afdeling strafrecht parketnummer: 23-001418-22 datum uitspraak: 6 februari 2023 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-116751-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1 hij op of omstreeks 9 mei 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, een ambulance verpleegkundige, werkzaam op [locatie] in Amsterdam, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die ambulance verpleegkundige dreigend de woorden toe te voegen "Je moet maar oppassen, pas maar op met alles wat je doet, ik ben namelijk het neefje van [naam] ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 2 hij op of omstreeks 9 mei 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ambulance verpleegkundige, werkzaam op [locatie] in Amsterdam, in zijn/haar tegenwoordigheid, heeft beledigd door - naar, althans in de richting van het gezicht, althans het hoofd van voornoemde ambulance verpleegkundige te spugen en/of - hem/haar mondeling de woorden toe te voegen: "Kankerhond, kankeridioot, klootzak", althans door een gebaar en/of woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) houdt in dat belediging niet wordt vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, behalve in de gevallen voorzien in artikel 267 lid 1, aanhef en onder 1° en 2°, Sr. In de onderhavige zaak is door een ambulanceverpleegkundige aangifte tegen de verdachte gedaan, terwijl niet zonder meer duidelijk is dat de aangever valt onder de categorie van personen bedoeld in artikel 267, lid 1, aanhef en onder 1° en 2°, Sr, het dossier geen klacht bevat zoals bedoeld in artikel 164 Sv, en ook niet op andere wijze blijkt dat de aangever de wens heeft gehad tot vervolging van de verdachte. Daarom wordt het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat er geen sprake is geweest van een situatie waarin de redelijke vrees bij de aangever kon ontstaan dat tegen hem een misdrijf zou worden gepleegd. Immers leveren de door de verdachte uitgesproken woorden dat de aangever ‘moest oppassen omdat de verdachte het neefje van [naam] is’, geen bedreiging met een concreet misdrijf op. Het hof overweegt als volgt. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Het hof is van oordeel dat de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen van de verdachte aan deze maatstaf voldoen. Immers gelden naar het oordeel van het hof als feiten van algemene bekendheid dat [naam] als opdrachtgever met moorden in verband wordt gebracht, dat hij eind 2019 is uitgeleverd aan Nederland en sindsdien gedetineerd is en dat hij als verdachte betrokken is in het zogenaamde ‘ [zaak] ’ dat, kort gezegd, drugshandel en een reeks moorden tot onderwerp heeft. Het hof verwerpt het verweer. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 9 mei 2022 te Amsterdam, een ambulance verpleegkundige, werkzaam op [locatie] in Amsterdam, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die ambulance verpleegkundige dreigend de woorden toe te voegen "Je moet maar oppassen, pas maar op met alles wat je doet, ik ben namelijk het neefje van [naam] ". Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren onder het stellen van bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde komt, het gegeven dat het slachtoffer een ambulancemedewerker was niet als strafverzwarend mee te rekenen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft een ambulanceverpleegkundige bedreigd, toen deze bezig was om hem te verzorgen, door te zeggen dat het slachtoffer moest oppassen omdat hij een neefje is van [naam] . Door zijn handelen heeft de verdachte op intimiderende en agressieve wijze een voor de betreffende ambulanceverpleegkundige bedreigende situatie geschapen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het feit heeft begaan tegen een hulpverlener, die bezig was met zijn verzorging. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 januari 2023 is hij eerder onherroepelijk ter zake van bedreiging en andere ernstige misdrijven veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Gelet op een en ander is het hof van oordeel dat oplegging van een geldboete dan wel een taakstraf een gepasseerd station is. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. M.L.M. van der Voet en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas en mr. R.J. den Arend, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 februari 2023. De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […] […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.