GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.274.364/01 zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 7260971/CV EXPL 18-6825 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 maart 2022 inzake [X] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. H.E.M. Molenaar te Alkmaar, tegen GEMEENTE DEN HELDER, zetelend te Den Helder, geïntimeerde, advocaat: mr. E.C.W. van der Poel te Alkmaar. Partijen worden hierna [X] en de gemeente genoemd. 1Het geding in hoger beroep [X] is bij dagvaarding van 13 december 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 18 september 2019, onder bovenvermeld zaaknummer/rolnummer gewezen tussen de gemeente als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [X] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie. Dit vonnis is ook gewezen tussen de gemeente als eiseres en ‘zij die (overigens) verblijven in de onroerende zaak aan de Middenweg 172-174 te Den Helder ’ als gedaagden. Deze gedaagden zijn niet verschenen in die procedure en hebben geen hoger beroep tegen genoemd vonnis ingesteld. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord met producties. Partijen hebben de zaak ter zitting van 6 april 2021 toegelicht, ieder mede aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben op voorhand nog de volgende stukken toegezonden die op de zitting aan de processtukken zijn toegevoegd: producties aan beide zijden; een akte houdende eiswijziging van de gemeente; een incidentele memorie houdende een provisionele vordering van [X] ; een akte van de zijde van de gemeente houdende overlegging producties inzake verzoek provisionele vordering ex artikel 223 Rv jo. 353 Rv. Na de zitting heeft het hof, op verzoek van partijen, de zaak enige maanden aangehouden. Ten slotte is arrest gevraagd. [X] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van de gemeente zal afwijzen en zijn vorderingen (naar het hof begrijpt zoals opgenomen in het petitum van de appeldagvaarding) zal toewijzen met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding in beide instanties. De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met dien verstande dat aan ontruimingskosten en opslagkosten een ander bedrag wordt toegewezen (de eiswijziging), met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De door de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.21 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet betwist. Ook het hof zal daar van uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere relevante feiten die in dit geding zijn komen vast te staan, de volgende. 2.2 In 2007 heeft de gemeenteraad van de gemeente de Kadernota Cultuur Den Helder “Horen, zien en beleven” aangenomen. In lijn met die nota heeft de gemeente besloten om per 2008 de subsidies voor de huur van atelierruimtes te beëindigen. In de plaats daarvan is de gemeente een stimuleringsbeleid gaan voeren om kunstenaars tijdelijk in leegstaande panden te huisvesten, het zogenoemde broedplaatsenbeleid. 2.3 Eén van die leegstaande panden betrof het voormalig postkantoor aan de Middenweg 172-174 te Den Helder (hierna te noemen: het pand). De gemeente had destijds het voornemen om op de plek van het pand een nieuw stadhuis te realiseren. 2.4 De gemeente heeft op 7 november 2008 met [X] een overeenkomst gesloten, getiteld Bruikleenovereenkomst, waarbij de gemeente aan [X] met ingang van 1 juli 2008 een deel van het pand ( Middenweg 174 ) in gebruik heeft gegeven. Deze overeenkomst (verder te noemen: de atelierovereenkomst) bevat onder meer de volgende bepalingen: (…) I. dat bruiklener de nader te noemen onroerende zaak in afwachting van verdere ontwikkelingen tijdelijk voor leegstand wenst te behoeden; II. dat bruiklener onder na te melden voorwaarden en bedingen om niet een bewaringsdienst aanbiedt, waardoor leegstand wordt