GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.311.089/01 KG zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/326575/ KG ZA 22-132 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juli 2023 inzake 1 [appellante 1] , 2. [appellant 2], beiden wonend te [woonplaats 1] , appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden, advocaat: mr. S. Gadellaa te Bilthoven, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats 2] , geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, advocaat: mr. E.N. van Essen te Alkmaar. Partijen worden hierna [appellant 2] , [appellante 1] dan wel (gezamenlijk) [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd. 1Het geding in hoger beroep [appellanten] zijn bij dagvaarding van 23 mei 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2022, in kort geding gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie. De appeldagvaarding, met producties, bevat de grieven. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens voorwaardelijke vermeerdering van eis, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel tevens antwoord op eisvermeerdering, met producties. In principaal hoger beroep hebben [appellanten] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover in conventie gewezen en alsnog hun vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] ter voldoening aan het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] hebben voldaan en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten en met rente. [geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, met rente. In het incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen en alsnog toewijzing van zijn (in hoger beroep voorwaardelijk gewijzigde) vorderingen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van beide instanties, met rente. [appellanten] hebben in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof de (in hoger beroep voorwaardelijke gewijzigde) vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep, met nakosten. Tijdens de mondelinge behandeling op 16 februari 2023 hebben de hiervoor genoemde advocaten het woord gevoerd, mr. Gadellaa aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen beantwoord. [appellanten] hebben voorafgaand aan de zitting producties in het geding gebracht. Ook bevat de laatste pagina van de pleitaantekeningen van mr. Gadellaa een productie. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van laatstgenoemde productie. Het hof honoreert dit bezwaar niet, omdat onbetwist is gebleven dat deze productie niet eerder kon worden overgelegd en ook verder onvoldoende naar voren is gebracht op grond waarvan het inbrengen van deze productie in strijd met de goede procesorde zou dienen te worden geoordeeld. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, komen de feiten neer op het volgende. a. [geïntimeerde] exploiteert een klussenbedrijf met de naam “ [bedrijf 1] ”.b. Op 2 juli 2021 hebben partijen een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. [geïntimeerde] heeft de opdracht gekregen om het hoofdgebouw van de woning van [appellant 2] gelegen aan de [straatnaam] 60 te [plaats 1] (hierna: de woning) te renoveren en een aanbouw te realiseren aan de achter- en zijkant van de woning voor een aanneemsom van € 222.371,- inclusief btw. c. Partijen zijn overeengekomen dat betaling van de aanneemsom als volgt zou plaatsvinden: 30% bij aanvang, 5 x 11% 1ste week van oktober 2021 tot en met februari 2022 en 15% bij oplevering. d. Daarnaast is overeengekomen dat het werk zou worden opgeleverd op 28 februari 2022 of eerder. e. Op de aanneemovereenkomst zijn de Consumentenvoorwaarden Verbouwingen 2010 (Covo2010) van toepassing. f. [appellant 2] heeft [geïntimeerde] ook opgedragen een zogenoemd pool house te realiseren en te plaatsen. In verband daarmee heeft [geïntimeerde] op 2 november 2021 een bedrag van € 36.300,- inclusief btw aan [appellant 2] in rekening gebracht. [appellant 2] heeft dit bedrag betaald. g. Gelet op de aard en de omvang van de verbouwing heeft [appellant 2] vervangende woonruimte gehuurd. h. In verband met de verbouwing van de woning heeft [appellant 2] in totaal € 140.000,- aan [geïntimeerde] betaald. i. Vanaf de start van de werkzaamheden zijn werkbesprekingen gehouden. Hiervan heeft [appellant 2] verslagen gemaakt. Naar aanleiding van een bespreking op 15 december 2021 heeft [appellant 2] genoteerd: Half march the house will be ok for living. Poolhouse mostly ready. j. Het verslag van een werkbespreking op 22 december 2021 luidt als volgt:Agreement: extended rental period untill end of march, add costs to other corrections.(…)Paid 5.000 (proof of paiment is signed for payments 8 en 22 dec. 21), Change of payment schedule 10K on invoice instead of cash in januari:week cash invoice paid(…)51 5.000 5.000521 24.460,81(…)oplevering 33.355,65Totaal 40.000 182.371,- 222.371 140.093,73k. Bij factuur van 5 januari 2022 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 24.460,81 aan [appellant 2] in rekening gebracht. l. Bij e-mail van 8 januari 2022 heeft [appellant 2] het volgende aan [geïntimeerde] bericht:As we just discussed we will pay this invoice when kitchen walls are stucced and cement dekvloer is ready.m. Bij bericht van 7 februari 2022 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [appellant 2] meegedeeld:I must have missed this email…“As we just discussed” does not mean that I agreed to these terms. At the meeting, I was informed about what you decided. In connection with the above, I assume that then provision of the contract are still in force. n. Bij