← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2023:1444

GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer wrakingszaak : 200.321.948/01 zaaknummer hoofdzaak : 22/00170 beslissing van de wrakingskamer van 13 maart 2023 inzake het op 18 januari 2023 gedane verzoek namens [verzoeker] , wonende te [woonplaats], hierna: verzoeker, gemachtigde: mr. A. Bakker. 1Het geding 1.1 In de procedure in de hoofdzaak van verzoeker tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, geregistreerd onder voormeld zaaknummer, heeft de gemachtigde bij e-mailbericht van 18 januari 2023 een verzoek tot wraking gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van mr. A.M. van Amsterdam (hierna: de raadsheer) en de griffier. 1.2 De raadsheer heeft op 31 januari 2023 laten weten niet te berusten in het wrakingsverzoek en heeft een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven. Op 20 februari 2023 heeft de raadsheer medegedeeld dat hij in beginsel niet zal verschijnen op de geplande zitting van de wrakingskamer van 6 maart

  1. 1.3 Op 6 maart 2023 is het wrakingsverzoek behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn – zonder bericht – niet verschenen. 2De feiten en het procesverloop De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari
  2. In de hoger beroepsprocedure heeft op 18 januari 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op deze zitting is de hoofdzaak aangehouden omdat – kort gezegd – bleek dat het hof niet over alle stukken beschikte en ook om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen te reageren op het tiendagenstuk van de zijde van verzoeker. 3Het wrakingsverzoek De gemachtigde heeft namens verzoeker in zijn e-mail van 18 januari 2023 aan de griffier de volgende gronden voor het wrakingsverzoek aangevoerd: “Bij dezen wens ik u te berichten dat ik m.i. vandaag schandalig ben behandeld. Uit uw e-mail blijkt, immers, niet dat u een kopie wenste van het aanvullend hoger beroep, maar spreekt u over: aangeleverde stukken. Daarbij zet u mij op het verkeerde been, zodat ik uitga van de stukken van 8 januari jl. Ik ging er vanuit dat u die niet had ontvangen. Ook na ontvangst van die stukken, heeft u bewust niet aangegeven dat u kennelijk het aanvullend hoger beroep bedoelde. Slechts een dag voor tijd bericht u mij overigens. Ook blijkt dat u pas dinsdag 17 januari a.s. toekwam aan bestudering van het aanvullend hoger beroep en er kennelijk geen enkele verdere voorbereiding voor de zitting is geweest. Gelukkig, had de gemeente/heffingsambtenaar de stukken nog…, althans het aanvullend hoger beroep. Had de gemeente/heffingsambtenaar dat niet aangegeven dat het juiste aanvullende hoger beroep was ingediend dan had u de zaak om zeep geholpen in samenwerking met de rechter en de rechter door op zitting kortaf te doen, mij telkens te interrumperen, mij niet in gelegenheid te stellen desnoods op zitting het aanvullend hoger beroep te tonen en kortom mij niet in de gelegenheid te stellen aan te tonen op welke manier dan ook dat het aanvullend hoger beroep wel degelijk juist was ingediend. Door uw zinssnede: ‘door u aangeleverde stukken’ heeft u m.i. bewust daartoe aangezet en daarna heeft de rechter er alles, ook bewust, aan gedaan om mij maar op welke wijze dan ook, van tonen aanvullend hoger beroep tot het afbreken van mijn spreektijd om de zaak om zeep te helpen. Ik heb daarmee en daardoor er absoluut geen vertrouwen meer in dat de rechter en u onpartijdig naar de onderhavige kwestie zullen kijken. Ik wraak u dan ook u en de rechter.” 4Het oordeel van de wrakingskamer 4.1 De wet biedt niet de mogelijkheid tot wraking van de griffier. 4.2 Verzoeker is daarom niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de griffier. 4.3 Op grond van artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken. 4.4 Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd. 4.5 Op de zitting van 18 januari 2023 is de hoofdzaak aangehouden omdat bleek dat hof niet over alle stukken beschikte en ook om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen te reageren op het tiendagenstuk van de zijde van verzoeker. Het gaat hier om procesbeslissingen. Aan een inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak is niet toegekomen. Uit het proces-verbaal van de zitting, dat heeft te gelden als kenbron voor hetgeen tijdens de zitting heeft plaatsgevonden, en uit de correspondentie met de gemachtigde voorafgaand aan de zitting, kan geenszins worden afgeleid dat de raadsheer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij hem dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 4.6 Het verzoek tot wraking van de raadsheer zal worden afgewezen. 5De beslissing Het hof: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek van 18 januari 2023 tot wraking van de griffier; - wijst het verzoek tot wraking van mr. A.M. van Amsterdam af. Deze beslissing is gegeven door mrs. F.J.P.M. Haas, R. Kuiper en I.A. Haanappel-van der Burg, in tegenwoordigheid van mrs. S.W.H. Bootsma en I.A. Kranenburg, griffiers, en is op 13 maart 2023 in het openbaar uitgesproken. De voorzitter en griffier, mr. I.A. Kranenburg, ondertekenen de uitspraak. De griffier, mr . S.W.H. Bootsma, is buiten staat de beslissing mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.