afdeling strafrecht parketnummer: 23-002334-19 datum uitspraak: 25 maart 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-138754-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 22 juli 2017, te Haarlem [benadeelde] heeft mishandeld door deze te slaan en/of stompen in het gezicht, althans tegen het lichaam. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen. Bewijsoverweging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verklaringen van de aangever [benadeelde] en de getuige [getuige] niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat om verschillende redenen moet worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van hun verklaringen. De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken van enige aanwijzing voor twijfel aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever [benadeelde] en de getuige [getuige]. Naast het feit dat zij vrijwel direct na het incident een gedetailleerde en inhoudelijk met elkaar overeenkomende verklaring hebben afgelegd, vinden deze verklaringen, voor zover dat de gebeurtenissen buiten het café betreffen, steun in de beschrijving van hetgeen op de camerabeelden is waargenomen alsmede het door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, welk proces-verbaal op de dag van het incident op ambtsbelofte is opgemaakt en uit welk proces-verbaal blijkt dat verbalisant [verbalisant] het incident op korte afstand heeft zien gebeuren. De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden doen daaraan geen afbreuk. Het hof zal deze verklaringen dan ook voor het bewijs gebruiken. Het hof stelt met betrekking tot het beroep op noodweer voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht onder meer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof overweegt dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de beschrijving van hetgeen op de camerabeelden is waargenomen, kan worden vastgesteld dat de verdachte, nadat [benadeelde] de verdachte uit de greep om zijn nek had losgelaten en na een kort gesprek bij de verdachte wegliep, direct, en zonder dat hij op dat moment nog door [benadeelde] werd aangevallen, geweldshandelingen heeft verricht door [benadeelde] in zijn gezicht te slaan. Het hof is, gelet hierop, van oordeel dat de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [benadeelde], bestaande uit een greep om de nek van de verdachte, reeds was geëindigd op het moment dat de verdachte [benadeelde] in zijn gezicht sloeg, zodat in de situatie van de verdachte op het moment dat hij de geweldshandelingen verrichte niet langer sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en het beroep op noodweer om die reden wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 22 juli 2017 te Haarlem, [benadeelde] heeft mishandeld, door deze te slaan in het gezicht. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De raadsvrouw heeft primair verzocht een geheel voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van één jaar op te leggen en subsidiair verzocht een geldboete met betaling in termijnen op te leggen, omdat de redelijke termijn is overschreden en de verdachte sinds de pleegdatum van het tenlastegelegde feit, een periode van vijf jaar, niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in het uitgaansleven schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer in zijn gezicht te slaan. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan pijn en letsel in zijn gezicht opgelopen. Daarmee is inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Daarnaast roept dit soort uitgaansgeweld gevoelens van onrust en onveiligheid op in de samenleving. Het hof stelt vast dat na het instellen van hoger beroep bijna drie jaar is verstreken voordat het hof arrest heeft gewezen, waardoor de redelijke termijn waarbinnen strafzaken dienen te worden berecht – uitgaande van twee jaar per instantie en gerekend vanaf 6 juni 2019, de datum waarop namens de verdachte hoger beroep is ingesteld – in hoger beroep met negen maanden is overschreden. Het toepasselijke oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht noemt in beginsel als gepaste straf voor een mishandeling met lichamelijk letsel ten gevolge een geldboete ter hoogte van € 750,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.