← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2022:566

beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000843-21 (530 Sv) en 000842-21 (533 Sv) parketnummer in eerste aanleg: 13-026594-20 Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2020 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats], domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. F.M.M.M. Vogels, Linneausparkweg 16, 1098 EB te Amsterdam. 1Procesverloop Het hoger beroep is op 28 januari 2021 ingesteld door de verzoeker (hierna de appellant). Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 25 januari 2022 de advocaat-generaal, de appellant en de advocaat van de appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. 2Inhoud van het verzoek Het verzoek - zoals gewijzigd in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die de appellant stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 6.955,00; schade door inkomstenderving ten gevolge van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis ten bedrage van € 2.155,89; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 550,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 280,00. 3Beoordeling Naar het oordeel van het hof is het namens de appellant ingestelde hoger beroep niet tijdig ingesteld. Uit het proces-verbaal van het onderzoek in de raadkamer van de beschikking waarvan beroep van 24 december 2020 blijkt dat de beslissing van de rechter in de raadkamer is uitgesproken in de aanwezigheid van de appellant en zijn advocaat. Daaruit blijkt dat de appellant op 24 december 2020 op de hoogte was van de beschikking waarvan beroep. Namens appellant is op 28 januari 2021 hoger beroep ingesteld. Dit is niet binnen de termijn van één maand, zoals vereist ex artikel 535, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dat in dit artikel staat dat het hoger beroep openstaat binnen een maand na betekening maakt dat naar het oordeel van het hof niet anders, nu de strekking van dit artikel zo begrepen moet worden dat het hoger beroep openstaat vanaf het moment dat de appellant op de hoogte is geraakt van de beschikking. De appellant zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. 4Beslissing Het hof: Verklaart de appellant niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. E. van Die, A.M. Kengen en A.M. Koolen-Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 25 januari 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.