tegengegaan; III. dat bruikleengever de onroerende zaak om niet in bewaring geeft, die gelegen is aan de Middenweg 174 (….) Artikel 1: Aanvang en duur bewaring (…) 1.2. Deze overeenkomst is aangegaan voor de periode dat de onroerende zaak nog niet benodigd is voor de realisatie van de stadshartplannen van de gemeente Den Helder. Met andere woorden bruiklener kan gebruik blijven maken van het Postkantoor tot alle benodigde procedures zijn afgerond en de bouwvergunning voor het nieuwe plan kan worden verstrekt. (…) Artikel 2: Einde overeenkomst 2.1. Deze overeenkomst kan door bruikleengever aan bruiklener worden opgezegd, doch steeds met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. (…) Artikel 3 Aansluitingen en voorzieningen 3.1. De kosten van water, energie en alle andere eventueel niet nader genoemde maar soortgelijke nutsvoorzieningen, evenals van aansluiting en vastrecht hiervan zijn voor rekening van de bruiklener. Deze kosten zijn vastgesteld op € 155,00 per maand. 4.1. Bruiklener is gehouden als een goed huisvader zorg te dragen voor de bij haar in bewaring gegeven onroerende zaak. (…) Artikel 8 Bijzondere bepalingen (…) 8.2. Bruiklener betaalt geen vergoeding voor het gebruik gedurende de bewaarperiode. (…) 8.5. Bruiklener is bekend met het feit dat de onroerende zaak tijdelijk wordt gebruikt als broedplaats voor kunst en cultuur. Dit betekent dat meerdere personen gebruik zullen maken van de onroerende zaak met hetzelfde oogmerk. 8.6. Als tegenprestatie voor het gebruik van de ruimte zal er regelmatig, met een nader af te spreken frequentie (minimaal 3x per jaar) exposities worden gehouden in Den Helder. Op welke wijze dit plaatsvindt, laten wij over aan het initiatief van de bruikleners. 2.5 In januari 2012 heeft de gemeente met [X] een tweede overeenkomst betreffende het gebruik van een (ander) deel van het pand gesloten. In deze overeenkomst (hierna te noemen: de museumovereenkomst) staat onder meer het volgende: (…) Het terbeschikkinggestelde, bestemming 1.1. Ter beschikkingsteller geeft gebruiker een persoonlijk recht van gebruik voor een deel van de bedrijfsruimte (…) Middenweg 172-174 (…) 1.2. Het ter beschikkinggestelde zal door de gebruiker uitsluitend worden bestemd als expositieruimte zoals in artikel 14 van deze overeenkomst omschreven. (…) 1.3. Het is gebruiker niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ter beschikkingsteller een andere bestemming aan het ter beschikkinggestelde te geven dan omschreven in 1.2. (…) Duur en opzegging 2.1. Deze overeenkomst gaat in per 16 januari 2012. 2.2 Deze overeenkomst kan door ter beschikkingsteller zonder opgaaf van redenen, aan gebruiker op elk moment worden opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. (…) Gebruiksvergoeding, betalingsverplichting, betaalperiode 3. De aanvangsvergoeding van het ter beschikkinggestelde bedraagt per maand: € 0,00. Zegge: gebruik om niet. (…) Onderhoud en wijzigingen 5.1. Voor rekening van de gebruiker is al het groot en klein onderhoud aan de binnenzijde van het ter beschikkinggestelde. De gebruiker zal slechts dat onderhoud plegen, voor zover dat voor het gebruik noodzakelijk is. (…) NUTS voorzieningen 6.1. Het gebruik van het ter beschikkinggestelde is exclusief levering van gas, water en elektra. Hiervoor dient maandelijks een voorschot servicekosten te worden voldaan van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro). Verrekening vindt jaarlijks plaats op basis van het werkelijke verbruik. (…) Bijzondere bepalingen 14. De ruimte kan gezien het cultureel maatschappelijke belang aan de gebruiker in gebruik worden gegeven. Hierdoor is de gebruiker verplicht aan de volgende voorwaarden te voldoen: - Gebruiker wendt de ruimte aan om, met de nadruk op kwaliteit en niveau, zelfstandig beeldende kunst professioneel aan het