← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2023:1080

GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.323.473/01 zaak- / rekestnummer rechtbank: 10032541 EB VERZ 22-11188 (BM 11730) beschikking van de meervoudige kamer van 2 mei 2023 inzake [de rechthebbende] , wonende te [plaats A] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de rechthebbende, advocaat: mr. D. Duijvelshoff te Amsterdam. Het hof heeft als belanghebbenden in deze zaak aangemerkt: - [X] namens [X] Bewindvoering B.V., gevestigd te [plaats A] (hierna te noemen: de curator); - [Y] handelend onder de naam Cocon Beschermingsbewind, gevestigd te Medemblik, (hierna te noemen: de voormalig bewindvoerder); - [kind 1] wonende te ’ [plaats B] (hierna te noemen: [kind 1] ); - [kind 2] , wonende te [plaats A] (hierna te noemen: [kind 2] ). 1Het verloop van de procedure bij de kantonrechter Het hof verwijst voor het verloop van de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna te noemen: de kantonrechter) van 16 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2De procedure in hoger beroep 2.1 De rechthebbende is op 21 februari 2023 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 16 november

  1. Rechthebbende heeft bij bericht van 16 maart 2023 nadere stukken ingediend. 2.2 De mondelinge behandeling, die enkel als onderwerp had de ontvankelijkheid van het hoger beroep van verzoeker, heeft op 3 april 2023 plaatsgevonden. Verschenen is de advocaat van de rechthebbende. De rechthebbende is niet verschenen. 3De feiten 3.1 De rechthebbende is geboren [in]
  2. De rechthebbende is de moeder van [kind 1] en [kind 2] . 3.2 Bij beschikking van 6 december 2012 heeft de kantonrechter, over de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, bewind ingesteld wegens lichamelijke/geestelijke toestand van de rechthebbende, met benoeming van [Y] , h.o.d.n. Cocon Beschermingsbewind tot bewindvoerder. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, op verzoek van de bewindvoerder tot omzetting van het bewind in curatele, de rechthebbende onder curatele gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [X] Bewindvoering B.V. als curator. 4.2 De rechthebbende verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre - zo begrijpt het hof -, de ondercuratelestelling op te heffen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Artikel 806 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering regelt voor zaken van personen- en familierecht de beroepstermijn en de aanvang daarvan. Op grond van het eerste lid, aanhef en onder a, van dat artikel kan van een beschikking door de verzoeker hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. De bestreden beschikking dateert van 16 november
  3. Uit de bestreden beschikking is op te maken dat de rechthebbende ter zitting in eerste aanleg is verschenen. Dit brengt met zich dat zij in de procedure is verschenen als bedoeld in artikel 271 Rv. Verder blijkt uit de stukken dat de griffier van de rechtbank Amsterdam de bestreden beschikking op 17 november 2022 aan de rechthebbende heeft verzonden. Hiertegen had de rechthebbende uiterlijk op 16 februari 2023 hoger beroep moeten instellen. De rechthebbende heeft haar beroepschrift eerst op 21 februari 2023 ingediend. 5.2 Allereerst is aan de orde de vraag of de rechthebbende ontvankelijk is in haar hoger beroep. 5.3 De rechthebbende stelt zich op het standpunt dat zij in haar hoger beroep ontvankelijk is. Volgens haar is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij is in de periode dat de beroepstermijn liep vaak in het ziekenhuis geweest vanwege haar slechte medische gesteldheid en heeft weliswaar geprobeerd om in die periode een advocaat te vinden, maar uiteindelijk is dit pas na het verstrijken van de hoger beroepstermijn gelukt. De rechthebbende verzoekt alsnog ontvankelijk te worden verklaard. 5.4 Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak zijn rechtsmiddelentermijnen van openbare orde en moeten deze door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen dient dan ook strikt de hand te worden gehouden. Het hof ziet in hetgeen namens de rechthebbende is aangevoerd geen aanleiding om uit te gaan van een ruimere hoger beroepstermijn dan de wettelijke. De omstandigheid dat het de rechthebbende wegens haar slechte medische gesteldheid niet is gelukt om binnen de beroepstermijn een advocaat te vinden, rechtvaardigt een verlenging van de hoger beroepstermijn niet. Het beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding faalt. Het hof zal de rechthebbende dan ook in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaren. 5.5 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing Het hof: verklaart de rechthebbende niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.T. Hoogland, G.W. Brands-Bottema en S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 2 mei 2023 in het openbaar uitgesproken door mr. M.C. Schenkeveld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.