GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.262.725/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6038618 CV EXPL 17-12693 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 maart 2022 inzake [verhuurder] , wonend te [plaats A] , appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. Th.C. Visser te Rotterdam, tegen [huurder] , wonend te [plaats A] , geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, advocaat: mr. J. Wolfrat te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [verhuurder] en [huurder] genoemd. [verhuurder] is bij dagvaarding van 8 juli 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 8 april 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [huurder] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en [verhuurder] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met een productie; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Aanvankelijk had het hof in deze zaak op verzoek van partijen een datum vastgesteld voor een mondelinge behandeling. Nadat deze op verzoek van partijen was aangehouden, hebben partijen van het houden van een mondelinge behandeling afgezien. Ten slotte is arrest gevraagd. [verhuurder] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog, zo begrijpt het hof, de vorderingen van [huurder] zal afwijzen en de vorderingen van [verhuurder] zal toewijzen, met veroordeling van [huurder] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en rente. [huurder] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met uitzondering van het dictum onder III., en in het incidenteel hoger beroep dat het hof, opnieuw rechtdoende, zal bepalen dat [verhuurder] zich voor een lager bedrag dan in dat vonnis is bepaald mag beroepen op verrekening, een en ander zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [verhuurder] in de proceskosten van beide instanties. In het incidenteel hoger beroep heeft [verhuurder] geconcludeerd tot bekrachtiging, met veroordeling van [huurder] in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep. [verhuurder] heeft in het incidenteel hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1. tot en met 1.5. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, voor zover nog van belang. Waar nodig aangevuld met andere feiten die tussen partijen niet in geschil zijn, zijn die feiten de volgende. 2.1. [huurder] heeft van [verhuurder] in de periode (van in elk geval) 1 februari 2003 tot 1 december 2017 een gestoffeerde en gemeubileerde woonruimte gehuurd in [plaats A] . Het ging daarbij om geliberaliseerde woonruimte. Bij aanvang van de huurovereenkomst heeft [huurder] een waarborgsom van € 1.315,96 aan [verhuurder] betaald. 2.2. De huur bedroeg aanvankelijk in totaal € 1.500,00. Dit bedrag bestond uit € 900,00 aan kale huur, € 350,00 voor stoffering en meubilering en € 250,00 aan voorschot servicekosten voor gas, water, elektriciteit en verwarming (verder ook: nutsvoorzieningen). Het totaalbedrag is steeds in zijn geheel geïndexeerd. In 2016/2017 heeft [huurder] in totaal € 1.768,00 per maand betaald: € 1.060,00 aan kale huur, € 413,00 voor stoffering en meubilering en € 295,00 aan voorschot nutsvoorzieningen. 2.3. In de loop der tijd en in elk geval in 2016 hebben partijen meningsverschillen gekregen, onder meer over het gebruik van de berging. 2.4. [verhuurder] heeft nimmer meubels of stoffering vervangen, (mogelijk) op een ijskast na. [huurder] heeft daar ook niet om verzocht. Volgens een in opdracht van [huurder] opgesteld taxatierapport bedroeg de waarde van de roerende goederen in de woonruimte op 10 februari 2017 in totaal € 465,00. 2.5. Vanaf 2 maart 2017 heeft [huurder] teveel betaalde huur (kosten voor stoffering en meubilering) teruggevorderd van [verhuurder] . [verhuurder] heeft geweigerd om daaraan te voldoen. [huurder] heeft daarop deze procedure aangespannen. Vervolgens heeft [huurder] de huur per 1 december 2017 opgezegd. [verhuurder] heeft de waarborgsom niet aan [huurder] geretourneerd. 2.6. In de procedure bij de kantonrechter heeft [verhuurder] overzichten verstrekt van de servicekosten (nutsvoorzieningen) over de jaren 2014 tot en met 2017. Dergelijke overzichten had [verhuurder] niet eerder aan [huurder] verstrekt. 