GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1 zaaknummer : 200.307.546/01 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van het gerechtshof Amsterdam op 24 maart 2022 inzake [appellante sub 1] en [appellant sub 2] in hun hoedanigheid van bewindvoerders van [X] , woonplaats kiezend te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. K. Renssen te 's-Gravenhage, tegen Stichting ELAN WONEN, gevestigd te Haarlem, geïntimeerde, advocaat: mr. R. Boekhoff te Soest. Appellanten worden hierna gezamenlijk aangeduid als [appellanten] , [X] als [X] en geïntimeerde als Elan. Tegenwoordig zijn: mr. M.A. Wabeke, voorzitter en mr. J.C. Toorman en mr. D. Kingma, leden van het hof en S. van den Wijngaard, griffier. Ter zitting zijn verschenen [X] en [appellant sub 2] voornoemd, bijgestaan door mr. Renssen voornoemd. Van de zijde van Elan zijn verschenen [A] en [B] , wijkregisseurs bij Elan, bijgestaan door mr. R. Boekhoff voornoemd. Bij vonnis van 31 januari 2022, onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als gedaagden en Elan als eiseres, heeft de kantonrechter op vordering van Elan uitvoerbaar bij voorraad [X] veroordeeld tot ontruiming van de woning aan de [adres] (hierna: de woning) binnen dertig dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van de proceskosten. [appellanten] zijn bij dagvaarding van 28 februari 2022 tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij die dagvaarding is de memorie van grieven met producties mee betekend. Daarbij hebben [appellanten] ook een incidentele vordering ingediend. Die houdt in, kort gezegd, schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis, althans een verbod tot ontruiming over te gaan zolang het hof in deze procedure nog geen arrest heeft gewezen. Elan heeft op 22 maart 2022 een memorie van antwoord in het incident en de hoofdzaak ingediend. [appellanten] hebben in het incident tot toewijzing van hun vordering geconcludeerd, met beslissing over de proceskosten. In de hoofdzaak hebben [appellanten] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van Elan en veroordeling van Elan in de proceskosten. Elan heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellanten] zowel in het incident als in de hoofdzaak en subsidiair tot afwijzing van de incidentele vorderingen en in de hoofdzaak tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten. Tijdens de mondelinge behandeling op 24 maart 2022 hebben de hiervoor genoemde advocaten aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen het woord gevoerd. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen beantwoord. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergegeven. De beoordeling Kort gezegd gaat het in deze zaak om de vraag of [X] zonder recht of titel in een woning van Elan verblijft en of [X] die woning moet ontruimen. Nadat de kantonrechter de gevorderde ontruiming had toegewezen, heeft Elan het vonnis aan [X] betekend en de ontruiming aangezegd tegen 22 maart 2022. Elan heeft evenwel toegezegd met ontruiming te wachten tot na het in deze zaak door het hof te wijzen arrest. Ontvankelijkheid hoger beroep 1. Als meest verstrekkend verweer heeft Elan aangevoerd dat [appellanten] niet in hun hoger beroep kunnen worden ontvangen. Elan heeft daartoe het volgende betoogd. De kantonrechter heeft de zaak op verzoek van partijen behandeld op de voet van artikel 96 Rv. Partijen hebben zich daarbij niet het recht op hoger beroep voorbehouden. Op grond van de tweede zin van artikel 333 Rv staat daarom geen hoger beroep tegen het bestreden vonnis open, aldus Elan. 2. [appellanten] hebben met grief 2 aangevoerd dat de kantonrechter artikel 96 Rv ten onrechte heeft toegepast. Volgens [appellanten] was de kantonrechter reeds op grond van artikel 93 sub c Rv bevoegd, omdat de door Elan ingestelde vordering betrekkelijk is tot huur. Alleen voor het geval de kantonrechter niet op grond van artikel 93 sub c Rv bevoegd zou zijn, hebben [appellanten] uit praktische overwegingen voorgesteld dat partijen zouden kunnen afspreken dat de kantonrechter op grond van artikel 96 Rv bevoegd is. Daarbij heeft de advocaat van [appellanten] echter wel het voorbehoud gemaakt dat hij eerst een eventuele afspraak om artikel 96 Rv toe te passen met [X] en zijn bewindvoerder wilde bespreken. 3. Het hof gaat veronderstellenderwijs ervan uit dat de gemaakte afspraak op basis van artikel 96 Rv pas aan de orde zou komen als de kantonrechter niet al op grond van artikel 93 sub c Rv bevoegd zou zijn. Die vraag beantwoordt het hof daarom eerst. 4. [appellanten] leggen in dit verband aan hun standpunt twee redenen ten grondslag:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.