publiek te tonen en mogelijkerwijs te verkopen, een informatieve en aantrekkelijke plek te creëren voor belangstellenden, kenners en verzamelaars; - Gebruiker selecteert en stelt daartoe werken ten toon van Nederlandse en internationale kunstenaars met landelijke en/of internationale naamsbekendheid met de nadruk op kwaliteitsniveau, artistiek belang en gevestigde kunstenaars; - Gebruiker organiseert langer lopende exposities: minimaal vier per jaar, die voornamelijk in en om het weekend bezocht kunnen worden; - Parallel met de lopende tentoonstellingen wordt een stock opgebouwd met werk van de betreffende exposanten, in de vorm van tekeningen, grafiek, multiples en dergelijke, evenals documentatie zoals catalogi, monografieën en recensies; - Gebruiker draagt direct dan wel indirect bij aan het cultureel klimaat en de culturele uitstraling van Den Helder en is bereid aan te sluiten bij lokale culturele initiatieven, activiteiten en manifestaties en daartoe samen te werken met lokale/regionale culturele organisaties (culturele routes, samenhangende exposities enz). (…) 2.6 [X] had op basis van deze overeenkomsten (hierna: de overeenkomsten) een deel van het pand in gebruik als Rob Scholte Museum. Bezoekers hadden na betaling van de toegangsprijs toegang tot dit museum. Een ander deel van het pand, gelegen aan de achterzijde, had [X] in gebruik als atelier. In de voormalige kantine van het pand had [X] een woning ingericht waar hij met zijn partner, [Y] , en hun twee kinderen woonachtig was. 2.7 Tussen de gemeente en [X] hebben besprekingen plaatsgevonden over de toekomst van het pand. In een gespreksnotitie van 22 januari 2014 staat onder meer: geeft aan dat hij twee verschillende gebruiksovereenkomsten met de gemeente heeft afgesloten. De ene betreft de ruimte die gebruikt wordt voor het Rob Scholte Museum en de andere betreft de ruimte die hij gebruikt als atelier. Ten aanzien van de ruimte met daarin het museum bevestigt [X] dat de gemeente het gebruik daarvan te allen tijde kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Hij zal deze ruimte verlaten op het moment dat de gemeente daarom vraagt. Ten aanzien van de ruimte met daarin het atelier geeft [X] aan dat in het gebruikscontract staat dat dit pas kan worden opgezegd wanneer alle procedures rondom de ontwikkeling van het nieuwe stadhuis zijn doorlopen. Aangezien er nog een bestemmingsplanprocedure loopt alsmede enkele bezwaar- en beroepszaken tegen besluiten met betrekking tot de nieuwbouw stadhuis is [X] van mening dat de gemeente niet het recht heeft om op dit moment het gebruik van de atelierruimte op te zeggen. (…) 2.8 Bij brief van 10 maart 2014 heeft de gemeente de overeenkomsten opgezegd tegen 1 september 2014. Bij besluit van 23 juni 2014 heeft de gemeente die opzeggingen opgeschort in verband met het voornemen om de plannen van [X] voor permanente vestiging van het Rob Scholte Museum te toetsen op wenselijkheid en haalbaarheid. In dat verband heeft [X] van de gemeente tot 15 november 2014 de tijd gekregen om een financiële onderbouwing voor zijn plannen in te dienen. 2.9 Bij brief van 23 mei 2014 heeft de gemeente aan [X] bericht dat is geconstateerd dat hij met zijn gezin in het pand woonachtig is, hetgeen niet is toegestaan. Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft de gemeente [X] een last onder dwangsom opgelegd: de illegale bewoning van het pand moest eindigen en alle daartoe getroffen voorzieningen moesten worden verwijderd. Het bezwaar van [X] tegen deze aanschrijving is op 28 januari 2015 gegrond verklaard en de last is ingetrokken. In het advies van de Commissie Bezwaarschriften Algemene Kamer van 30 oktober 2014 dat is uitgebracht naar aanleiding van het bezwaar van [X] staat: (…) De commissie is van oordeel dat nu geen duidelijkheid bestaat over de inhoud van de overeenkomst en het dus mogelijk is dat de burgerlijke rechter de inhoud van de overeenkomst zo vast stelt dat de gemeente als private partij een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan het bezwaarde is toegestaan te wonen in het pand, verweerder onder deze omstandigheden op dit moment geen gebruik mocht maken van zijn handhavingsbevoegdheid. De commissie ziet in het bestaan van deze overeenkomst dan ook een belemmering om - op dit moment - handhavend op te treden. (…) 2.10 In een stuk van 9 december 2014 is vermeld: (…) Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder heeft onderstaande besluiten genomen met betrekking tot [X] en het Rob Scholte Museum, gevestigd aan Middenweg 172 – 174 te Den Helder . (…) * De bruikleenovereenkomst met [X] van 1 juli 2008 met betrekking tot de ruimtes Middenweg 172-174 zal onverkort in acht worden genomen. * De gebruikersovereenkomst met [X] van 10 januari 2012 met betrekking tot de ruimtes Middenweg 172-174 , thans het Rob Scholte Museum, zal onverkort in acht worden genomen. * Het Rob Scholte Museum, thans gevestigd in Middenweg 172-174 krijgt de gelegenheid om uit te breiden naar de begane grond en de kelderruimte van Middenweg 172-174 . In afwachting van de verder besluitvorming voor de permanente vestiging van het museum. (…) Dit stuk is ondertekend door [X] , wethouder P.J.R. Kos en een getuige, maar niet door de burgemeester en de andere wethouders van de gemeente. 2.11 In een brief van 19 december 2014 heeft de gemeente geschreven: (…) Verder hebben wij besloten om ruimte te geven aan een politiek-bestuurlijk traject tot verkenning van de mogelijke realisatie van een Rob Scholte Museum in het voormalige postkantoor. Wij gaan daarbij uit van een planning, waarbij ernaar gestreefd wordt rond 1 september 2015 een beeld te hebben van de mogelijke realisatie met daaraan voorafgaand halverwege die periode, rond 1 april 2015, een eerste tussenstand. 2.12 In een e-mail van 1 februari 2015 heeft [X] aan de gemeente geschreven: (…) Op 9 december 2014 is er een gesprek gevoerd tussen [X] en wethouder Pieter Kos. (…) Dit gesprek is vastgelegd in een door partijen en getuigen ondertekende overeenkomst. Deze overeenkomst bepaalt dat de gebruiks- en bruikleenovereenkomsten voor museum en studio zijn hersteld. (…) 2.13 Bij besluit van 17 november 2015 heeft de gemeente een traject voor een mogelijke verkoop van het pand aan [X] vastgelegd. Indien het niet in de zomer 2016 tot een afronding zou komen, zou het pand aan derden worden verkocht. Bij besluit van 2 februari 2016 heeft de gemeente vastgesteld dat het traject was mislukt. Op 28 juni 2016 heeft de gemeente besloten over te gaan tot verkoop en ontwikkeling van het pand door middel van een openbare verkoopprocedure. 2.14 Bij brieven van 28 maart 2017 heeft de gemeente beide overeenkomsten met [X] opgezegd per 30 juni 2017. Daarbij is de openbare verkoopprocedure als reden vermeld. 2.15 In een kort geding vonnis van 16 oktober 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland de door de gemeente gevorderde ontruiming van het pand door [X] afgewezen. De gemeente heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. 2.16 De gemeente heeft in het kader van de openbare verkoopprocedure op 1 november 2017 een bieding ontvangen. Bij besluit van 29 november 2017 heeft de gemeente het pand gegund aan deze bieder, zijnde aannemingsbedrijf A. Tuin Den Helder B.V. (hierna te noemen: Tuin). Op diezelfde datum heeft [X] beslag gelegd op het pand op grond van zijn stelling dat tussen hem en de gemeente een koopovereenkomst met betrekking tot het pand tot stand was gekomen. 2.17 Bij kort geding vonnis van 1 februari 2018 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland is de vordering van de gemeente tot opheffing van het door [X] gelegde beslag op het pand toegewezen. 