3Beoordeling 3.1. Deze zaak gaat in de kern over de vraag of [huurder] als (voormalig) huurder van geliberaliseerde woonruimte op grond van artikel 7:259 BW aanspraak kan maken op terugbetaling van door hem betaalde kosten voor stoffering en meubilering en op afrekening van de nutsvoorzieningen. 3.2. [huurder] heeft in conventie gevorderd dat de kantonrechter over de periode 1 februari 2014 tot 1 december 2017, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang: - voor recht verklaart dat de vergoeding voor stoffering en meubilering van de woonruimte € 7,75 per maand bedraagt; - [verhuurder] veroordeelt tot betaling van € 18.469,50 voor stoffering en meubilering en € 4.576,65 aan afrekening nutsvoorzieningen, te vermeerderen met de wettelijke rente. [huurder] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij ten aanzien van beide posten ten onrechte teveel aan [verhuurder] heeft betaald en dat hij deze bedragen daarom als onverschuldigde betalingen kan terugvorderen. 3.3. [verhuurder] heeft de vorderingen van [huurder] gemotiveerd bestreden. In reconventie, zo heeft de kantonrechter het althans opgevat, heeft [verhuurder] zich voor zover thans nog van belang beroepen op verrekening met een aantal posten. 3.4. De kantonrechter heeft in conventie de vorderingen van [huurder] toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen, voor zover van belang: 13. De kantonrechter stelt bij haar beoordeling voorop dat ook bij geliberaliseerde woonruimte de door de verhuurder in rekening te brengen servicekosten dienen te voldoen aan de wettelijke bepalingen van artikel 7:237 lid 3 BW jo. 7:259 BW, welke artikelen van toepassing zijn op zowel geliberaliseerde als niet-geliberaliseerde woonruimten. De strekking van artikel 7:259 lid 1 BW, in het licht van haar totstandkomingsgeschiedenis, is dat een overeengekomen bedrag voor servicekosten redelijk moet zijn, in de zin dat het in redelijke verhouding moet staan tot de waarde van hetgeen daarvoor wordt geboden (vgl ECLI:NL:GHAMS:2017:1761). 14. Afrekening servicekosten en nutsvoorzieningen (…) 15. Met betrekking tot de servicekosten heeft [huurder] terecht gesteld dat het wettelijk systeem als basis heeft dat er op servicekosten en nutsvoorzieningen geen winst wordt gemaakt; dat geldt voor de servicekosten (stoffering en meubilering) en temeer voor het doorberekenen van de kosten van de nutsvoorzieningen. (…) [verhuurder] mocht en mag slechts de werkelijk (redelijke) kosten in rekening brengen. 16. Servicekosten [huurder] heeft ten aanzien van de servicekosten ingebracht het rapport (…). Het rapport met de daarin genoemde bedragen is door [verhuurder] cijfermatig niet (voldoende) inhoudelijk weersproken. Het rapport komt ook redelijk voor, zeker tegen de achtergrond van de onbetwiste stelling van [huurder] dat in alle jaren door [verhuurder] niets is vervangen (mogelijk op een ijskast na). Wat [verhuurder] nog verder heeft aangevoerd, kan niet tot een andere beslissing leiden. 17. Dit betekent dat de kantonrechter de berekening van [huurder] volgt (…) 18. Nutsvoorzieningen In deze procedure heeft [verhuurder] eerst een berekening ingebracht van de kosten van de nutsvoorzieningen voor de woonruimte over 2016, op basis waarvan [huurder] een berekening heeft gemaakt. (…) 19. De kantonrechter heeft de beide berekeningen naast elkaar gelegd. [huurder] heeft - op basis van de door [verhuurder] ingebrachte stukken - zeer gedetailleerd en onderbouwd berekend welk bedrag hij aan de nutsvoorzieningen aan [verhuurder] per maand verschuldigd is. [huurder] heeft daarbij grotendeels de toedeling van [verhuurder] aangehouden en voor zover [huurder] niet mee gaat in de verdeling van [verhuurder] , komt dat de kantonrechter redelijk voor en wordt hij daarin gevolgd. De berekening van [verhuurder] wordt dus voor zover deze door [huurder] niet is erkend, niet redelijk bevonden. 3.5. In reconventie heeft de kantonrechter bepaald dat [verhuurder] zich voor een bedrag van € 2.690,35 mag beroepen op verrekening. Dit bedrag bestaat uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.