 te Purmerend. Toepasselijke wettelijke voorschriften De artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 180, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) ter zake van immateriële schade. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) als vergoeding voor immateriële schade. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Gewezen door mr. S.M.M. Bordenga, in bijzijn van mr. S.W.H. Bootsma, griffier. mr. S.M.M. Bordenga
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.