2.18 Op 6 februari 2018 is tussen de gemeente en Tuin een koopovereenkomst met betrekking tot het pand tot stand gekomen. 2.19 Bij arrest in kort geding van 13 maart 2018 heeft dit hof het kort geding vonnis van 16 oktober 2017 (zie 2.15) vernietigd en de vordering van de gemeente tot ontruiming van het pand alsnog toegewezen. Het hof heeft de vraag of de overeenkomsten huurovereenkomsten of gebruiksovereenkomsten zijn onbeantwoord gelaten. Daarbij heeft het hof overwogen dat uitgaande van de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomsten tegen de achtergrond van het broedplaatsenbeleid, het vooralsnog aannemelijker is dat het ging om tijdelijke ingebruikgeving en niet om huur. De ontruiming werd toegewezen op de grond dat [X] ten aanzien van de door hem verschuldigde vergoeding voor gas, water en licht een betalingsachterstand van € 19.519,71 had. De ontruimingstermijn bedroeg een maand na betekening van het arrest. 2.20 Naar aanleiding van het onder 2.19 genoemde arrest heeft de advocaat van de gemeente op diezelfde dag aan de advocaat van [X] gevraagd of [X] het pand vrijwillig zou ontruimen. Een bevestigend antwoord daarop bleef uit. Het arrest is op 14 maart 2018 aan [X] betekend, waarbij bevel is gedaan om het pand binnen dertig dagen na 14 maart 2018 te ontruimen, met aanzegging dat bij niet voldoening aan dat bevel de gemeente zelf op een nader te bepalen datum de ontruiming zal doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm. [X] heeft niet vrijwillig ontruimd. De gemeente heeft het pand vanaf 17 april 2018 door de deurwaarder laten ontruimen. De inboedel, bestaande uit huisraad en uit kunstwerken, is door de deurwaarder opgeslagen. 2.21 Op 17 april 2018 heeft de gemeente verlof gekregen om in verband met door haar te maken kosten van ontruiming conservatoir beslag te mogen leggen op roerende zaken waaronder in ieder geval begrepen kunstvoorwerpen en/of schilderijen in of gelegen rond het pand, waarbij de vordering van de gemeente is begroot op € 214.080,-. Ter gelegenheid van de ontruiming heeft de gemeente het beslag doen leggen. 2.22 De advocaten van partijen hebben vervolgens met elkaar gecorrespondeerd over de afgifte van het huisraad aan [X] en over het vrijgeven van de door de gemeente beslagen goederen. Bij brief van 18 mei 2018 is namens de gemeente meegedeeld dat [X] in de gelegenheid werd gesteld om het huisraad (tevens bevattende een grote hoeveelheid spullen uit het atelier van [X] , in totaal 945 kuub) op te halen, waarbij de gemeente zich ten aanzien van de opslagkosten alle rechten voorbehield. Ook is namens de gemeente meegedeeld dat zij bereid was het beslag op de kunstwerken op te heffen tegen afgifte van een bankgarantie. Bij brief van 3 oktober 2018 is namens de gemeente meegedeeld dat [X] nog tot 9 oktober 2018 in de gelegenheid werd gesteld om het huisraad op te halen zonder de opslagkosten te betalen, bij gebreke waarvan namens de gemeente een kort geding aanhangig zou worden gemaakt. Na het uitbrengen van de kort geding dagvaarding heeft [X] op 28 november 2018 het huisraad opgehaald, waarna het kort geding is ingetrokken. Een bankgarantie in verband met het beslag op de kunstwerken is nooit gesteld. 2.23 Bij arrest van 18 december 2018 heeft dit hof het hiervoor onder 2.17 genoemde vonnis (waarbij de vordering van de gemeente tot opheffing van het door [X] gelegde beslag op het pand was toegewezen) bekrachtigd. 2.24 Bij vonnis van 23 januari 2019 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat tussen [X] en de gemeente ten aanzien van het pand geen koopovereenkomst tot stand was gekomen. Verder heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen met [X] over de aankoop van het pand af te breken. 