GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.280.489/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7239069 CV EXPL 18-21271 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 maart 2022 inzake WONINGSTICHTING EIGEN HAARD, gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. S.M. Faber te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] , advocaat: mr. A.P.W. Tonen te Amsterdam, 2. [geïntimeerde sub 2], niet verschenen, beiden wonend te [woonplaats] , geïntimeerden. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Eigen Haard, [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd. Eigen Haard is bij dagvaarding van 21 april 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 28 januari 2020, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als gedaagden. Tegen [geïntimeerde sub 2] is verstek verleend. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties; - memorie van antwoord, met een productie; - akte, met producties, van Eigen Haard; - antwoordakte, met een productie, van [geïntimeerde sub 1] . Ten slotte is arrest gevraagd. Eigen Haard heeft na eiswijziging geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – de huurovereenkomst tussen Eigen Haard en [geïntimeerde sub 1] zal ontbinden, [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] op straffe van een dwangsom zal veroordelen tot ontruiming van het gehuurde, [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen tot betaling van de huur van € 441,48 per maand tot de datum van ontruiming, [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen tot betaling aan Eigen Haard van de kosten van het onderzoek van DPD recherche ten bedrage van € 6.229,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 september 2020 tot de dag van voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van het geding in beide instanties. [geïntimeerde sub 1] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en de vermeerdering van eis zal afwijzen, met veroordeling van Eigen Haard in de kosten van het hoger beroep. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 9 april 2019 (hierna: het tussenvonnis), onder 1.a tot en met 1.k, een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Deze feiten, voor zover nog van belang en door het hof aangevuld met feiten die als onweersproken zijn vast komen te staan, zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 2.1. [geïntimeerde sub 1] huurt sinds 2 juli 2008 van Eigen Haard de woning aan de [adres 1] (hierna: het gehuurde). Het betreft een sociale huurwoning (twee kamerwoning) van ca 40 m2. De huurprijs bedraagt per 1 juli 2018 € 427,26 per maand. 2.2. In de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden is, voor zover relevant, in artikel 10 bepaald: “1. Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte gebruiken. 2. Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd zelf bewonen en zal er zijn hoofdverblijf hebben.(…)” 2.3. In juli 2017 heeft Eigen Haard een melding ontvangen dat [geïntimeerde sub 1] het gehuurde niet zelf zou bewonen. 2.4. [geïntimeerde sub 1] staat vanaf juli 2008 tot op heden in de Basisregistratie Personen (BRP), voorheen de Gemeentelijke Basisadministratie, ingeschreven op het adres van het gehuurde. Vanaf september 2014 staat ook [geïntimeerde sub 2] op dat adres ingeschreven. De advocaat van [geïntimeerde sub 1] heeft ter zitting bij de kantonrechter meegedeeld dat [geïntimeerde sub 1] een verzoek heeft ingediend bij de BRP om [geïntimeerde sub 2] uit te schrijven op het adres van het gehuurde en dat dit verzoek in behandeling is genomen. 2.5. [geïntimeerde sub 1] heeft vier kinderen, geboren in 2013, 2014, 2017 en 2019. De kinderen woonden tot hun uithuisplaatsing medio 2020 bij de echtgenote van [geïntimeerde sub 1] in [plaats] . Op 19 september 2019 is [geïntimeerde sub 1] in voorlopige hechtenis gesteld op verdenking van strafbare betrokkenheid bij de dood van zijn echtgenote. 