afdeling strafrecht parketnummer: 23-002578-21 datum uitspraak: 2 februari 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 september 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-112649-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1988, thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos, te Heerhugowaard. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 26 april 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewijsoverweging De verdachte heeft verklaard dat hij via een persoon genaamd ‘[naam 1]’ in een bar in Napels in contact is gekomen met twee voor hem onbekende mannen. Op uitnodiging van deze twee mannen, waaronder een zekere [naam 2], is hij vervolgens voor een korte vakantie naar Johannesburg gegaan. Hiervoor heeft hij € 1.200,00 geleend van zijn broer, waarvan hij onder meer het retourvliegticket naar Johannesburg heeft gekocht. In Zuid-Afrika is hij opgevangen door een hem onbekende persoon genaamd ‘[naam 3]’, waarmee [naam 2] hem in contact had gebracht. [naam 3] had voor hem een 4-sterren hotel geregeld in Johannesburg, waarvoor de verdachte aan [naam 3] geld (ongeveer € 100,00) heeft gegeven voor een verblijf van 4 nachten. Ook zou [naam 3] hem het land laten zien. Tijdens zijn verblijf in Zuid-Afrika heeft de verdachte een (tweede) mobiele telefoon gekocht voor € 65,00, alsmede voor € 200,00 tot € 250,00 aan kleding voor zijn gezin bij [winkel], omdat de kleding in Zuid-Afrika goedkoper is dan in Italië. Omdat de verdachte in het kleine koffertje dat hij op de heenreis had meegenomen, onvoldoende ruimte had om ook de bij [winkel] aangeschafte van de kleding mee te nemen, heeft hij van [naam 3] een koffer gekregen. In die koffer bevond zich al kleding toen hij deze van [naam 3] kreeg. De verdachte heeft vervolgens zijn eigen kleding in de koffer gedaan. In Napels diende hij de koffer aan [naam 2] te geven. Dat zich in die koffer heroïne bevond, wist de verdachte naar eigen zeggen niet. De raadsvrouw heeft zich in het verlengde van deze verklaring ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van en dus evenmin opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de invoer van heroïne. Het hof overweegt als volgt. De verdachte is op 26 april 2021 met een vlucht vanuit Johannesburg (Zuid-Afrika) aangekomen op de luchthaven Schiphol. In de afgesloten en door de verdachte ingecheckte koffer zijn – achter de binnenvoering – sealzakken aangetroffen met daarin 6,53 kilogram van een materiaal bevattende heroïne. Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een passagier die per vliegtuig bagage met zich voert, met de inhoud daarvan bekend is. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, bijvoorbeeld als aannemelijk wordt dat die passagier met die inhoud niet bekend was. Het hof is van oordeel dat die omstandigheden zich hier niet voordoen, omdat het de door de verdachte gepresenteerde lezing van de verdachte ongeloofwaardig acht. Daarbij heeft het hof het volgende betrokken: De verdachte had ten tijde van zijn reis naar Zuid-Afrika beperkte financiële mogelijkheden. Zo heeft hij tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard dat het moeilijk was om van zijn inkomsten geld te sparen, hij ook geen spaargeld had en hij en zijn gezin elke maand “net aan doorkwamen”. Ondanks die financiële krapte, zou de verdachte, die nog nooit in een ander land was geweest, (relatief veel) geld van zijn broer hebben geleend om een kostbare reis te maken. Gezien die krappe financiële situatie is het bevreemdend dat de verdachte in Zuid-Afrika voor € 200,00 tot € 250,00 aan kleding heeft gekocht bij winkelketen [winkel]. Dit bevreemdt temeer nu deze kleding, zo is van algemene bekendheid, in Europa – en dus ook in verdachtes thuisland Italië – overal verkrijgbaar is. Bovendien beschikte de verdachte op dat moment niet over een koffer waarin hij deze kleding mee terug naar Italië kon nemen. De verdachte heeft tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij in Zuid-Afrika in een 4-sterren hotel verbleef en dat hij dat verblijf met zijn eigen geld had betaald. Uit berichten in de telefoon van de verdachte blijkt echter dat hij de dag na aankomst in Zuid-Afrika in plaats van een 4-sterren hotel in een huis zonder douche buiten de stad verbleef (‘een verschrikkelijke plek’), en dat hij daarbij boos berichten verstuurde waarin onder andere stond: ‘deze waren niet de afspraken’ en ‘ik kan er niet meer tegen’, ‘vervroeg de tijden’ en ‘ik wil weg’. De verdachte heeft in de verschillende stadia van de strafprocedure niet consistent verklaard over de hoeveelheid geld die hij in Zuid-Afrika ter beschikking had, de wijze van verkrijging (lenen of kopen) van de koffer, en het doel van aanschaf van de in Zuid-Afrika door hem gekochte telefoon. Gelet op dit alles schuift het hof de door de verdachte gepresenteerde lezing terzijde en neemt, gelet op voornoemd uitgangspunt, als vaststaand aan dat de verdachte wist dat zich in de door hem meegevoerde koffer heroïne bevond. Bij dat laatste past dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.