2.25 Nadat [X] bij het bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - vonnis was veroordeeld tot betaling aan de gemeente van diverse bedragen (in totaal circa vier ton), heeft de gemeente stappen ondernomen om de in beslag genomen kunstwerken openbaar te gaan verkopen. In verband met die voorgenomen verkoop hebben partijen diverse kort geding procedures gevoerd. Bij de in die zaken gewezen vonnissen heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland onder meer de door [X] gevorderde opheffing van het beslag afgewezen, de executieverkoop meerdere malen geschorst en, uiteindelijk, bepaald dat de gemeente de openbare verkoop van de roerende zaken van [X] vanaf 9 april 2021 mag voortzetten. 3Beoordeling Procedure bij de kantonrechter 3.1 De gemeente heeft, samengevat, gevorderd: - een verklaring voor recht dat de overeenkomsten zijn geëindigd door opzegging, subsidiair door ontbinding, meer subsidiair ontbinding van de overeenkomsten; - veroordeling van [X] tot betaling van: * € 361.340,- aan ontruimingskosten, met rente; * € 944,22 aan buitengerechtelijke kosten, met rente; * kosten opstarten kort geding ophalen huisraad, met rente; * € 2.000,- aan verbeurde dwangsommen, met rente; * € 19.519,71 aan achterstallige gebruikskosten, met rente en de vanaf 1 juli 2019 verschuldigde gebruikskosten, begroot op € 500,- per maand; * € 9.929,- per maand na juni 2019 aan opslagkosten; * proceskosten en beslagkosten, vermeerderd met nakosten en rente. 3.2 Kort gezegd zijn de overeenkomsten volgens de gemeente rechtsgeldig opgezegd en was zij genoodzaakt de ontruiming zelf ter hand te nemen waardoor zij kosten heeft moeten maken, die [X] moet vergoeden. 3.3 [X] heeft, samengevat, de volgende tegenvorderingen (‘reconventie’) ingediend: - veroordeling van de gemeente tot vergoeding van schade op te maken bij staat en tot betaling van een voorschot op die schade van € 379.329,91; - opheffing van het door de gemeente op 17 april 2018 gelegde beslag en bewaarneming (‘sekwestratie’); - bevel aan de gemeente tot afgifte van alle opgeslagen zaken aan [X] onder voldoening van alle kosten die [X] voor transport en opslag daarvan moet maken. 3.4. Kort gezegd moeten de overeenkomsten volgens [X] als huurovereenkomsten worden beschouwd, zijn zij niet rechtsgeldig opgezegd, pleegt de gemeente wanprestatie door hem niet langer huurgenot te verschaffen, was de ontruiming onrechtmatig en moet de gemeente de door [X] geleden schade vergoeden. 3.5 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van de gemeente grotendeels toegewezen, de vorderingen van [X] afgewezen en [X] veroordeeld in de proceskosten. Samengevat heeft de kantonrechter het volgende overwogen. Hoewel uit de overeenkomsten en de latere correspondentie van partijen kan worden afgeleid dat hen bij het aangaan van de overeenkomsten bruikleen voor ogen heeft gestaan, kan het antwoord op de vraag of het bruikleen betreft of huur verder in het midden blijven. Want ook als het om huurovereenkomsten zou zijn gegaan, zijn die rechtsgeldig door de gemeente opgezegd. In dat geval zou het namelijk huur betreffen als bedoeld in artikel 7:230a BW. Dat huurregime stelt aan de opzegging van huurovereenkomsten geen verdere eisen. [X] heeft geen gebruik gemaakt van de in dat artikel geboden ontruimingsbescherming. Het betrof geen huur van woonruimte en evenmin huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. De overeenkomsten zijn op 30 juni 2017 geëindigd en [X] had het pand op die datum leeg en ontruimd aan de gemeente moeten opleveren. De ontruiming was rechtmatig. [X] moet de kosten van ontruiming en opslag (€ 361.340,-) vergoeden, evenals de opslagkosten voor kunst van € 9.929,- per maand na juni 2019 tot aan het moment dat de kunst niet meer is opgeslagen. Aan verbeurde dwangsommen moet [X] € 1.500 betalen. Verder moet [X] € 16.519,71 en € 8.000,- wegens vergoeding