2.6. Tot zijn detentie liep [geïntimeerde sub 1] twee krantenwijken in [plaats] om 04.00 uur en verrichtte hij ’s middags en ’s avonds werkzaamheden als pakketbezorger voor PostNL in Halfweg. 2.7. Eigen Haard heeft in de periode van 2017 tot en met 2018 tientallen keren een huisbezoek afgelegd bij het gehuurde op verschillende tijdstippen gelegen tussen 09.00 uur en 21.00 uur, waarbij niemand in het gehuurde is aangetroffen. 2.8. Op 16 november 2017 heeft op het kantoor van Eigen Haard een gesprek plaatsgevonden tussen [getuige 4] en [A] namens Eigen Haard en [geïntimeerde sub 1] . Tijdens dit gesprek verklaart [geïntimeerde sub 1] samengevat het volgende: - [geïntimeerde sub 1] begint om 04.00 uur in [plaats] aan zijn krantenwijk en verlaat het gehuurde om 03.30 uur; - daarna moet hij om 09.30 uur pakketjes laden in Halfweg, deze werkzaamheden verricht hij tot laat in de avond rond 23.00 uur; - hij slaapt in het gehuurde behalve soms in het weekend wanneer hij in [plaats] slaapt; - er ligt 1 matras in de woning, 1 kledingkast en in de koelkast staat melk en koffiemelk; - hij heeft meerdere vriendinnen in Amsterdam, Utrecht en Zwolle. Tijdens het gesprek worden bankafschriften van [geïntimeerde sub 1] bestudeerd. In het rapport wordt vermeld dat “ [geïntimeerde sub 1] met zijn bankrekening zeer actief is in [plaats] en de [plaats] ”. 2.9. Tijdens het huisbezoek dat aansluitend wordt afgelegd constateren [A] en [getuige 4] , samengevat en zakelijk weergegeven: - dat er 5 matrassen in het gehuurde aanwezig zijn; - dat er 2 kledingkasten in plaats van 1 kledingkast aanwezig zijn; - dat er geen melk en koffiemelk in de koelkast staat, maar wel 2 pannen en een pak sap; - dat er geen sokken in de woning aanwezig zijn, 1 boxershort en dat er weinig kleding in de kast ligt, dat er tandpasta ligt maar geen tandenborstel, wel een scheermes maar geen scheerschuim of deodorant; - dat er stapels post op een tafeltje liggen; - dat er 7 of 8 vuilniszakken staan waarvan [geïntimeerde sub 1] verklaart na herhaaldelijk vragen dat er vuile was in zit; 1 zak wordt geopend en daar blijken inderdaad vuile kleren in te zitten. 2.10. Omwonenden uit de [naam straat] hebben, voor zover relevant, in april/mei 2018 als volgt verklaard: [getuige 3] ( [nummer] ): “Sinds 1½ jaar woont er niemand meer. Daarvoor wisselende bewoners, niet zijnde de hoofdbewoner. In verschillende samenstellingen.(…) Ik ken en herken de hoofbewoner, hij bezoekt zijn woning erg weinig, soms helemaal niet, soms 1x per maand. (…) Ik weet niet, waar hij wel woont.” [B] ( [nummer] ): “Volgens mij wordt deze woning niet bewoond. Het onkruid staat hoog en er komen muizen bij ons binnen. We zien nooit mensen in het huis.” [C] ( [nummer] ): “Er lijkt een hoofdbewoner te zijn die de woning gebruikt voor familie? of kennissen. (aldoor nieuwe gezichten). Op deze datum 14 mei heb ik al plusminus 3 jaar geen activiteiten gezien.” [D] ( [nummer] ): “According to me, no one live there next door. Only one black man come to the house every 10 or 15 days one time. (…)” 2.11. Op 17 mei 2018 heeft op het kantoor van Eigen Haard opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [getuige 4] en [A] namens Eigen Haard en [geïntimeerde sub 1] . Bij brief van diezelfde dag is [geïntimeerde sub 1] gesommeerd de huur op te zeggen, hetgeen hij heeft geweigerd. 3Beoordeling 3.1. In de procedure bij de kantonrechter heeft Eigen Haard ontbinding van de huurovereenkomst tussen haar en [geïntimeerde sub 1] en ontruiming van het gehuurde door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gevorderd. [geïntimeerde sub 2] is ook in eerste aanleg niet verschenen. 3.2. