afdeling strafrecht parketnummer: 23-001317-22 datum uitspraak: 6 februari 2023 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-041101-22 tegen [verdachte] , geboren te district [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman, de benadeelde partij en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 28 december 2018 t/m 12 februari 2022 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door die [benadeelde partij] - meerdere brieven te sturen en/of - meerdere malen (anoniem) te bellen (naar de privételefoon van die [benadeelde partij] ) en/of - meerdere malen spraakberichten te sturen via Whatsapp en/of - voicemailberichten in te spreken (op de privételefoon van die [benadeelde partij] ) met het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter ten aanzien van de bewijsvraag. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld, dat toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat tevens aan de verdachte een dadelijk uitvoerbaar contactverbod met het slachtoffer wordt opgelegd voor de duur van 3 jaren. De advocaat-generaal acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar voor een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade, waarbij de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard voor het overige en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vrijspraak Deze zaak wordt gekenmerkt door de bijzonderheid dat de verdachte de inmiddels 70-jarige moeder is van de aangeefster [benadeelde partij] . De aangeefster heeft, kort samengevat, uiteengezet dat zij haar handen eraan vol heeft om te proberen trauma’s uit haar jeugd te verwerken en te zorgen voor haar zoon. Ook heeft zij overtuigend verklaard dat de relatie met haar moeder al heel lang heel moeizaam en voor haar zeer belastend is en dat zij contact met (en de pogingen daartoe van) haar moeder er in haar leven niet bij kan hebben. Met het hiernavolgende oordeel wil het hof niets afdoen aan wat de aangeefster naar voren heeft gebracht. De verdachte mag dit oordeel zeker niet opvatten als reden om toch weer contact met haar dochter te zoeken. Het hof moet de zaak beoordelen op basis van de strafbaarstelling van belaging in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad over de uitleg van deze bepaling zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een stelselmatige inbreuk als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095). Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat er een eerste stopgesprek tussen de politie en de verdachte is geweest op 29 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.