voor gas, water en elektriciteit betalen, alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente. De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De door de gemeente gevorderde buitengerechtelijke kosten en kosten opstarten kort geding ophalen huisraad zijn door de kantonrechter afgewezen. Hoger beroep 3.6 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [X] met veertien grieven op. [X] handhaaft zijn tegenvorderingen met dien verstande dat hij behalve opheffing van het door de gemeente op 17 april 2018 gelegde beslag ook schorsing van de executie daarvan vordert. De gemeente heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar vorderingen. Zij heeft wel in randnummer 6.144 van haar memorie van antwoord gesteld dat de kantonrechter ten onrechte een bedrag van € 16.519,71 (ter zake van de kosten van gas, water en elektriciteit) in plaats van € 19.519,71 heeft toegewezen en dat ‘om deze reden incidenteel appel wordt ingesteld’, maar de kop van deze memorie vermeldt geen incidenteel hoger beroep en gemeente concludeert in deze memorie enkel tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. De later ingediende akte wijziging eis ziet op andere kosten (ontruimingskosten en kosten van opslag). Oordeel verwijzende rechter geen bindende eindbeslissing 3.7 De gemeente had deze zaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank. Volgens [X] was de kantonrechter bevoegd, aangezien het in zijn ogen om huur gaat. De rechtbank heeft bij vonnis in incident van 12 september 2018 de zaak naar de kantonrechter verwezen. Daarbij gaf de rechtbank als voorlopig oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten als huurovereenkomsten moeten worden aangemerkt. Volgens [X] is dat oordeel tot stand gekomen na inhoudelijk debat door partijen. Daarom had de kantonrechter in het bestreden vonnis het oordeel van de verwijzende rechter niet mogen negeren. De kantonrechter had naar analogie van de leer van de bindende eindbeslissing een verzwaarde motiveringsplicht omdat werd afgeweken van het oordeel in het verwijzingsvonnis, aldus [X] in de toelichting op grief 1. 3.8 De grief slaagt niet. De kantonrechter heeft terecht overwogen dat het oordeel van de verwijzende rechter een voorlopig oordeel is waaraan de volgende rechter niet is gebonden (met uitzondering van de verwijzing zelf). Dat oordeel is geen bindende eindbeslissing. Een verzwaarde motiveringsplicht geldt dan niet. Dit wordt niet anders in het geval ten overstaan van de verwijzende rechter een inhoudelijk debat heeft plaatsgevonden. Het in artikel 71 Rv neergelegde systeem van verwijzing, met name het bepaalde in het derde en het vijfde lid, staat aan het door [X] bepleite standpunt in de weg. Geen woonruimte 3.9 Net als de kantonrechter zal het hof in het midden laten of de overeenkomsten huurovereenkomsten of bruikleenovereenkomsten zijn en slechts beoordelen of, als het huurovereenkomsten zouden zijn, de beëindiging daarvan rechtsgeldig is. Daartoe overweegt het hof allereerst dat in dat geval het regime voor huur van woonruimte niet van toepassing zou zijn. Voor de beantwoording van de vraag of het huurregime woonruimte van toepassing zou zijn op de ruimte die bij de atelierovereenkomst en/of de museumovereenkomst aan [X] ter beschikking is gesteld, is van belang wat partijen omtrent het gebruik van die ruimte voor ogen heeft gestaan. Daarbij moet mede in aanmerking worden genomen de inrichting van de ruimte. 