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis overwogen dat op Eigen Haard de bewijslast rust van haar – door [geïntimeerde sub 1] gemotiveerd betwiste – stelling dat [geïntimeerde sub 1] (in strijd met de huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden) in het gehuurde niet zijn hoofdverblijf houdt, althans dat hij het gehuurde zo weinig gebruikt dat dit in strijd komt met de eisen van goed huurderschap, en dat zij Eigen Haard voorshands in dit bewijs geslaagd acht. [geïntimeerde sub 1] is vervolgens toegelaten tot tegenbewijs. Daartoe heeft [geïntimeerde sub 1] twee getuigen doen horen en in contra-enquête heeft Eigen Haard nog vier getuigen doen horen. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter ten aanzien van de vraag of [geïntimeerde sub 1] zijn hoofdverblijf houdt in het gehuurde geoordeeld dat [geïntimeerde sub 1] is geslaagd in het hem opgedragen tegenbewijs, in die zin dat hij de stelling van Eigen Haard voldoende heeft ontzenuwd. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat Eigen Haard met de overgelegde stukken en de getuigen die zij in contra-enquête heeft doen horen niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering jegens [geïntimeerde sub 1] afgewezen, met veroordeling van Eigen Haard in de proces- en nakosten, en de vordering jegens [geïntimeerde sub 2] , nu die de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde sub 2] in de proces- en nakosten. 3.3. Het hoger beroep richt zich, zo blijkt uit de appeldagvaarding, eveneens tegen [geïntimeerde sub 2] . Nu de vordering van Eigen Haard jegens [geïntimeerde sub 2] bij het bestreden vonnis is toegewezen, heeft Eigen Haard evenwel geen belang bij haar hoger beroep, voor zover dat tegen [geïntimeerde sub 2] is gericht. Dit betekent dat Eigen Haard daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard. 3.4. Met haar vier grieven komt Eigen Haard op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde sub 1] is geslaagd in het tegenbewijs en dat de vordering van Eigen Haard jegens [geïntimeerde sub 1] wordt afgewezen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.5. Het hof constateert dat de grieven en het verweer daartegen van [geïntimeerde sub 1] zien op de situatie vóór de detentie van [geïntimeerde sub 1] . Over deze situatie stellen partijen, kort gezegd, het volgende. Volgens Eigen Haard gebruikt [geïntimeerde sub 1] het gehuurde niet zodanig dat gezegd kan worden dat hij daarin zijn hoofdverblijf houdt: hij is af en toe in het gehuurde, maar verblijft het grootste deel van de tijd bij zijn gezin in [plaats] . Als verweer voert [geïntimeerde sub 1] aan dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, maar dat hij in verband met zijn werkzaamheden (zes dagen per week) slechts een beperkt aantal uren in de nacht in het gehuurde aanwezig is – hij verlaat de woning vaak om 03.00 uur en keert dan niet eerder terug dan om 22.00 uur – en dat hij in het weekend (op zondag) vaak iets met zijn kinderen doet. 3.6. De bewijslast van haar stelling dat [geïntimeerde sub 1] zijn hoofdverblijf niet heeft in het gehuurde rust, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, bij Eigen Haard. Daartoe heeft Eigen Haard in eerste aanleg het door haar met betrekking tot het gehuurde aangelegde woonfraudedossier en vier schriftelijke verklaringen van omwonenden overgelegd. Verder heeft Eigen Haard in contra-enquête vier getuigen doen horen, te weten [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] (buren) en [getuige 4] (medewerker van Eigen Haard). Uit de, hiervoor onder 2.10 weergegeven, schriftelijke verklaringen blijkt dat de betreffende omwonenden hem al jaren niet of nauwelijks bij het gehuurde hebben gezien. Tijdens hun getuigenverhoor hebben [getuige 1] (die eerder een schriftelijke verklaring had afgelegd) en haar