afdeling strafrecht parketnummer: 23-000502-21 datum uitspraak: 25 maart 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-075778-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Heerhugowaard [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] op de grond te trekken en/of meermalen tegen het hoofd en/of de nek, althans het lichaam te slaan en/of tegen het lichaam te schoppen; 2.hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Heerhugowaard [benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] te duwen en/of tegen zijn oor en/of hoofd te slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere overwegingen komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld en daarom integraal moet worden vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces dient te worden verworpen. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer en noodweerexces als bedoeld in artikel 41, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht onder meer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof overweegt dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring, kan worden vastgesteld dat de verdachte, nadat [benadeelde 1] bij hem weg liep en zonder dat hij op dat moment door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] werd aangevallen, geweldshandelingen heeft verricht door [benadeelde 1] bij zijn arm naar de grond te trekken en tegen zijn hoofd te slaan en door [benadeelde 2] tegen zijn hoofd te slaan. Het hof is, gelet hierop, van oordeel dat in de situatie van de verdachte op het moment dat hij de geweldshandelingen verrichte geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederechtelijke aanranding, zodat zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces om die reden worden verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Heerhugowaard [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] op de grond te trekken en meermalen tegen het hoofd te slaan. 2.hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Heerhugowaard [benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] tegen zijn hoofd te slaan. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: telkens mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de straf gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich na een woordenwisseling met twee buurtbewoners schuldig gemaakt aan mishandeling door één van hen bij zijn arm naar de grond te trekken en hen beiden op hun hoofd te slaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers die letsel en pijn hebben ondervonden. Daarnaast dragen dergelijke feiten bij aan gevoelens van onrust in de samenleving, temeer nu deze op de openbare weg hebben plaatsgevonden. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van het advies van Reclassering Nederland van 22 februari 2021 alsmede hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw hieromtrent ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht. Daaruit is onder meer gebleken dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten kampte met problemen op diverse leefgebieden – zo bestonden, en bestaan, er bij de verdachte veel zorgen over de gezondheid van zijn zoontje en kampte de verdachte met psychische klachten – alsmede dat de verdachte thans in zijn huidige leefomgeving, waar de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden, nog steeds wordt geconfronteerd met zijn handelen. Daarnaast heeft de verdachte op eigen initiatief een behandeling gericht op emotieregulatie gevolgd waardoor hij nu, naar eigen zeggen, beter met zijn emoties kan omgaan. Het hof ziet in de hiervoor weergegeven persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding de door de politierechter opgelegde taakstraf geheel in voorwaardelijke vorm op te leggen en acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, zodat het hof in hoger beroep nog heeft te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze in hoger beroep nog aan de orde is. De raadsvrouw heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 250,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.