3.10 Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit niets blijkt dat partijen bij het aangaan van deze overeenkomsten voor ogen heeft gestaan de in gebruik gegeven/ter beschikking gestelde ruimtes als woonruimte te bestemmen. De tekst van de overeenkomsten wijst juist op het tegendeel. In de atelierovereenkomst is vermeld dat de ruimte tijdelijk wordt gebruikt als broedplaats voor kunst en cultuur en dat de ruimte met hetzelfde doel door meer personen zal worden gebruikt. In de museumovereenkomst is uitdrukkelijk opgenomen dat de ter beschikking gestelde ruimte uitsluitend als expositieruimte is bestemd en dat het de gebruiker niet is toegestaan zonder voorafgaande schriftelijk toestemming van de gemeente een andere bestemming aan de ter beschikking gestelde ruimte te geven. Verder staat als niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat de in gebruik gegeven/ter beschikking gestelde ruimtes bij aanvang van de overeenkomsten niet voor bewoning geschikt waren. In het licht van het voorgaande biedt het feit dat in de overeenkomsten de bestemming woonruimte niet uitdrukkelijk wordt uitgesloten dan ook geen steun voor de juistheid van het standpunt van [X] . Dat wordt niet anders door het enkele feit dat de gemeente de opsteller van de overeenkomsten is. Mede omdat de tekst van de overeenkomsten juist niet wijst op gebruik als woonruimte, valt niet in te zien op grond waarvan [X] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat (ook) de gemeente gebruik als woonruimte voor ogen had. Overigens blijkt uit niets dat [X] ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten in 2008 en 2012 zelf is uitgegaan van de toepasselijkheid van het huurregime woonruimte. Er zijn juist aanknopingspunten voor het tegendeel: zo blijkt uit de gespreksnotitie van 22 januari 2014 (zie 2.7) dat [X] het daarin slechts heeft over de ruimte ‘die gebruikt wordt voor het Rob Scholte Museum’ en de ruimte ‘die hij gebruikt als atelier’ en bovendien wat betreft de opzegbaarheid van de overeenkomsten in dat gesprek niet verwijst naar belemmeringen die voortvloeien uit het huurregime woonruimte. Ook is niet gebleken dat hij zich op het adres van het pand heeft ingeschreven. 3.11 Dat [X] later woonvoorzieningen heeft aangebracht in een deel van de ruimte die onder de atelierovereenkomst valt en daar met zijn gezin is gaan wonen en dat de gemeente daarvan op enig moment op de hoogte is geraakt, verandert de overeengekomen bestemming niet, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen. Evenmin is komen vast te staan dat de gemeente met het gebruik als woonruimte heeft ingestemd. Integendeel; de gemeente heeft na de constatering dat [X] met zijn gezin woonachtig is in het pand, hem direct aangeschreven bij brief van 23 mei 2014 en bij besluit van 21 augustus 2014 een last onder dwangsom opgelegd (zie 2.9). Zij heeft verder voldoende onderbouwd toegelicht wat de reden was van het niet voortzetten van de aanvankelijk tegen dat gebruik als woonruimte ingezette (bestuursrechtelijke) handhaving. Die reden was niet een instemming alsnog met dat gewijzigd gebruik. [X] heeft een en ander onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het hof verwerpt ook zijn stelling dat de gemeente haar recht om [X] en zijn gezin de huurbescherming woonruimte te ontzeggen heeft verwerkt na de gegrondverklaring van [X] bezwaar in het hiervoor bedoelde bestuursrechtelijke traject. Die omstandigheid brengt op zichzelf niet mee dat [X] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de gemeente alsnog instemde met het gebruik als woonruimte. Bijkomende bijzondere omstandigheden op grond waarvan de gemeente haar rechten op dit punt zou hebben verwerkt zijn niet gesteld of gebleken. 3.12 [X] heeft zich beroepen op het door de gemeente in 2009 opgestelde document ‘Broedplaatsen in Den Helder’. Daarin wordt bij ‘broedplaatsen’ uitgegaan van tijdelijk beschikbare panden ‘mogelijk in combinatie met woonruimte’. Daargelaten dat daaruit niet zonder meer een bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomsten kan worden afgeleid, strandt dit beroep van [X] al op het feit dat (het
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.