e-mailbericht van 4 maart 2022 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [appellant 2] medegedeeld:(…) I note that you haven’t paid me in the first week of January (…)My accountant therefore gave you the opportunity on Februari 4, 2022 and February 14, 2022 to still make the payments within 7 days. However, you still haven’t paid my invoices. On the contrary, you even asked me to stop sending payment reminders because you would not pay anyway. You are therefore in breach of your obligations under our agreement.You now postponed the payments untill the wall and the kitchen floor are done. You also told me we should negociate about a new payment schedule. I am not willing to negociate any further on the payments and I would like to point out that my invoices are not connected to the amount of work that has been done. The contract allows you to postpone the last payment of 15%, but there is no base to postpone the invoices of January (…). Since you have clearly indicated that you are not prepared to pay my invoices, I see not other option left but to cancel our agreement. Therefore, I regret to inform you that I hereby use my right to partially cancel the agreement, which means that I will not finish the remaining work. I reserve the right to recover the unpaid invoices and any damages I suffer as a result of this.o. Bij brief van 9 maart 2022 heeft (de advocaat van) [appellant 2] [geïntimeerde] in gebreke gesteld en de mogelijkheid gegeven het werk uiterlijk op 15 maart 2022 te hervatten. p. Op 16 maart 2022 heeft [appellant 2] met verlof van de voorzieningenrechter ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag gelegd onder de ABN Amro Bank N.V., de Coöperatieve Rabobank U.A. en de ING Bank N.V. Daarnaast heeft [appellant 2] conservatoir beslag gelegd op de woning van [geïntimeerde] en op een bedrijfsauto. q. De advocaat van [appellant 2] heeft [bedrijf 2] , gevestigd te [plaats 2] , gevraagd een bouwtechnische opname te maken van het werk dat is uitgevoerd aan de woning en het pool house. Op 28 maart 2022 heeft [naam 1] van [bedrijf 2] een rapportage bouwtechnisch onderzoek uitgebracht (hierna ook: het rapport van [naam 1] ). 3Beoordeling 3.1 [appellanten] hebben in eerste aanleg in conventie – kort gezegd – gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 150.000,- bij wijze van voorschot op de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst door [geïntimeerde] en zijn gebrekkige uitvoering van de werkzaamheden, vermeerderd met kosten. [appellanten] hebben na hun aan [geïntimeerde] gedane betalingen onvoldoende financiële middelen over om de werkzaamheden te laten afmaken en de benodigde herstelwerkzaamheden te laten verrichten, aldus [appellanten] 3.2 [geïntimeerde] heeft in voorwaardelijke reconventie (als de vorderingen van [appellanten] geheel of gedeeltelijk worden afgewezen) gevorderd – kort gezegd – de gelegde beslagen onder de drie grote banken, de bedrijfsauto en de onroerende zaak (gedeeltelijk) op te heffen, vermeerderd met kosten. 3.3 De voorzieningenrechter heeft in conventie de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, die hierna onder 3.5 aan de orde komt, komen [appellanten] in principaal hoger beroep met negen grieven op. Deze grieven zullen hierna worden behandeld. Het door [geïntimeerde] gevoerde verweer zal daarbij worden betrokken, voor zover aangewezen. 3.4 De voorzieningenrechter heeft in reconventie de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen omdat er geen aanleiding bestond om de beslagen op te heffen. De ingediende eis in reconventie vermeldde geen gronden op basis waarvan de door [appellant 2] op 16 maart 2022 gelegde beslagen zouden moeten worden opgeheven en ook ter zitting zijn geen daartoe strekkende gronden gesteld, aldus de voorzieningenrechter. [geïntimeerde] heeft in het incidenteel hoger beroep drie grieven tegen het bestreden vonnis gericht en bovendien voorwaardelijk zijn eis gewijzigd, voor het geval het hof oordeelt dat [geïntimeerde] de aannemingsovereenkomst wel terecht heeft ontbonden, maar toch een bedrag aan [appellanten] moet betalen gelet op de stand van het werk. Bij vervulling van die voorwaarde vordert [geïntimeerde] bij wijze van voorschot een bedrag van € 15.000,- aan schadevergoeding wegens gederfde winst. Ook deze grieven zullen hierna worden behandeld, waarbij het verweer van [appellanten] zal worden betrokken, voor zover van belang. 3.5 De voorzieningenrechter heeft de volgende overwegingen aan zijn oordeel in conventie ten grondslag gelegd. (4.4) Ter beoordeling staat of [geïntimeerde] de aanneemovereenkomst op 4 maart 2022 rechtsgeldig heeft ontbonden. Daarvoor is vereist dat [appellant 2] tekort is gekomen in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst en in verzuim was. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter deed die situatie zich voor. De voorzieningenrechter licht dat als volgt toe. (4.5) Uit de overeenkomst van aanneming van werk volgt dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant 2] onder meer in de eerste week van januari 2022 11% van de aanneemsom zou betalen. Uit het verslag dat [appellant 2] heeft opgesteld van de werkbespreking van 22 december 2021 volgt dat bij die gelegenheid is gesproken over het aanpassen van het betaalschema, in die zin dat - in afwijking van een week eerder op 15 december 2021 gemaakte afspraken - ook het bedrag van € 10.000,- via de bankrekening zou worden betaald en niet contant. Uit het onder het verslag opgenomen staatje (zie hiervoor onder 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.