echtgenoot [getuige 2] , directe zijburen van [geïntimeerde sub 1] ( [nummer] ), beiden verklaard [geïntimeerde sub 1] niet eerder te hebben gezien. [getuige 1] heeft verder verklaard geen woongeluiden vanuit het gehuurde te hebben gehoord – behalve toen er een keer ’s nachts mensen verbleven die een Mercedes met Zwitsers kenteken hadden en toen er in 2015 een stel met een kindje woonde –, terwijl de woningen zeer gehorig zijn en zij van andere directe buren wél regelmatig woongeluiden heeft gehoord. [getuige 2] , die eind 2016 bij [getuige 1] is komen wonen en in 2017 overdag veel thuis was, heeft dit (over 2017) bevestigd. Toen de kantonrechter haar voorhield dat hun woon- en slaapkamer niet direct aan gehuurde grenzen, heeft [getuige 1] verklaard dat zij weliswaar meer van haar andere directe zijburen en de bovenburen hoort, maar dat zij die enkele keer dat er wel mensen in de woning van [geïntimeerde sub 1] waren dat wel duidelijk heeft gehoord. [getuige 3] , die direct boven het gehuurde woont ( [nummer] ), heeft als getuige weliswaar verklaard dat hij [geïntimeerde sub 1] kent als bewoner van het gehuurde, maar hij heeft ook verklaard dat er vanaf begin januari 2015 zeker een half jaar andere mensen met een kindje in het gehuurde hebben gewoond en daarna af en toe iemand niet zijnde [geïntimeerde sub 1] . Over het jaar 2017 heeft hij verklaard dat hij gedurende dat jaar [geïntimeerde sub 1] regelmatig met zijn vrouw en kinderen in de weekends in de woning heeft gezien en ook gehoord en dat de vrouw van [geïntimeerde sub 1] soms doordeweeks nog een dag of twee langer bleef. Hoewel deze verklaring niet geheel overeenstemt met zijn schriftelijke verklaring uit april 2018 dat de woning al anderhalf jaar niet wordt bewoond, heeft ook hij – toen hem die verklaring werd voorgehouden – onder ede verklaard dat hij doordeweeks niets hoorde in het gehuurde, afgezien van de paar keer dat de vrouw van [geïntimeerde sub 1] langer bleef na het weekend. Dat de echtgenote van [geïntimeerde sub 1] na het weekend nog in het gehuurde bleef, is overigens door [geïntimeerde sub 1] zelf nooit naar voren gebracht. Uit al deze verklaringen komt het beeld naar voren dat [geïntimeerde sub 1] (al vanaf 2015) het gehuurde niet vaak zelf gebruikte. Dit beeld wordt bevestigd door wat er blijkens het woonfraudedossier, waarvan [geïntimeerde sub 1] de inhoud op zichzelf niet heeft betwist, bij het huisbezoek op 16 november 2017 door medewerkers van Eigen Haard in het gehuurde is aangetroffen aan (schaarse) meubilering en zeer beperkte hoeveelheid levensmiddelen, kleding en producten voor persoonlijke verzorging. Ook staat in dit dossier dat uit bestudering van zijn bankafschriften is gebleken dat [geïntimeerde sub 1] met zijn bankrekening zeer actief is in [plaats] en de [plaats] . 3.7. Eigen Haard heeft ter verdere ondersteuning van haar stellingen in hoger beroep een rapport van recherchebureau DPD in het geding gebracht. Ook daaruit blijkt volgens Eigen Haard dat [geïntimeerde sub 1] zijn hoofverblijf niet heeft in het gehuurde, maar in de woning van zijn echtgenote in [plaats] . De rapportage is gebaseerd op (buurt)onderzoek, waarnemingen en heimelijk gemaakte camerabeelden rondom het gehuurde en rondom de woning van de echtgenote van [geïntimeerde sub 1] . De waarnemingen werden bij het gehuurde verricht in de periode van 22 tot en met 26 april 2020 en bij de woning van de echtgenote van [geïntimeerde sub 1] in [plaats] van 15 tot en met 19 juni 2020. Blijkens de rapportage is tijdens de inzetten in respectievelijk april en juni 2020 waargenomen dat [geïntimeerde sub 1] doordeweeks de nacht niet altijd in het gehuurde doorbrengt, maar ook verschillende keren in [plaats] , en dat hij tussen zijn krantenwijk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.