afdeling strafrecht parketnummer: 23-003147-22 datum uitspraak: 16 maart 2023 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-255575-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beslissingen dan de rechtbank, zodat het hof zich verenigt met het vonnis waarvan beroep en dit derhalve zal bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een aantal passages uit het door de rechtbank als bewijsmiddel opgenomen studioverhoor van [benadeelde] schrapt en het volledige bewijsmiddel, zoals dat resteert, ten behoeve van de begrijpelijkheid als bijlage bij dit arrest voegt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de initiële omschrijving van de schade als ‘voorschot op het smartengeld’ in het verzoek tot schadevergoeding, niet in de vordering kan worden ontvangen, en subsidiair verzocht de vordering te matigen. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt op grond van de toelichting van de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep vast dat de benadeelde partij geen voorschot op het smartengeld vordert, maar een gedeelte van de schade dat reeds nu gemakkelijk is vast te stellen, zodat de benadeelde partij niet reeds op die grond niet in de vordering kan worden ontvangen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, gelet op de aard en de ernst van de normschending alsmede de gevolgen daarvan voor de benadeelde zoals die zijn gebleken uit de brief van Kenter Jeugdhulp van 24 augustus 2022, op andere wijze in zijn persoon is aangetast en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 1.500,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.